Pastorale notitie
1994-04-22
Naar huis - Jaargang 38
- nummer 8
Ik ontmoette hem voor 't eerst in de lift. Nee, dat is teveel gezegd.
Ik zag hem voor 't eerst in de lift. Het ontmoeten kwam later.
We moesten allebei naar boven. Ik naar de zesde, hij nog hoger.
De oude man had een g'elig gelooid gezicht, zoals je vaker ziet bij patiënten in dit ziekenhuis. Maar hij had zijn winterjas aan, en misschien was het dus verbeelding van mij.
Ja, hij woonde ook in die wijk. Net als de dame met wie hij stond te praten.
Zij vertelde hem in welke straat ze woonde. Hij probeerde uit te leggen waar hijzelf woonde. Ze deed alsof ze het begreep. 'Ik woon daar erg naar mijn zin, al 23 jaar'.
Toen waren we op de zesde. Ik moest de lift uit.
De patiënt die ik wil bezoeken, is niet op zaal. De surinaamse zuster vertelt me dat ze waarschijnlijk naar de recreatie is. Ik dus terug naar de derde.
Nee, mevrouw is hier ook niet. Wel hier geweest, maar ze heeft nu fysiotherapie en daarna gesprek. Wat voor gesprek blijft vaag, maar in elk geval gesprek. Dat kan wel even duren. Na het gesprek gaat ze rechtstreeks naar de zaal terug. Het loopt tegen etenstijd, weet u.
'Maar u mag hier wel even wachten.
En misschien wilt u koffie?' o ja, dat wil ik wel. We hebben thuis al koffie gedronken, maar dat is al weer een uur geleden.
'Gaat u daar maar even in de zaal zitten". Tafels, stoelen, wandmeubel.
Ik bekijk de boeken op de plank en de tijdschriften op de leestafel. De naam van het ziekenhuis heeft een akelige klank, maar hier binnen zijn de mensen hartelijk en de dingen huiselijk, gezellig. Een goede plaats om ziek te zijn, of om beter te worden, of niet natuurlijk.
Eén kop koffie en één magazine later weer naar boven. Wachten bij de lift.
'Wat kan ik voor u doen, meneer?' vraagt de langskomende verpleegster.
ZÓ moet je als ziekenhuispersoneel met de mensen omgaan, denk ik. Het is de toon die de muziek maakt. Ik vertel het doel van mijn bezoek.
Dan komt dit doel eindelijk de lift uit.
We gaan naar de zaal. Totdat het middageten wordt binnengebracht, praten we met elkaar. Goed gesprek. Strijd en troost.
Het was dus zeker wel 'n uur, anderhalf uur later, dat ik hem terugzag. In de lift. Van boven naar beneden nu.
'Ik heb u straks toch ook gezien?', zei ik. 'Toen had u uw jas aan. U woonde zo fijn in de wijk. AI 23 jaar'. Hij herkende mij ook.
'Bent u op bezoek geweest?' 'Nee, ik ben net opgenomen. Voor de zoveelste keer. Ik ga een telefoonkaart halen bij de receptie '.
'Waarvoor bent u hier?' 'Buikoperatie. Maar ik ben niet bang, hoor. De dokter zei ook al tegen mij: "U bent zo rustig ". Dat ben ik ook, meneer. Ik ga naar huis (hij wees opzij) óf ik ga naar huis (hij wees naar boven)'.
'U draagt ook een kruis', zei ik. Hij had een zilveren kruisje aan zilveren ketting om de nek. Hij lachte.
Ik wenste hem sterkte. 'Tot ziens', zei ik, en ik vergat helaas erbij te zeggen: 'in Jeruzalem'.
'Gods zegen', antwoordde hij.
En dat ontmoet je zomaar even op een maandagmorgen in het ziekenhuis! Ik ga naar huis, of ik ga naar Huis, meneer!