Meedoen met liedboek-2000? (2)

1994-05-06
  • Jaargang 38
  • nummer 9
'Zingend geloven, bijdragen tot de ontwikkeling van het nieuwe kerklied' Binnen de kerken die bij de totstandkoming van het Liedboek samenwerkten, was er van het begin af aan kritiek op de inhoud van de bundel. In de jaren dat men in de I.S.K. (de Interkerkelijke Stichting voor het Kerklied) de liederen voor deze bundel bij elkaar bracht, waren de theologische ontwikkelingen in de samenwerkende kerken in een stroomversnelling geraakt. Nog even ter herinnering: het Liedboek is het resultaat van samenwerking tussen de Algemene Doopsgezinde Sociëteit, de Evangelisch-Lutherse Kerk, de Gereformeerde Kerken (syn.), de Ned. Hervormde Kerk en de Remonstrantse Broederschap.
Toen na jaren van verzamelen, dichten en schaven de gezangenbundel verscheen, werd al vrij snel het geluid gehoord dat ze verouderd was. Sommigen noemden het Liedboek zelfs 'één groot museum '. Tal van liederen stammen immers uit de tijd dat het geloof nog uit zekerheden bestond; de twijfels en onzekerheden van de moderne mens, zijn onvermogen om te geloven, zijn vragen naar God toe, klinken er niet of nauwelijks in door. Ik hoorde het een predikant eens verwoorden: "Vroeger ging het om de vraag: zijn wij acceptabel voor God? Vandaag gaat het eerder om de vraag: is God acceptabel voor ons?" 1'1het Liedboek staat het belijden van de Kerk nog altijd centraal; de hedendaagse mens, die met het traditionele Godsbeeld niet meer uit de voeten kan, heeft er geen stem.

Vorig jaar zond de IKON voor radio-5 een serie uit onder de titel 'Op weg naar Liedboek-2000'. Uit de mond van een doopsgezinde of remonstrantse predikant tekende ik op: "In het Liedboek staan veel te veel vreselijke dingen, die niet hadden gemógen. Zaken als zonde, oordeel, schuldverzoening, daar wemelt het in het Liedboek van.
Dat mag ècht niet wéér gebeuren!" Als het aan die predikant ligt, keert het hart van het evangelie in Liedboek-
2000 niet terug. Er is in onze tijd grote belangstelling voor de Persoon van de Heilige Geest, in allerlei kringen, van Wimber tot Sölle. Jezus zelf zei (Joh.
16:8) van die Heilige Geest dat Hij de wereld zou 'overtuigen van zonde en van gerechtigheid en van oordeel'.
Geen boodschap is vandaag zó impopulair als deze boodschap. Maar voor wie Christus werkelijk willen volgen blijft de kern van het evangelie: verzoening met God door het bloed van Christus en Zijn heerschappij over ons leven. Ook voor de moderne mens heeft Jezus een eeuwig evangelie, dat Johannes hoorde op Patmos (Openb.
14:6): "En ik zag een andere engel vliegen in het midden van de hemel en hij had een eeuwig evangelie, om dat te verkondigen aan hen die op de aarde gezeten zijn en aan alle volk en stam en taal en natie, en hij riep met luider stem: "Vreest God en geeft Hem eer, want het uur van zijn oordeel is gekomen, en aanbidt Hem die de hemel en de aarde en de zee en de waterbronnen gemaakt heeft."
Nu weet ik wel dat die doopsgezinde of remonstrantse predikant niet in z'n eentje uitmaakt wat er wel of niet in Liedboek-2000 mag, maar ik ben er lang niet gerust op dat het 'eeuwig evangelie' bij de samenstellers van zo'n gezangenbundel veilig zou zijn.

'Zingend geloven'
Ook van de kant van de liturgische.
beweging klonk er kritiek op de inhoud van het Liedboek. De bundel zou te weinig gezangen bieden voor de gang van het kerkelijk jaar. Er zijn wel liederen voor de hoge feestdagen (Kerst, Goede Vrijdag, Pasen, Hemelvaart, Pinksteren), maar al die tussenliggende periodes en zondagen met hun geëigende Schriftlezingen volgens het leesrooster komen er maar bekaaid af.
Vooral voor de befaamde Veertigdagentijd voor Pasen zijn veel te weinig gezangen voorhanden." Wat zingt de gemeente op de zondagen Invocabit, Reminiscere, Oculi, Laetare, Judica en Palmarum? Tja, ik zou het óók niet weten. Het Liedboek stamt duidelijk nog uit de tijd dat een dominee donderdag bedacht waarover hij zondag ging preken (wat een chaos).
En dan was er ook nog kritiek van de zijde van de rechtzinnigen, de klassiek-gereformeerden: zij proefden in een aantal moderne liederen een beginnend, of oprukkend horizontalisme.
Soms klonk die kritiek heel apodictisch: in één brede zwaai werd 'het' Liedboek van tafel geveegd; vaak klonk de kritiek schuchter, alsof men zich schaamde voor een 'achterhaalde' mening. En als men dapper wilde wezen, klonk het toch zo onbeholpen: men had immers zo weinig verstand van gezangen? Lang geleden had men het initiatief op het gebied van de gezangen aan anderen overgelaten: die anderen hadden zich intussen breed ontwikkeld, de 'klassiek-gereformeerden' waren achtergebleven.
Ook voor het Liedboek-2000 ligt het initiatief bij de eerder genoemde kerken, die samenwerken in de Interkerkelijke Stichting voor het Kerklied. In 1981ging de I.S.K. opnieuw aan het werk. Ze riep twee commissies in het leven, waarin dichters, componisten en theologen werden benoemd. De eerste commissie kreeg tot taak "te inventariseren wat er buiten het Liedboek zoal aan nieuwe (oorspronkelijke en vertaalde) liederen is ontstaan en ten dele hier en daar reeds functioneert, en tevens de liederenschat der eeuwen op zijn bruikbaarheid in het heden te onderzoeken ". Aan de tweede commissie "werd de redactie toevertrouwd van een reeks uitgaven, waarin nieuwe (dat wil in dit verband zeggen: nog onbekende) liederen ter beproevi ng worden aangeboden 1."
Tussen 1981en nu verschenen onder redactie van die tweede commissie vier bundeltjes gezangen onder de mooie naam 'Zingend geloven'. De eerste bundel kwam al in 1981uit bij de Prof. dr. G. v.d. Leeuwstichting en heeft als ondertitel: 'Tijd voor Pasen, een verzameling liederen voor de Zeventig Dagen-tijd'. De liturgische beweging mocht tevreden zijn. In 1983verscheen het tweede deeltje, ook bij de V.d.
Leeuwstichting, met de ondertitel: 'Te gelegener tijd, een verzameling liederen voor tijden en gelegenheden'. Een derde deeltje zag in 1988bij Callenbach het licht. Als ondertitel heeft het: 'In de schaduw van Gods Woord'. Het bestaat grotendeels uit liederen bij bijbelteksten. Bij Boekencentrum in Zoetermeer kwam in 1991het vierde deeltje uit: 'Zingend geloven, Bijdragen tot de ontwikkeling van net nieuwe kerklied'. Niemand weet hoeveel deeltjes nog zullen volgen. De samenstellers trekken van uitgever tot uitgever, zoals de Israëlieten in de woestijn omzwierven.
Toch zal het geen veertig jaar meer duren, want deze uitgaven moeten het reservoir vormen waaruit de I.S.K. kan putten, "indien de samenwerkende kerken te eniger tijd opnieuw een beroep zullen doen op de vakmensen om het uitgeven van een nieuw gezangboek in studie te nemen"," Zo voorzichtig drukte de I.S.K. zich in 1981 nog uit. Anno 1994schijnt het voor de 'vakmensen' vast te staan dat zo'n nieuwe gezangenbundel in aantocht is.
Ik vraag me af of er bij het merendeel van het kerkvolk zo kort na de verschijning van het Liedboek (1973)al behoefte is aan een gezangenbundel die het Liedboek moet vervangen; velen hebben de liederenschat van de Kerk der eeuwen pas voor het eerst ontdekt.
En de jongeren, die vanouds gauw iets 'oud' vinden, zingen liever uit 'Opwekking' dan uit 'Zingend geloven'.
Overigens vormt Zingend geloven niet de enige bron waaruit men voor Liedboek-2000 zal putten. De 'volle breedte van de kerk' moet in de nieuwe gezangenbundel tot uiting komen, daar is men het wel over eens.
Zo moeten b.v. ook de razend populaire verzen van Huub Oosterhuis en het 'Feministisch liedboek' in de nieuwe kerkelijke liedbundel vertegenwoordigd zijn.
Een ander geluid dat je veel tegenkomt in publicaties is dat bij de vorming van Liedboek-2000 de theologen de dichters niet meer steeds voor de voeten mogen lopen, zoals dat het geval was bij de totstandkoming van het huidige Liedboek. Dichters en theologen hebben ieder een eigen vakgebied en het vakgebied van de theologie mag niet heersen over dat van de poëzte". Waarbij je je dan mag afvragen tot welk 'vakgebied' de kerkganger zich mag rekenen die op zijn tong proeft dat een lied dat hij moet zingen niet Schriftuurlijk is. Is zo'n kerkganger misschien een pseudotheoloog, of mag je hem een gelovige noemen die zijn Bijbel kent? Op de door 'Woordwerk' georganiseerde Weerklank-conferentie (ook daar was Liedboek-2000 het onderwerp) heb ik gezegd dat de scheidslijn niet loopt tussen verschillende vakçebleden, tussen dichters enerzij,ds en theologen anderzijds, maar tussen christenen (theologen, dichters, 'leken') van verschillend inzicht, van verschillend belijden, van verschillende geloofskeuze.
Waar die scheidslijn ontkend wordt, heerst het relativisme - en bij relativisme wint dié partij die zich het vaagst weet uit te drukken

Dichterlijk woordenspel
In de vorige aflevering schreef ik dat het dichterlijk spel met woorden en begrippen, dat in het Liedboek nog een randverschijnsel vormde, in Zingend geloven de norm is. Om u een indruk te geven van wat ik bedoel, kan ik het beste enkele liederen citeren die representatief zijn voor de dichtstijl in deze bundeltjes. Ik kies ze uit het vierde deeltje, omdat ik dat het meest recent heb bestudeerd. Het eerste lied, gez. 13, volgt de zondagen van de Veertigdagentijd tot en met Pasen op de voet. Het is dus een eldorado voor de mensen van de liturgische beweging.
De dichter, Wim Pendrecht, schrijft er bij: "Over het algemeen volgende de strofen de klassieke evangelielezingen voor deze zondagen."
Het wordt gezongen op de melodie van psalm 5.

Invocabit In veertig dagen van beproeven, vol van woestijnwind en van Geest, waar duivelslist de leugen leest zal Iemand in Gods Naam hier toeven ons ten behoeve.

Reminiscere En het geschiedde in die dagen dat hij in heerlijkheid verscheen.
Een stralend licht om allen heen, die naar des Heren welbehagen Gods glorie zagen.

Oculi De boze geesten moeten wijken voor Hem die in de hemel woont en Die zijn goedheid aan ons toont.
Machten, zij zullen - zo zal blijkenhun vlaggen strijken.

Laetare De broederschap, niet toegenegen, verkiest voortijdig part en deel in enkelvoud, wat niet zoveel is om te gaan gebaande wegen van God verkregen.

Judica Wie onverdacht en goed wil leven moet leven in verbondenheid met iedereen te juister tijd en niet te snel een oordeel geven in vrees en beven.

Palmarum De Mensenzoon gaat tot het einde Zijn gang door de geschiedenis.
Temidden van de duisternis en stervensmoe van al het zijnde komt Jezus' wende.

Pasen Christus is uit de dood verrezen: Wie zoekt het leven bij de dood?
Het Licht staat op in wijn en brood, het heeft voorgoed de weg gewezen en ons genezen.
Christus is uit de dood verrezen; ten derden dage opgestaan heeft Hij voor allen ingestaan.
Laten wij daarom vrolijk wezen: GOD ZIJ GEPREZEN!

Ik moet u eerlijk bekennen dat ik de tekst van dit gezang begrijp. Dat komt misschien doordat ik dagelijks poëzie lees, dan word je zo; u moet het me maar niet kwalijk nemen. Maar van een zingende gemeente mag een dergelijke lenigheid van geest niet worden verwacht! Zelfs niet wanneer ze bijpassende Schriftlezingen heeft aangehoord.
Een gemeentelied mag geen legpuzzel zijn, het moet directe zeggingskracht en verstaanbaarheid bezitten.
Vergelijkt u dit vers eens met de transparante en sterke poëzie van Ad den Besten in gez. 203 en die van Jan Wit in gez. 87 in het Liedboek (op dezelfde melodie). In dit lied van Pendrecht wordt de gemeente overspoeld door vervaagde bijbelse noties; hopelijk voelt ze de onderstroom van horizontalisme nog aan haar tenen kietelen.

Noten
1. Zingend geloven, deel 1, Voorwoord (blz. 5).
2. Idem
3. Zo b.v. Anne Schipper in zijn artikel 'Dichter en dogma' in het door hem geredigeerde themanummer van Woordwerk(Weerklank, dichter en gemeente), nummer 40, blz. 27.
(Wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief