Crisis om het gouden kalf (over Exodus 32 t/m 34) (3)
1994-07-29
Ps. 99:5 (oude ber.) zegt dat o.a. van Mozes, zie Psalm 99:6-8. Na 32:11-14 en 31 v laat vooral Ex. 33 zien, hoe terecht.- Jaargang 38
- nummer 15
Overigens worden de omstandigheden van Mozes' ontmoetingen met Jahwe hier iets minder gedetailleerd beschreven. Voor zijn tweede pleidooi was hij nog de berg op geklommen, 32:30. Na hfdst 33 is er weer een ontmoeting op de berg, 34:2. Je krijgt de indruk dat de 'onderhandelingen' van ons hoofdstuk niet op de berg hebben plaatsgehad. Misschien in de nieuwe ontmoetingstent, die Mozes ver buiten de legerplaats opzet, vs 7?
Het is overigens wel mogelijk dat 33:1-4 pas nu in detail noemen de instructie waar 32:34a kort op doelde.
Dan moeten we de eerste woorden als volgt vertalen: 'Jahwe nu had Mozes de instructie gegeven: ga...' etc.
Slechts een engel ...
Zoals in het vorige artikel aangegeven zet Jahwe met deze maatregel Israël op afstand. Hij zal Zijn beloften aan de vaderen wel waarmaken, maar kan het volk niet meer behandelen als Zijn 'koninkrijk van priesters' 19:6. Niet 'de Engel van Jahwe' 23:20-23, slechts één engel zal het volk leiden. Op dit bericht rouwt Israël, vgl. Nu 14:39.Ten bewijze daarvan draagt geen mens zijn sieraad meer. Het is niet helemaal duidelijk, of dit een initiatief van het volk zelf is, waarmee God dan instemt, vs 5. Ofwel dat het volk instemde met een bewijs van berouw dat Jahwe al eerder tegenover Mozes genoemd had. Wel blijkt, zie ook vs 6, dat deze 'acte van berouw' aanslaat en inslaat. Blijkbaar gaat Israël nu pas voelen hoe God tegen hen moet aankijken. Ongetwijfeld omdat Jahwe met nadruk stelt, vss 3 en 5, dat Hij niet meer in hun midden KAN optrekken. Het zou rampzalige gevolgen voor hen hebben.
Probleem voor God
Intussen is duidelijk dat Jahwe wel Zijn beloften wil vervullen, en Zijn dreigement van 32:10, vgl vs 14, heeft laten vallen. De zonde heeft echter een crisis gebracht, die Zijn wonen onder het volk wél verhindert. Het verbond staat nog steeds op losse schroeven, en van het tent-heiligdom en zijn dienst kan dan natuurlijk al helemaal geen sprake zijn.
Om dit probleem zal Jahwe zich bekommeren.
Iemand meent dat in de woorden 'dan zal Ik zien, wat Ik u doen zal' in vs 5 (op 'mensvormige' wijze sprake is van 'besluiteloosheid' van Jahwe. Dat lijkt me niet juist. Maar er is wél een echt probleem! Zoals er ook maar Eén is, die daar een uitweg uit weet te banen... Wij hebben er vaak maar weinig oog voor, dat onze missers in het doen van Gods wil, Hém voor problemen plaatsen. Hij wil ons redden en we maken dat zelf onmogelijk. M.i is precies dàt de werkelijkheid van deze woorden. Iets om over na te denken: onze zonden niet maar erg voor ons, maar voor God.
Buiten de legerplaats
Een andere zaak die typerend is voor de ontstane situatie is de geïmproviseerde ontmoetingstent. Mozes zet deze nadrukkelijk buiten het kamp op. Daarmee is uitgedrukt: ontmoeting met Jahwe is binnen dit kamp niet mogelijk.
Er is nog wel contact mogelijk, maar: op afstand. Aan de positie van Jahwe's wolkkolom is voor ieder duidelijk dat Mozes in deze tent Jahwe ontmoet. Het neerknielen van de mensen aan de ingang van hun tenten is eerbewijs aan Jahwe, maar ook teken van verootmoediging. Er kon nu immers geen 'normale' tent voor ontmoeting met God in hun midden zijn!' 'Van aangezicht tot aangezicht' spreekt van de vertrouwelijkheid van het tweegesprek: woord en weerwoord.
M.i moeten we deze uitdrukking niet zwaarder laden.
Het hoge woord
Wat we tot nu toe gevonden hebben, vormt de aanloop naar het hoogtepunt van Mozes' beroep op Jahwe, vss 12-17. Vs 12 opent met een driemaal benadrukt 'U': 'U zegt tot me..., maar U hebt me niet doen weten ..., terwijl U toch zelf ..' Hiermee maakt Mozes aangrijpend en vrijmoedig duidelijk, dat hij met wat Jahwe gezegd heeft er niet uitkomt. Bevel tot optrekken, zonder bekend te maken wie begeleidt, en dat aan een gunsteling, - dat kan z.i. Jahwe niet menen. Let op dat Jahwe natuurlijk wél gezegd had, dat een engel Israël voortaan zou geleiden. Maar dat wil Mozes éven niet gehoord hebben, zie ook vs 14. Mozes argumenteert vanuit het feit dat God hem 'bij name kent', dwz. persoonlijk als dienaar. En dat hij, Mozes, 'welgevallen bij God gevonden heeft' (zoiets blijkt 'in de ogen', dwz de blik waarmee iemand je aankijktl)." Die verhouding, dat God hem persoonlijk als toegewijd dienaar (er)kent, en dat hij Zijn gunst geniet, - ze mag dan geen verdienste van Mozes zijn, ze is toch een feit?! Mozes vraagt Jahwe, aan die verhouding inhoud te geven door hem te zeggen wat Hij van plan is. Wat hij éigenlijk op zijn hart heeft komt aan het slot: zie, dat het UW volk is, dit volk. Mozes ontkent de zonde van het volk niet. Maar Jahwe kan toch niet ontkennen dat Hij dltzeltde volk ooit tot het Zijne heeft gemaakt.
Een 'glimlach van 's HEREN gena'
rimpelt door Gods antwoord op dit hartstochtelijk pleidooi: 'moet Ik dan zelf meegaan ...?' Jahwe laat daarin merken, al lang te weten waar Mozes naar toe wil. Dat Hijzelf bij Zijn volk zal zijn, ....d:.aar draait alles om. Ogenblikkelijk klampt Mozes zich aan die vraag vast: als U niet zelf meegaat, dan is er helemaal geen toekomst. Dat Jahwe hun nabij is, dat ze van Hem zijn, dat is het kenmerk van Zijn volk en kinderen. Dát is het verschil tussen ons en de anderen, zegt Mozes.
Let er op dat hij steeds een stapje verder gaat. Heel duidelijk in die vraag, waaraan ánders te merken zal zijn 'dat ik en Uw volk welgevallen van U gevonden hebben'. Dit zijn echt hartstochtelijke en hartveroverende oosterse onderhandelingen, vgl. Abraham Gen 19. En ook nu laat Jahwe zich door zijn knecht verbidden. We moeten niet te gauw zeggen dat hier met God 'gesjacherd' wordt. Het mag ons toch wel iets zeggen, dat Jahwe - met kennelijke instemming zo door Zijn mensen met Zich om laat gaan.
'Uw heerlijkheid zien'
Het lijkt me onaannemelijk dat Mozes ineens bevangen is door een soort nieuwsgierigheid om God te willen zien. Zijn wens moet in verband staan met zijn indringende verzoeken aan Jahwe. Naar mijn mening gaat het hier om een officiële audiëntie. Die bij een koning - en Jahwe is immers Israëls Grote Koning! - gekenmerkt wordt door 'al zijn heerlijkheid', vgl. Mt 6:29. Zoiets doet zich b.v. voor in de geschiedenis van Esther 5. Waar de vorstin om haar ingrijpende verzoek ingewilligd te krijgen, het risico moet nemen, een officiële audiëntie bij haar heer gemaal uit te lokken. Zie Esther 4:11,5:1.3 En officiële audiëntie bij Jahwe is in alle opzichten nog wél even een heel ánder verhaal. .. Het valt op dat Jahwe, 34:5-10, bij het nieuwe verdrag dat Hij gaat sluiten, alles in het werk stelt om zijn dienaar Mozes in Zijn majestueuze tegenwoordigheid te doen verkeren.
NV spreekt vs 19 van 'luister'. Beter is 'mijn goedheid', en dat correspondeert dan met de inhoud van de uitgeroepen Naam: God is een genadeverlener en ontfermer, op Wie staat te maken valt. Vgl. de Naam van Ex 3:14 'Ik ben die Ik ben' = Ik ben zeker (nabij). Die nabijheid krijgt hier de nadere lading van gunstverlening en ontferming. Daartoe was Jahwe als de beledigde grote partij in het verdrag niet verplicht. Hij verklaart Zich daartoe echter hier ook officieel bereid. Dat officiële doet echter niet af aan Zijn tere zorg voor Mozes gedurende deze geduchte plechtigheid, vs 21v, vgl. 1 Kon 19:9-14. De Geduchte past op Zijn kleinen!
Noten
1 In de manier waarop de schrijver van Hebr. 13:11, 13 speelt met de woorden 'buiten de legerplaats' moet m.i. behalve Ex 29:14, Lev 4:21,16:27, Nu 19:3 (alle plaatsen van vervloeking) ook Ex 33:7 e.v. meewegen. In Zijn lijden buiten de poort verloste Christus Zijn volk immers voorgoed van de gescheidenheid van God?
2 GNB heeft ten onrechte: 'dat U vertrouwen in mij hebt'.
3 Let er op dat de term 'welgevallen vinden/winnen bij', die in Mozes' betoog net zo belangrijk bleek, ook een grote rol speelt in Esther 5:2 en 8.