Over CDA, RPF en GPV (3)

1994-07-15
  • Jaargang 38
  • nummer 14

Theocratie
Ik zou het nog hebben over het lidmaatschap van niet-christenen bij een christelijke partij en over het problematische van een artikel 36 politiek. Daarvoor moet ik terecht bij het ingezonden van de heer Rietkerk. Maar een belangrijk deel van zijn artikel gaat toch over iets anders. De heer Rietkerk neemt het mij kwalijk dat ik destijds mijn kerkelijke broeders en zusters van de RPF in de kou heb laten staan door als Nederlands gereformeerde op het GPV te stemmen. En nu dat over (?) is, loop ik de RPF weer voorbij door voor het CDA te kiezen. Waarom? Ja, waarom stem je op de ene partij wel en op de andere niet?
De RPF heeft mij nooit zo aangesproken. Zij is in mijn ogen de opvolgster van de CHU en die had meer theocratie in haar pakket dan de AR, waarvan het GPV een nazaad is. Dat zit dus bij mij inderdaad hoofdzakelijk vast op de theocratische gedachte. Rietkerk verwijst mij, om mijn onkunde ten aanzien van het RPF-standpunt over de theocratie weg te nemen, naar publicaties binnen de RPF waarin over dat onderwerp geschreven wordt. Het boek van M. Rouvoet bijvoorbeeld, getiteld 'Reformatorische Staatsvisie' , dat een apart hoofdstuk over artikel 36 van de NGB heeft. De Marnix van St. Aldegonde Stichting stuurde het mij zelfs toe (Dank U wei!). Nu, ik heb dat boek op Rietkerks en anderer aanraden gelezen, maar het was precies wat ik verwachtte: een toespelen van de bal naar de SGP die helemaal in de windselen van de theocratische gedachte verstrikt zit. Daar valt inderdaad een gemakkelijke overwinning op te behalen, maar daarmee is het probleem van de theocratie in een plurale samenleving nog niet echt aangepakt. En dat verwacht ik ook niet van de RPF. Die is aan een waarlijk kritische doordenking van het theocratische gedachtengoed niet toe.

Een politieke voorkeur
Maar laat ik eerst nog wat zeggen e over wat Rietkerk mij toch wel zeer kwalijk neemt, dat ik in het verleden doof en blind ben gebleken voor het onrecht dat van vrijgemaakte zijde mijn kerkelijke broeders en zusters ook in het politieke is aangedaan. Nu, ik wil best nog wel eens hardop zeggen dat ik die behandeling van de gekken vind. Alleen, in de politiek gaat bij mij het landsbelang toch boven het kerkelijk belang. Daar is het ook politiek voor. 'De kunst om de polis (stad of staat) te besturen', dat is de betekenis van het woord politiek. Ik heb altijd gevonden dat het GPV, ondanks die vermenging van kerk en politiek die ik verfoei, er in het politieke gezonde opvattingen op nahield. Ik trof daarin een grote bereidheid tot meedenken aan met een overheid die in een postchristelijke tijd moet regeren. Nu geef ik toe dat wat dit betreft de RPF de laatste tijd ook wel met een forse inhaalmanoeuvre bezig is, maar ik ben er nog niet zeker van of dat nu wel helemaal van binnenuit komt. Er zit een behoorlijke inbreng van evangelische zijde in de RPF. En de evangelischen (bij alles wat ze verder aan positiefs wèl hebben) hebben te weinig politieke traditie om een principiële doordenking van een vraagstuk te onderscheiden van een voorbijgaande modegevoeligheid. Ik denk daarbij met name aan het milieuprobleem. Dat is voor mij dus nog wat afwachten, hoe het met al die vooruitstrevend geformuleerde issues binnen de RPF zal aflopen.

Kerkgekte
Maar dat kerkelijke zeer dat aan de oprichting van de RPF ten grondslag ligt en waar ik me bij mijn stemmen op het GPV niets van aan lijk te trekken, laat mij daarover toch nog iets meer te berde brengen. Mijn kerkelijke broeder Rietkerk heeft daar in het verleden kennelijk onder geleden, zoals uit zijn artikel blijkt. En hij is de enige niet.
Het werkt alles ook nog tot in het heden toe door. Kan mij dat echt zo weinig schelen? Als ik die indruk gewekt heb, spijt me dat oprecht. Maar het ligt geloof ik anders. Ik wil om dit duidelijk te maken iets vertellen van wat ik destijds zelf heb meegemaakt in mijn eerste gemeente in Drenthe. Sommige broeders kwamen daar op zekere dag met net-plan een eigen vrijgemaakte school op te richten. Wat of ik daarvan vond. Ik vroeg hoe het christelijk onderwijs op de bestaande school in het dorp was. Goed, heel goed, ook uit christelijk standpunt, gaven ze toe. 'Wat is dan het probleem?', vroeg ik.
Wel, het synodale schoolbestuur bleek de vrijgemaakten die duidelijk in de minderheid waren, konsekwent buiten het bestuur te houden. Solliciterende vrijgemaakte leerkrachten hadden daardoor, om maar iets te noemen, geen schijn van kans. Pure machtswellust dus. Ik kon me de woede daarover goed voorstellen. Toch adviseerde ik dit maar te verdragen, omdat er op het onderwijs zelf niets aan te merken viel. 'Broeders, die kerkgekte gaat wel weer over, probeer dus het kerkelijk konflikt buiten de schoolzaken te houden. Je krijgt er later spijt van als je dat niet doet. En een voordeel is dat je nu tijd over houdt voor andere nuttige zaken.' Dat was niet erg vrijgemaakt opgemerkt, want de filosofie was toen juist om dat kerkelijk konflikt in alle andere verbanden van het sociale leven door te berekenen. Via de heilloze on-leer van het 'ethisch konflikt'.
Mijn advies werd niet opgevolgd, de kinderen werden in Hoogeveen op school gedaan (een vrijgemaakte school ter plaatse behoorde niet tot de mogelijkheden), alwaar zij - dat moet gezegd -uitstekend en goed christelijk onderwijs ontvingen. Vandaag de dag is de school op de plaats zelf niet herkenbaar christelijk meer. Die oudersinitiatiefnemers van toen hebben dus gelijk gekregen? Dat kun je zeggen, maar het is wel het gelijk van de scheiding, waarover ik, zo in de buurt van '50 jaar Vrijmaking', steeds meer mijn vragen krijg. Kerksplitsing maakt net als kernsplitsing ontegenzeggelijk energie vrij, maar is het wel de goede energie? De kerkgeschiedenis laat sedert 1517zien dat scheiden een kettingreaktie heeft losgemaakt die heel moeilijk te stoppen is.

Een werkgroep binnen het CDA?
Ben ik duidelijk met mijn verhaaltje?
De broeders en zusters die door het vrijgemaakte gedram buiten het GPV kwamen te staan, hadden mi beter gedaan om net als ik te doen of ze gek waren en die partij te blijven stemmen en steunen, ook zonder dat ze er lid van konden worden. 'Die kerkgekte gaat wel weer over' - hetgeen inmiddels ook gebeurd is. Nu zitten we met twee partijen die te weinig verschillen hebben om met hun gescheidenheid te overtuigen. Maar, zegt u, nu kunt u lid worden van het GPV en nu gaat u weg.
Goed, misschien niet voor goed, maar toch. Inderdaad, dat lijkt vreemd. Laat ik me ook daarover nog eens verklaren.
Ik vraag me werkelijk wel eens af of we er niet beter aan deden om met z'n allen, het GPV en de RPF, naar het CDA te gaan, om binnen het kader van die partij een werkgroep te vormen, zoals destijds ook de doorbraakchristenen in de PvdA hebben gedaan. Een voordeel daarvan zou zijn dat je meer tot een echt gesprek over bepaalde moeilijke dingen kunt komen.
In een kleine partij die met hangen en wurgen slechts tot een paar zetels komt, is dat veel moeilijker. Je geeft dan, ook al is dat na de verkiezingen en dus duidelijk (en expres!) zonder het najagen van een electoraal effect, over bepaalde dingen en voorkeuren je mening en meteen ben je een spelbreker die zijn medegelovigen die zich voor de verkiezingen uitgesloofd hebben, in de rug aanvalt, zoals mij briefel ijk verweten is. Begrijpelijk, zo'n verwijt, want elke stem telt om zo te zeggen dubbel. Maar dit wordt mij toch te gevoelig en te kneuterig. Eenheid uit vrees is niet te vertrouwen, zei de wijsgeer Spinoza al. Daarom zou ik de voorkeur geven aan een wat groter verband dat die overgevoeligheid zo niet kent. Echter, het voorbeeld van die PvdA-werkgroep lijkt niet zo gelukkig gekozen, omdat ze niet meer bestaat.
Dat is tekenend genoeg, van een heuse inbreng was ook weinig te merken. Maar het opbrengen van dit punt illustreert wel mijn positie, dat ik ergens tussen het GPV en het CDA inzit en de ene kan stemmen zonder het andere te verwerpen, en omgekeerd.
Bedrijf ik daardoor de politiek als spel?, zoals mijnheer Rietkerk mij verwijt? Daar vind ik mijn eigen argumenten te serieus voor. Wel ben ik blij dat mijn verhalen blijkbaar wat luchtig overkomen. Behalve voor irritatie (die ik natuurlijk niet bedoel) kan dat ook voor ontspanning zorgen. En wat de RPF betreft: Och, wie weet komt het toch nog eens zover dat het GPV en de RPF samen één partij gaan vormen. Dat zou al vast enige gewenste verruiming geven en een goede vereenvoudiging zijn. En dat ze dan samen ook met het CDA op z'n minst een goede verhouding gaan opbouwen, is bij al die vallende sterren aan het politieke firmament van vandaag mijn oprechte wens. Want in de antireligieuze kaalslag van vandaag hebben we 'elkaar als christenen meer dan nodig.

Christelijke partij als bezinningskader
En hier kom ik dan op het lid zijn van niet-christenen bij een christelijke partij terecht. Ik wil daar niet teveel over zeggen, want het gaat om uitzonderingen; men staat echt niet te dringen van bijvoorbeeld moslimzijde.
Eerst weer even een omwegje. Ik heb eerder gezegd dat wanneer christenen vandaag tot regeren geroepen worden, zij in een plurale samenleving weliswaar tot taak hebben het religieuze aspect van het leven te bevorderen (in een volstrekte godsdienstige geheelonthouding van de overheid zie ik niets), maar dan op zo'n manier dat ook een anders-dan-christelijk religieus mens zich daarin vinden kan. Dat er dus, bijvoorbeeld op hoogte- of dieptepunten van het volksleven, officiëel naar God verwezen wordt. Om Hem te danken of aan te roepen. Ik Denk aan een acuut gevaar van oorlogsdreiging of aan de situatie van een toeslaande ramp. Het is toch eigenlijk niet begrijpelijk te maken dat een overheid alsdan over God helemaal zou zwijgen. Zij zou toch ook religieus iets moeten doen. Maar dan wel op de wijze waarop volgens het boekje Jona de gezagvoerder van het schip dat tegenover zijn schepelingen deed: 'Laat ieder tot zijn God roepen', riep hij ze toe, het in het midden latend over welke God hij het had (Jona 1:7, gecombineerd met vers 5).
(Dat is eigenlijk een heel aardig voorbeeld van wat ik bedoel.) Maar zulke christen-regeerders hebben dan natuurlijk voor hun godsdienstige regeringsoptreden wel een kader van bezinning nodig waarin zij samen met hun christelijke achterban nadenken over wat zij bezig zijn daar in het Torentje te doen. Hier blijkt dan het nut van een christelijke partij waarin zulke vraagpunten ter sprake behoren te komen: Hoe dat aanroepen van God er in zo'n politieke noodsituatie voor christenen uit zal zien - met de denkresuitaten daarvan zullen de kerken en de kerkelijke voorgangers geholpen kunnen worden! - en hoe dat christelijke tegen het algemeen religieuze zal moeten worden afgegrensd, zodat de dingen die uit elkaar gehouden moeten worden ook werkelijk uit elkaar gehouden worden. Vanzelfsprekend liggen er voor een christelijke partij veel meer taken gereed (hier noem ik opzettelijk het zoeken van recht en gerechtigheid in de samenleving niet, want hoe christelijk dat ook is, specifiek christelijk is het niet), maar hier zitten wij bij een kernwerkzaamheid: zich bezinnen hoe in een plurale samenleving God die wij alleen in Christus willen kennen, ook op een voor niet-christenen overtuigende wijze ter sprake kan worden gebracht.
Wel, het ligt niet voor de hand dat bij die onderlinge bezinning van christenen ook niet-christenen tegenwoordig zijn. Vandaar dat ik schreef dat ik moeite had met het lidmaatschap van het CDA van niet-christenen. Is het verboden? Nou, nee, maar wat moet zo'n man of vrouw daarbij? Maar als een enkeling daar toch iets in ziet, ach, laat hem. Het is zijn probleem, meer dan dat van die partij. Hij zou zelfs nog wel een signaalfunktie kunnen hebben om eraan te herinneren dat het ook om hem gaat. Heel anders wordt het natuurlijk wanneer die christelijke partij zèlf een getrouwe afspiegeling probeert te zijn van het algemeen religieuze dat bij het regeren wordt nagestreefd. Dan wordt die partij zelf piuraai en verspeelt ze daarmee mi haar bestaansrecht. AI moet ik toegeven dat ook die algemeen religieuze politiekvoering weer een eigen bezinningskader vergt. Is dat soms iets voor een studiegroep, waarin vertegenwoordigers van verschillende religies en religieus-politieke groeperingen zitting nemen? Hoe dat ook zij, christelijke partijvorming heeft in mijn optiek zeker zin en het bewaren van de christelijke identiteit daarvan is een must. Juist de inhoudelijke christelijke identiteitsbewaking zal er dan voor zorgen dat er geen toestroom van andersgelovigen zal komen.

Een niet-politieke nevenbedoeling
Deze voorstelling van zaken van mij valt nu echter voor geen centimeter te rijmen met de theokratische politiek van artikel 36. Denk erom, ik blameer dat artikel van de belijdenis niet. In de tijd waarin het werd opgesteld kon gesproken worden zoals daarin gedaan is. De overheid was toen zelf immers een soort kerkeraad, zeker vergeleken met nu, en het christelijke dat ze voorstond en bevorderde werd door de onderdanen beleden. Niet door alle onderdanen, dat is waar, maar toch door een meerderheid. Het probleem dat wat een christelijke overheid als een soort kerkenraad eigenlijk moest willen (het rijk van de antichrist te gronde te werpen, bijvoorbeeld), in de bevolking geen weerklank vond, deed zich toen niet voor.
Artikel 36 past daarom niet meer in onze tijd. Hier aangekomen moet ik enige ondeugendheid van mijzelf belijden.
Zoals de lezer weet, verzet ik me nogal eens tegen een te straffe binding aan de belijdenis. Ook de heer Rietkerk zinspeelt daarop als hij mij via een persverslag op de Landelijke Vergadering laat spreken over een strop van confessionalisme om mijn nek. Ik ontken niet dat ik het daarover gehad heb, maar wat in geen enkel persverslag gestaan heeft (ik heb toch behoefte dat even naar voren te brengen) is dat ik duidelijker dan iedereen gepleit heb voor een hartelijke, geestelijke band aan de belijdenis en voor het recht van de kerken om iedere predikant daarop te bevragen ('Natuurlijk mag dat, wat zullen we nou krijgen?').
Maar misschien kwam het niet ieder uit dat ik het daarvoor opnam.
Men heeft nu eenmaal een bepaald beeld van mij dat men voor geen prijs kwijt wil. Het zij zo. Ik voor mij, ik wil helemaal niet van het geloof van de belijdenis af, maar het is teveel dat mensen daar vandaag kerkjuridisch, dus via een straf stipulerend ondertekeningsformulier, aan gebonden zouden worden. Dat leidt tot kleingeesterij.
Laat het dus, adviseer ik, bij een eenvoudige ondertekening blijven. En in dat artikel 36 meen ik nu een goed handvat te hebben om mijn pleidooi voor wat meer vrijheid kracht bij te zetten. Aan dit artikel zie je namelijk heel duidelijk dat de belijdenis van een andere tijd is dan de onze. En dat een juridische binding daaraan ethisch ontoelaatbaar is. Het is derhalve niet helemaal belangeloos dat ik met artikel 36 naar voren kom. Ik kan er het confessionalisme mee aan de kaak stellen. Dat is een niet-politieke nevenbedoeling van mijn schrijven. Maar kom, het is voor vandaag met al die warmte (4 juli) wel weer genoeg. Ik ben met het beantwoorden van de heer Rietkerk intussen nog niet helemaal klaar.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief