Vijftig jaar Vrijmaking: deugd en ondeugd
1994-08-12
Hard- Jaargang 38
- nummer 16
'De geest deugt niet', zei mijn moeder op de eerste zondag dat er in ons dorp vrijgemaakte kerkdiensten werden gehouden. Ze ging er niet heen en liet mijn vader die als ouderling geschorst was en de eerste vrijgemaakte kerkdienst leidde, alleen. Ze ging op die zondag tweemaal synodaal ter kerke en kreeg daar de voorbedes voor de scheurmakers (onder wie dus mijn vader) over zich heen. En dat deugde in haar ogen ook niet. Zo zat ze de tweede zondag in de vrijgemaakte kerk, waar ze lange jaren loyaal en kritisch lid van geweest is, totdat ze beiden, vader en moeder, in hun thuiskerk van het avondmaal atçehouden werden omdat ze in de buitenverbandse gemeente van Amsterdamcentrum, waar ik toen als predikant stond, de maaltijd des Heren hadden gebruikt. Het is maar een klein gebaar van mijn moeder geweest, toen op die eerste zondag, maar ik ben er haar nog steeds dankbaar voor. De geest deugde niet, ze vond het allemaal te gehaaid, te lik-op-stukkerig, te berekenend.
Het heeft het vrijgemaakt zijn in ons gezin van meet aan onder een bepaald voorbehoud gesteld, waarvan allengs duidelijker is gebleken hoe noodzakelijk dat was. Want inderdaad, er heeft wel een geest in de vrijmaking gezeten die van geen kant deugde: een 'bikkelharde geest die bereid was over lijken te gaan (zoals de uitdrukking figuurlijk zegt). 'Ja, maar wat denk je van de andere kant?', zal men mij tegenwerpen. Niet veel beter, moet het ántwoord zijn. Alleen, ik moet eerlijk zeggen dat ik als kind in ons dorp aan synodale zijde meer tranen over de breuk heb gezien dan aan vrijgemaakte kant. Krokodillentranen, noemden wij die dan 001< hardvochtig. Onlangs heeft de huidige paus voorgesteld het jaar tweeduizend te gebruiken om leedwezen te betuigen aan het adres van alle slachtoffers die de kerk in haar tweeduizendjarige loop door de geschiedenis heeft gemaakt. Hij heeft daar zijn kardinalen niet warm voor gekregen. Er zal dus wel niets van doorgaan. Toch heeft het waarde dat dit voorstel, al is het maar voor één keer, hardop gedaan is. Bij mij persoonlijk heeft het tenminste dit effekt dat ik, schrijvend over vijftig jaar vrijmaking, begin met een betuiging van leedwezen aan allen die na een botsing met het vrijgemaakte met een bebloede kop verder door het leven hebben gemoeten of nog moeten. Wij zijn wel een wat hard volkje geweest en hebben ons behoorlijk gehaat gemaakt. En wij Nederlands gereformeerden mogen dit zeggend niet naar één kant kijken, want wat ik constateer deed zich in de beide huizen van de vrijmaking wel voor.
Liefde en offerbereidheid
En verder? Wat kan er eigenlijk nog voor positiefs over de vrijmaking gezegd worden als waar is dat de geest ervan niet deugde? Dat is toch een totaal-oordeel? Nee, dat is het niet. Er is ook een andere kant. Voor mensen die met de Katechismus zeggen·dat ook onze beste werken in dit leven alle onvolkomen en met zonde bevlekt zijn, moet dit niet al te raadselachtig klinken. We hebben in de vrijmaking weliswaar met mensenwerk te maken, maar dan toch van zulke mensen die in hun hele handel en wandel, en dus zeker ook wat het kerkelijke betrof, vroegen naar Gods wil. En dat laatste, dat vragen naar Gods wil, dat laat de Heilige Geest nooit tevergeefs gebeuren.
Daar geeft Hij antwoord op. Ik heb van de vrijmaking dit altijd het sterke punt gevonden dat er een grote en diepe liefde tot God en zijn woord in school en dat deze liefde tot offers bereid was, tot offers' van maatschappelijke eer en van economisch gewin. Men had er heel wat voor over. Ik ben er dan ook van overtuigd dat de Here dat in zijn genade machtig heeft willen belonen. Afgezien nog van de vraag of dat woord van God aan de zijde van de van de vrijmaking wel helemaal goed is verstaan. In zijn grote mildheid heeft God echter over het menselijk-al-temenselijke in de vrijmaking, van een mogelijke eenzijdigheid in het verstaan en van een zekere hardheid in de praktijk, willen heenzien en de kerken die daaruit voortgekomen zijn, rijk willen zegenen. Het feit dat ik als Nederlands gereformeerde slechts mondjesmaat van deze zegen heb mogen meegenieten (om me nu even in een geweldig understatement te verschuilen), mag mij niet verhinderen dit royaal vast te stellen. Dat de Here ons als Nederlands gereformeerden, vergeleken daarmee, nogal kort houdt, daar zal Hij zeker zijn goede redenen voor hebben. Ik maak daar geen wangunst van Hem uit op. Maar wat ik nu dus wil opmerken: God heeft die liefde tot zijn woord, die tot offers bereid was, niet ongezegend gelaten. Dat is zichtbaar voor ieder die wil kijken.
Gelijke liefde tot God en Zijn Woord
"Wat God belovend spreekt, daar kun je van op aan; daar is Hij God voor", dat is het machtige adagium van de vrijmaking geweest. Dat maakte die offerbereidheid los. En daarin heeft de vrijmaking God de eer gegeven die Hem toekomt. Toch valt het mij niet moeilijk daar een andere volzin, van synodale kant, tegenover te stellen, die evenzeer van grote liefde tot God en zijn woord getuigt. "Wat God belovend spreekt, dat kan niet anders dan zijn laatste woord zijn; daar is Hij God voor". Die zin bewoog de synodalen. De twee zinnen lijken als twee druppels water op elkaar, maar achter de eerste staat het verbond en achter de tweede de verkiezing - twee niet tot elkaar te herleiden Schriftgegevens.
Het is destijds professor Doekes geweest die op kollege mij de ogen geopend heeft voor het religieuze van het synodale standpunt dat in diepte voor dat van de vrijgemaakten niet onderdeed. Dat was bij de bespreking van een tekst uit het boek Jozua, hoofdstuk 5:6/7. Het gaat daar over het woestijngeslacht dat in de terugblik van Jozua bijna in zijn geheel omgekomen was, hoewel de Here hun gezworen had dat Hij hun het land zou geven.
Probleem: Kan een door God bezworen belofte gefrustreerd worden door ons menselijk reageren erop? De Here God loopt dan toch achter onze feiten aan? Maar, gaat dan vers 7 verder, 'hun zonen heeft Hij in hun plaats gesteld', zodat de goddelijke belofte toch zijn doel kon bereiken en zijn adres kon vinden. Je moet, zei Doekes, de synodalen in hun liefde tot de Here en zijn woord volkomen serieus nemen. Zij gaan bij een tekst als deze boven op die eed staan die de Here zelf gezworen had en zij zeggen: Dat kán niet tevergeefs gesproken zijn geweest, dat móet zijn uitwerking hebben gekregen. Zou de Here belovend spreken en daar zijn doel niet mee bereiken? Daar hebben de synodalen gelijk in, aldus nog steeds Doekes, de belofte is inderdaad met goddelijke en niet te stuiten kracht op de vervulling uit; alleen, de Here heeft zelf het adres moeten scheppen voor zijn onberouwelijk beloftewoord: 'Anderen heeft Hij in hun plaats gesteld'.
Zo was wat God belovend gesproken had wel degelijk zijn laatste en definitieve woord. Tot zover Doekes' uitleg.
Dit voorzichtig recht doen aan het religieuze Anliegen van de synodale verbondsleer heeft destijds grote indruk op mij gemaakt. Het was alsof ik opeens voor het tragische van het hele kerkelijke konflikt stond: Dat men elkaar van beide zijden uit even grote liefde tot God en zijn woord bestreden had. Dat was een verschrikkelijk móóie ontdekking, verschrikkelijk én mooi, want de liefde tot God en zijn woord die de twee vechtenden scheidde, verbond hen toch ook weer.
Sindsdien kon ik aan de kerksplitsing niet meer denken zonder dat mij het woord van de Heiland uit één van zijn gelijkenissen te binnen schoot: 'Een vijandig mens heeft dat gedaan' (zie Matt. 13:28). Hij bedoelde de boze.
Het werk van God en van de duivel
Er is later veel over te doen geweest of we het werk Gods in de vrijmaking wel zagen. Nu, het is voor mij nooit moeilijk geweest om de tot offers bereide liefde tot God en zijn woord aan de Here en zijn Geest toe te schrijven.
Mensen brengen uit zichzelf die liefde niet op, laat staan dat ze er wat voor over zouden hebben. Gods werk in de vrijmaking? Zeker wel! Niet in die zin, dat God er zijn kerk door bewaarde (dan sluit je goddelijk en menselijk handelen wel erg kort), maar wel houd ik graag vol dat de Here ook in crisistijden zijn kerk niet vergeet. 'Er moeten wel scheuringen onder u zijn', verstout Paulus zich te zeggen, 'wil blijken wie onder u de toets kunnen doorstaan' (1 Kor. 11:19). Aan beide kanten is dat gebleken, maar in het bijzonder toch wel aan minderheidskant.
Gods werk,O ja! Maar het werk van de boze moeten we in dat hele gebeuren ook niet over het hoofd zien.
Juist in deze tijd, vijftig jaar nadien, kan ons zijn toeleg duidelijk worden.
Dat hij, aan de vooravond van een nieuw tijdperk, waarin alle beschikbare energie nodig zou zijn om aan het onbekende dat op ons af zou komen het hoofd te bieden, een sterke kerk zwak gemaakt, haar uiteengescheurd en de twee delen aan elkaar de handen vol heeft gegeven. Meesterlijk toch? Wat hadden wij veel aan elkaar kunnen hebben, toen in de zestiger jaren de hele gereformeerde erfenis op de helling kwam?! Het is alles heel anders verlopen, onverwachts anders. De beweging van de jongeren uit de dertiger jaren die een voorgevoel van de nieuwe tijd heeft gehad, is uitgelopen op het behoudende kerktype van de vrijgemaakten en de conservatieve ouderen die de vrijmaking afwezen behoren nu tot een kerk waarin de vooruitstrevendheid troef is. Wat verwarrend allemaal! En wat een heilloze polarisatie ook! De vrijgemaakten vinden dat de synodale kerken sinds de vrijmaking bepaald niet gezegend zijn geworden. Afval, neergang, het stille sterven, en dat soort kwalificaties worden gebruikt. Kijk maar naar de teruglopende getallen daar, is het niet van de ledenlijst dan wel van de zondagmiddagdienst. En inderdaad, van een zo zichtbare zegen als bij de vrijgemaakten valt bij hen moeilijk te spreken. Maar, zoals ik al zei, uit tegenspoed kan niet zomaar goddelijke wangunst worden opgemaakt.
Het zou kunnen zijn dat een latere tijd toch genuanceerder over die goddelijke zegen oordeelt dan wij geneigd zijn te doen. Het zou kunnen zijn dat een volgende generatie terugkijkend van mening is dat de synodale kerken door hun moeiten heen ons toch beter op de nieuwe tijd hebben voorbereid dan de sterk behoudende vrijgemaakten in hun twee kleuren hebben gedaan. Nee, ik heb dan niet het oog op diegenen die daar bij hen een zodanige uitleg aan het evangelie gaven dat je je afvroeg of ze nog wel wisten wat religie was. Niet dus degenen die ons geloof lieten opgaan in politieke betrokkenheid en zorg voor het milieu, noch ook degenen die in de konfrontatie met andere godsdiensten geen ·geestelijke binding aan het eigen geloof bleken te hebben. Niet degenen die met hun vaak brute loochening van Gods almacht de gemeente het bidden hebben afgeleerd. Nee, ik heb hier nu het oog op hen die moedig en met risiko van eigen eer en goede naam de gereformeerde bagage nagingen om te zien wat voor de aanstaande bergtocht nodig en wat daarvoor hinderlijk zou zijn. En met name gaat dan in toenemende mate mijn begrip en waardering - ik heb daar in het verleden wel eens negatiever over gedacht en geschreven - uit naar hen die de gemeente hebben willen afhelpen van een altoos durende en energie verslindende strijd over de puntjes op de i van de Schriftleer. Want het is duidelijk dat de straffe bijbelopvattingen waar we nu meestentijds nog mee rondlopen maken dat we meer last dan gemak van de Schrift hebben; dat we haar meer gaan verdedigen dan dat zij het ons doet. En dat kan nooit de bedoeling zijn. 'Alle woord Gods is gelouterd', zegt de bijbel van zichzelf (Spreuken 30:6) en dan volgt: 'Hun die bij Hem schuilen is Hij ten schild'. In dat laatste krijgen we een prachtige aanwijzing welke kant we met het absoluut betrouwbare woord van onze God op moeten. Niet de nietes-welleskant van de theologische discussie, maar de kant van geloof en vertrouwen.
We kunnen het wagen met wat de Here zegt. Hij bedriegt ons niet met zijn beloften en geboden. En Hij staat als de almachtige Schepper van hemel en aarde achter alles wat ontstaat en bestaat. Hoe precies? Schepping, evolutie - ach, wat moeilijk! Maar wat was ik destijds onder de indruk toen ik het veel omstreden Genesis 1 hoorde voorlezen vanuit de ruimtecapsule achter de maan! Dat was nu echt een bijbelgebruik 'het biblicisme voorbij' (want bij een biblicistische bijbelopvatting zou er niet eens van zoiets als ruimtevaart sprake zijn geweest). Wat een majesteit straalde het door zoveel uitleg gepijnigde aanvangskapittel van de bijbel toen uit! Zover als de maan was verwijderd van de aarde, zo hoog bleek de Schrift verheven boven onze discussies erover. Wel, ik denk dat zulke inzichten aan synodale kant meer tot ontwikkeling gekomen zijn dan bij ons. Men heeft daar de Schriftleer wat opener durveri maken, waardoor het mogelijk werd minder krampachtig om te gaan met vragen betreffende de vrouw in het ambt of homofilie (om maar een paar punten te noemen). Het is daarom helemáál niet alles afval wat ons van die kant geboden wordt.
Gezamenlijke problematiek
Ik heb het altijd (maar toch later veel sterker dan vroeger) onheus gevonden dat men de moeiten die de gereformeerden vanwege nieuw opkomende opvattingen in hun midden overkwamen, wilde zien als een rechtstreeks gevolg van en straf op de houding die zij in de tijd van de vrijmaking hebben aangenomen: 'Dat komt er nu van; wie God verlaat heeft smart op smart te vrezen!' Je kunt zoiets alleen maar beweren vanuit een onbespreekbaar gevoel van eigen gelijk, en wel in geestelijke zin. En juist daar geloof ik niet in; de twee partijen in het conflict zijn mij religieus om het even (zie boven), zij het ook dat de verdrukte minderheid dichter bij God stond. Het gaat hier om een funeste constructie die een betere verstandhouding tussen beide kerken hinderlijk in de weg heeft gestaan en nog staat. Bedoeld geluid begint trouwens onder de vrijgemaakten wat weg te sterven, nu men daar zelf met nieuwere opvattingen in eigen midden te maken krijgt.
Immers, waar komt dát dan van? Ik zie het dan ook liever zo: De synodalen gingen sedert de veertiger jaren groter en dus ook met een grotere pluriformiteit verder dan de vrijgemaakten.
Geen wonder daarom dat zij eerder dan wij met een groeiende verscheidenheid van inzicht en uiteenlopendheid van meningen in aanraking kwamen. Door onze betrekkelijke kleinheid hebben wij vrijgemaakten (de lezer weet dat ik de twee vrijgemaakte kerken in bepaald verband graag samen neem) die boot langer kunnen keren en afhouden. Maar dat nieuwe, dat verscheidene, dat staat nu de vrijgemaakten (intussen zelf groter en geëmancipeerder geworden) ook te wachten en ik denk dat zij daar niet zoveel anders dan de synodalen op zullen reageren. Namelijk met voorzichtigheid.
Daarvoor hebben de vooruitstrevenden met hun nieuwere opvattingen al teveel gelijk gekregen. Veel van wat eerder als klinkklaar bewijs van synodale afvalligheid te berde is gebracht, kun je nu ook onder vrijgemaakte jongeren tegenkomen. En behalve dat, de vrijgemaakten hebben net als de synodalen ervaringen opgedaan met kerkelijke tucht die ook in eigen midden niet algemeen tot vreugde hebben gestemd. De synodalen wilden destijds een kerkelijke vernieuwingsbeweging de kop indrukken en het konflikt uit de zestiger jaren had daar ook wel iets van. In beide gevallen is dat, gelet op de inwendige ontwikkeling van beide kerken sindsdien, niet gelukt. Zou dat niet tot het inzicht kunnen brengen dat zij samen voor hetzelfde staan? Synodalen en vrijqemaakten allebei? Slechts door een tijdsafstand van omstreeks dertig jaren van elkaar gescheiden.
Nee, ik bedoel met dat 'samen' niet dat ze zouden moeten fuseren. Die druk staat bij mij niet op de ketel. Het gaat mij om een geestelijke saamhorigheid die gevoelig maakt voor een gezamenlijke problematiek. En van dit 'samen' wil ik dan de Nederlands gereformeerden zeker niet uitsluiten, want van zowel dat vernieuwingsdenken als van de meer conservatieve reactie daarop hebben ook wij wel het een en ander in huis. Vijftig jaar vrijmaking - we beginnen nu de dingen op enige afstand te zien. Dat brengt noodzakelijk enige relativering en bijstelling met zich mee. Er lijkt zelfs weinig van over te blijven. Toch, wat we van de vrijmaking moeten vasthouden of weer terughalen is de brandende liefde tot God en zijn woord van belofte en gebod. Een liefde die tot offers bereid heeft gemaakt, zodat onze vaders en moeders zichzelf met hun hele kerk-zijn in de waagschaal durfden stellen. De kerk in dienst van de waarheid - zo was het in het begin; 'de waarheid' in dienst van 'de kerk'daar is het later jammer genoeg meer op gaan lijken. Maar die eerste liefde, die zal, als ze er nog is of weer terugkomt, ook nu in deze tijd niet zonder zegen blijven.
Minderheidsgeloof
Ik wil met een nostalgische opmerking eindigen, want ik heb als kind in de vrijgemaakte kerk een goede jeugd gehad. Inderdaad heb ik mij in die eerste liefde gebaad. Het christelijk geloof, denk ik wel eens, gedijt alleen maar bij minderheden; het is echt een underdog-geloof. Dat geldt zelfs voor de grote rooms katholieke kerk die zich mondiaal gezien nu ook als minderheid begint te ervaren. Dat komt ook haar zichtbaar ten goede. In de vrijgemaakte kerk van het begin hebben we dat ook sterk gemerkt. Zodra echter een door conflict ontstane minderheid zich tegenover een nieuwe minderheid in haar midden weer meerderheid begint te voelen is alle charme weg. Dat gaat tot in de kleinste getallen toe op. Wij moeten dus het minderheidsgevoel proberen vast te houden. Niet natuurlijk door op kunstmatige minderheden aan te werken. Dat is in het verleden genoeg gebeurd.
Nee, het kan nu alleen nog a's we voorrang geven aan de grote issues van ons geloof: de liefde van God en de liefde tot God en de naaste, door Jezus Christus onze Heer. Dan ervaren wij onszelf, hoe onze denominatie ook mag heten, als kleine kerk in een grote wereld, als schapen temidden van de wolven. Dan is de Here God onze enige toevlucht. Wij worden, zegt het evangelie, door het geloof gerechtvaardigd. Dat wil zeggen dat wie gelooft door niets minder dan het Hoogste Kantoor ter wereld voor leven en sterven in het gelijk wordt gesteld. Dat gelijk is zo groot dat God het onzichtbaar houdt; alleen het geloof kan er de hand op leggen. Zou daar nog een ander gelijk, een andere rechtvaardiging bijkomen, bijvoorbeeld die van een brede bijval van de mensen, van een meerderheid dus, dan zou het ons gewis over de schoenen gaan lopen.
We werden dan onuitstaanbare mensen door een teveel aan gelijk. Daarom gedijt het geloof het best in minderheidsposities. In die zin hebben wij allen als vrijgemaakten een prachtige scholing ondergaan. Waar we anderen, wie weet, nog mee mogen zegenen.