Als vervolging komt
1994-08-12
We moeten ons afvragen of de bijnaam, de Afvallige, die al zoveel eeuwen de naam van Julianus volgt, wel juist is. Ik ben van mening dat het volksinstinct dat hem die gaf, zich niet vergist heeft. Om een afvallige te zijn in de gebruikelijke zin van het woord, is het niet genoeg te hebben opgehouden 'te geloven, men moet zich tevens met een zekere woede gekeerd hebben tegen zijn voormalige geloof, als wilde men bij de enderen vernietigen na er zich persoonlijk van te hebben ontdaan. En dat is waarlijk wat Julianus deed. Eenmaal geen christen meer, heeft hij voor die godsdienst en zijn beoefenaars nog slechts woorden van haat en verachting. Het christendom uitroeien is voortaan bij hem een vooropgezet plan. Hij bestrijdt het als keizer met zijn daden, en als schrijver met zijn boeken. Men zou kunnen zeggen dat vanaf het tijdstip dat hij de absolute macht over het Rijk verkreeg, het grootste gedeelte van zijn regering in beslag genomen werd door zijn bedrijvigheid en maatregelen tegen de Kerk.- Jaargang 38
- nummer 16
Paul Allard 1
Andersgelovigen en afvalligen ...
Om maar even duidelijk te zeggen, ik heb vaak sympathie voor ongelovigen en ik heb vaak de pest aan afvalligen!
Soms heb ik geboeid en met sterk gevoel van verbondenheid met ongelovigen gepraat; ik heb het contact met velen van hen op hoge prijs gesteld en dat was niet zelden wederzijds. Tegelijk heb ik me buitengewoon ongemakkelijk gevoeld in contact met renegaten, met afvalligen. Toen ik nog studeerde, kwam ik geregeld in aanraking met een voormalig priesterstudent die vroegtijdig zijn studie had afgebroken; dat was aan het eind van de jaren '60. Hij sprak nooit over Paus en Curie (en dat deed hij vrij geregeld) zonder hen aan te duiden als "die prostaatkliek"! Nuzijn de gezagsdragers in het Vaticaan in veel gevallen oudere of zelfs oude mannen die wellicht last van hun prostaat hebben en ook was ik niet Rooms-Katholiek, zodat zijn verwijten me niet rechtstreeks hoefden te raken. Ik herinner me echter dat ik me er soms ongemakkelijk bij voelde hem zo heftig en, naar ik meen, ook onheus te horen razen. Sinds die tijd weet ik dat je zulke afvalligen met de grootst mogelijke behoedzaamheid tegemoet moet treden. Als het even kan, vermijd ik hen. Want het is gevaarlijk volk.
Het is niet zo dat we alleen voorzichtigheid moeten betrachten bij mensen die afscheid nemen van geloofsartikelen waar wij zelf voor staan. De activiteiten van de venijnige ex-Jood Pfefferkorn, die aan het einde van de 15e eeuw in Duitsland leefde en het daar, in ijver voor het Katholicisme ontbrand, zijn Joodse vroegere volksgenoten moeilijk maakte, vervullen mij met een even vaag of met acuut onbehagen. Zulken zijn er vermoedelijk wel meer geweest. In hun ijveren tegen hun eigen achtergrond spelen vaak een menigte troebele motieven mee! Zo is het vermoedelijk altijd geweest en zo zal het mogelijk ook wel altijd blijven.
“De Afvallige”
Een zo'n renegaat is Julianus Apostata, Julianus de Afvallige. Het moet toch afschuwelijk zijn, als je met zo'n naam de geschiedenis ingaat! Je wordt altijd maar geassocieerd met datgene waar je uit voortkwam, maar niet wenste, zodat je je identiteit ontleende aan je bestrijding ervan. Bij Julianus, die keizer van het hele Romeinse Rijk werd, ging dat in de praktijk nog wel wat verder dan bij mensen als Jan Wolkers, Maarten 't Hart en andere "beroeps-ex-gereformeerden"
in ons midden. Julianus had een christelijke opvoeding ontvangen, maar ontwikkelt een virulente haat tegen alles wat met het geloof in Christus samenhangt. Wat dan opvalt is dat Julianus niet te vuur en te zwaard het christelijk geloof gaat bestrijden, maar integendeel dat doet met overleg en beleid. Daarmee was hij een veel gevaarlijker tegenstander dan Domitianus, Decius en de andere geweldenaars onder zijn voorgangers. Die wakkerden het geloof juist aan, die riepen bij menig gelovige heldenmoed op waarvan hij of zij niet eens wist die te bezitten. De inzet van Julianus was veel listiger en doortrapter; in plaats van mensen tot het einde te provoceren volgde hij een beleid dat met steeds kleine stapjes het totale geestelijke en culturele klimaat van zijn Rijk zou moeten veranderen. Het ging om "beleidsveranderingen" die bij de tegenstanders tot een eindeloze rij concessies moesten gaan leiden. Compromissen van vijanden, dat streefde Julianus na.
Passen zijn voorgangers in de rij van vervolgers die eveneens mensen als Stalin en Mao ze Dong omvat, Julianus zou m.i. veel beter passen in het zo verfijnde en culturele klimaat van het plurale Westen van onze dagen. (Wellicht zou Julianus zich wel hebben bevonden in een geestelijk klimaat", waarin de invloed van het christelijk geloof stapsgewijs wordt teruggedrongen.) Julianus> leven Wat deed Julianus in de praktijk om de lnvloed van Kerk en van Christelijk geloof tegen te gaan? Daarover valt onder andere te lezen in het al eerder aangeprezen boek van Robert Wilken, The Christians as the Romans saw them. (Yale University Press) Ook is er nog vrij recent in het Nederlands een boek van de hand van dr.G.JH.D.Aalders verschenen onder de titel Julianus de Afvallige. het Leven van een verbitterde keizer. (Kok.1983) Negentien maanden lang, van 361 tot 363, regeert deze keizer.
Hij sterft aan de gevolgen van verwondingen opgelopen in een veldslag tegen de Perzen, al lange tijd Róme's aartsvijanden aan de Oostgrens van het Rijk. Julianus is dan 32 jaar oud. Het zijn feitelijk tragische jaren die het sluitstuk vormen van een tragisch leven. Julianus was namelijk als jongetje van vijf jaar al rechtstreeks betrokken bij een ondoorzichtig en stellig buitengewoon kwalijk optreden van een aantal Romeinse soldaten. Na de dood van Constantijn de Grote hebben die de twee broers en zes van hun kinderen bij een "coup" vermoord. Niet onmogelijk is het dat gebeurd is op grond van (onbewezen) geruchten, dat dezen de keizer tijdens z'n leven hadden willen vergiftigen; wellicht ook heeft dit bloed blad plaatsgevonden op instigatie van een van Constantijns zonen, die concurrentie vreest bij de opvolging van de gestorven keizer. Hoe dan ook, een neefje van elf die ziekelijk was en het toch niet lang meer zou maken (naar men meende) en het jonge kind Julianus zijn de enigen die het dramatische gebeuren overleven. Naar men later heeft kunnen vaststellen, heeft de herinnering aan die verschrikkelijke misdaad levenslang de keizer vergezeld.
Welke docenten voeren in welke richting?
Julianus krijgt van hogerhand docenten toegewezen, waarbij de christelijke leraren het qua bekwaamheid en integriteit tegen de "heidense" docenten moeten afleggen. In een paar gevallen waarin hij twee docenten tegelijkertijd aangewezen krijgt is dat contrast zelfs schrijnend! Dat volgens zijn biografen. Uit dat bericht merken we overigens al hoe Julianus nog leeft in een "verdeeld rijk". Inderdaad, keizer Constantijn heeft de Christelijk Kerk tot "religio licita", toegestane godsdienst, verklaard en hij steunt de opkomende religie waar hij kan. Niettemin wordt pas in het jaar 380, bijna twee decennia na Julianus' dood, het Christendom tot staatsgodsdienst verheven. In de tijd waarin Julianus leefde was het heidendom nog steeds een geestelijke en culturele kracht om zeer mee te rekenen. "Toch kwam het als een schok voor Christenen toen een jonge zoon van Constantius, halfbroer van Constantijn, die een christelijke opvoeding gehad heeft en als voorlezer in de bijeenkomsten heeft gediend, de christelijke traditie afzweert en met overgave de goden van Griekenland en Rome omhelst"."
Als ik het verhaal van Julianus goed interpreteer gaat het bij Julianus ook niet alleen om "intellektueel geloof hechten" aan de Griekse of Romeinse mythologie en het zo nu en dan vereren van de goden van dat reusachtige Pantheon. Integendeel, hij is werkelijke aanhankelijk aan de goden en hij blijkt ook verzot op het brengen van dierenoffers. Dat wijst niet op "vrijzinnig heidendom", maar op uitgesproken en intens-beleefde verering der heidense goden.
Opvallend is ook dat een aantal van zijn leermeesters hem in filosofische zin hebben "opengemaakt" voor de terugwijkende religie van het oude Rome en Griekenland, maar dat minstens een van hen de jonge Julianus een soort "okkulte inwijding" heeft laten meemaken, die vermoedelijk enorme invloed op de beïnvloedbare jongeman heeft gehad. Na studie bij een bekende "rhetor" (docent welsprekendheid) Libanius schuift hij door naar een nieuwe docent, Aedesius, een discipel van lamblichus die op zijn beurt de leerling was van de geleerde filosoof Porfyrius; deze Porfyrius had in zijn tijd een zeer geleerd en invloedrijk geschrift tegen de Christenen geschreven. Maar wat was de inbreng van deze Aedesius? "Aedesius beklemtoonde de religieuze en rituele elementen in de Neoplatoonse school en dat trok Julianus. lamblichus (de meester van de meester, PJvK) die in de vroege vierde eeuw leefde, had de filosofische religie van de Platonisten omgevormd tot een ervaringsreligie, die door religieuze rituelen en theürgie werd gevoed. Theürgie is het geloof dat het goddelijke door 'magische' handelingen kan worden benaderd, door het gebruik van zalfjes en zalvingen kruiden en wortels. 't is niet zozeer ons 'denken' dat ons met de godenwereld verbindt, aldus lamblichus; die eenheid wordt bewerkstelligd door 'de werkzaamheid van onuitsprekelijke handelingen die op de juiste voorgeschreven wijze verricht worden, handelingen die zich aan ieder begrip onttrekken, en door de kracht van de onuitsprekelijke symbolen die alleen door de goden begrepen worden ...
Zonder verstandelijke inspaning onzerzijds verrichten deze daden door hun innerlijke kracht het werk waartoe ze bestemd zijn'.O Een manier waarop eenheid met de goden bewerkt wordt is de praktijk om godenbeelden tot (een zekere mate van) leven te brengen om van hen orakel-uitspraken te vernemen. Door het gebruik van wierook, kruiden, geuren en bijbehorende aanroepen poogde de gelovige het beeld te laten glimlachen, knikken of op andere wijze te laten reageren op zijn smeekbede.O Een van de beroemdste theürgische prestaties in Julianus' dagen was het doen ontvlammen van de fakkels die het beeld van de godin Hecate vasthield. Een andere techniek probeerde de god "in mensengedaante te laten spreken door iemand in trance of in een andere bewustzijnstoestand te brengen. Degene die op die wijze het kontakt met de godheid zocht moest eerst gereinigd worden door vuur en water, dan met een speciale gordel die de godheid gewijd was bekleed worden; ook moest een krans om het hoofd worden gebonden en zijn of haar ogen moesten met een verdovend middel worden bestreken. Was dat alles op juiste wijze gedaan, dan zou de godheid zich als een lichtende verschijning vertonen"." Op die manier werd ook de jonge Julianus ingewijd, in de dienst van de "aardmoeder" Cybele. Het betrof dus een mysteriegodsdienst, zoals die er in de dagen van Julianus diverse waren. "Deze ervaring zou de rest van Julianus' leven zijn religieuze opvattingen stempelen."
Dat gold eveneens voor een latere inwijding in de dienst van de "soldatengod" Mithras. Julianus werd dus "de Afvallige" door zijn principiële interesse in okkulte praktijken en zijn konkrete inwijding in alternátieve religies ... De precieze inwijdingen zijn nooit onthuld (aanhangers van zulke religies moesten daarover (op straffe van de engste strafen,) hun mond houden.
Toch geeft de beschrijving van dit alles aanleiding te denken: maar dat kennen wij toch ook! Inwijdingen in bepaalde vormen van Yoga, zoals Tantra Yoga of in Tibetaans Boeddhisme, komt heel dicht bij deze zelfde dingen, vermoed ik. En, één ding, het werkt! Wie zulke inwijdingen hèbben meegemaakt pretenderen "transcendente ervaringen" te hebben (gehad); ik persoonlijk twijfel daar niet aan, net zo min als ik betwijfel dat onze Here God zulke praktijken ten enenmale verbiedt! AI deze zaken gebeuren met Julianus, als hij rond de twintig jaar is en hij zorgt er wel voor dat niemand in de hofhouding er iets van weet. Dat wordt anders, als hij zo'n tien jaar later, alleenheerser van het Rijk wordt. Dan komt hij voor z'n heidense sympathieën openlijk uit. Als hij door de troepen tot nieuwe keizer wordt uitgeroepen, schrijft hij aan zijn leraar Maximus in een brief: "Wij aanbidden openlijk de goden en de meeste militairen die met me terugkeren aanbidden openlijk de goden. We offeren in het openbaar ossen. We hebben de goden al vele hecatomben als dankoffer gebracht. De goden hebben me de opdracht gegeven om zoveel mogelijk alles te reinigen en ik gehoorzaam hen enthousiast."
Welk "heidens werk"?
Een heidense "augustus" stond nu aan het roer in het grote Rijk. Christenen beseften plotseling dat er heel wat kon gaan veranderen en dat bleek juist. Het is echter interessant om te zien wat Julianus dan wel doet om het Christelijk geloof, dat hij hevig haat, aan te pakken. Drie zaken wil ik hier noemen: hij pakt het onderwijs in het Rijk aan, hij begint met plannen om de Joodse Tempel in Jeruzalem te herbouwen en hij schrijft een boek. In die volgorde besprek ik dat kort.
Hij begint een campagne om het onderwijs te vernieuwen. Alleen die leraren die zelf echt in de goden van Grieken en Romeinen geloven mogen voortaan klassieke letteren doceren. In die oude literatuur gaat het immers steeds om de oude goden? Hoe kun je nu een vak doceren, als je niet van de waarheid van een en ander persoonlijk overtuigd bent? Alle docenten van dat in die erg belangrijke en begeerde vak moeten zich aan de heidense, nieuwe invloed aanpassen of zelf ontslag nemen. Zo niet, dan krijgen ze ontslag! Met andere woorden, christelijke docenten worden voortaan uit het onderwijs geweerd. De letteren van het oude Griekenland en Rome zijn niet zomaar esthetische stukken, maar ze hebben een duidelijk religieuze grondslag, volgende de keizer. Ze zijn niet levensbeschouwelijk neutraal, maar willen bepaalde normen en waarden overdragen. Die "heidense" waarden kunnen dan ook alleen worden gedoceerd door wie daar zelf door geraakt is, wie die normen en waarden zelf aanhangt. De rest van de onderwijsgevenden, die hier niet "eens geestes" mee is, dient op te stappen.
Dat is fase één van Julianus campagne en 't heeft veel effekt. Het gaat helemaal niet om vervolging in de gebruikelijke zin des woords, maar om een open uitnodiging zich aan te passen, compromissen aan te gaan. Terecht konstateren Christenen dat dit Edict rechtstreeks tegen hen uitgevaardigd is. Met één beweging snijdt Julianus elke poging de pas af om tot synthese te komen van Christelijk geloof en klassieke letteren. Een al twee eeuwen in gang zijnde beoefening van de Apologetiek wordt door Julianus in de kern geraakt...
Het tweede punt is het verlangen van de keizer om de Tempel in Jeruzalem te gaan herbouwen. Dat plan mag toch wel merkwaardig heten! Een heidense keizer die met overheidsgeld de herbouw wil financieren van een gebouw dat een centrale rol speelt in een religie, waarin hij zelf niet gelooft... Toch is 't minder vreemd dan men op het eerste gezicht zou denken. Die herbouw dient "een hoger doel", en dat hogere doel is bestrijding van de Christelijke godsdienst.
Christenen pretenderen dat hun godsdienst die van de Joden in bepaalde zin vervangt. Het definitieve offer is al door de Here Jezus gebracht, op Golgotha, "voor eens en altijd". De offers die in de Tempel gebracht werden hadden allemaal een "voorlopig" karakter. (Zie de Brief aan de Hebreeën hoofdstuk 6-10). De Christenen zeiden dat de Joodse godsdienst afgedaan had en dat die (nu al weer eeuwenlang verwoeste) tempel in Jeruzalem dus ook geen funktie meer had. Alwat die Tempel voorstaat is al volbracht! De verwoesting van de Tempel toonde ook dat God zelf van die offerplaats afstand had genomen. De Tempel was vanaf de gebeurtenis op Golgotha onnodig! Julianus, die het Christelijke geloof heel goed kent, beseft wat een enorme slag hij het christelijk geloof kan toebrengen, als hij die Tempel weer laat opbouwen! Dan hebben Christenen dagelijks weer te maken met "concurrenten" die helemaal niet een afgedane religie aanhangen, maar die dagelijks de offers weer laten roken...
Zo begint Julianus, met alle macht die de voornaamste leider van het Rijk kan laten zien, aan plannen om de Jeruzalemse Tempel te laten herbouwen: het geheel dient een theologisch doel!
In de derde plaats schrijft hij een werk "Contra Galilaeos", "Tegen de Galileeërs". (De term "Galileeër" drukt verachting uit.) Het werk is niet compleet teruggevonden, maar er zijn wel vele passages terechtgekomen in een werk van Cyrillus van Alexandrië. Dat was een vooraanstaand kerkvader die later (hij was bisschop van 412-444) een weerlegging, Contra Julianum, publiceert, en daarbij laat doorschemeren dat Julianus' werk het de Christenen theologisch knap moeilijk heeft gemaakt. Julianus kent het christelijk geloof door en door, maar hij is in zijn benadering voluit een bestrijder! Hij was "natuurlijk begaafd in de welsprekendheid", zegt Cyrillus van hem en hij vermeldt ook dat zijn boek "velen in verwarring had gebracht en veel kwaad had gedaan"."Zelfs zij die sterk in hun schoenen stonden hadden er moeite mee, omdat ze meenden dat hij .de Heilige Schrift kende". Maar, zegt de kerkvader, al citeert de keizer links en rechts, al stapelt hij Bijbelteksten op elkaar "ht] heeft niet begrepen wat ze wilden zeggen". Vooral de verhouding tussen het Oude en het Nieuwe Testament werd door Julianus kritisch bekeken. Werd inderdaad Jezus in het Oude Verbond voorzegd? Doen Christenen bij het proklameren van de aanspraken van Christus, terecht een beroep op oude profeten en oude geschriften? Nee, constateert de keizer, en ook hierin gebruikt hij het Jodendom als een (onwillige) bondgenoot.
Na bijna twee jaar aan het bewind te zijn geweest sterft de nog jonge Julianus. Hij komt om in een veldslag. Zijn plan om het onderwijs te hervormen wordt na zijn dood teruggedraaid. Zijn plan om de Tempel in Jeruzalem te herbouwen is, zoals we weten, ook nooit uitgevoerd. Toch heeft de Christelijke kerk het korte bewind van Julianus de Afvallige nooit vergeten. De inhoud van zijn boeken, zijn pogingen om een renaissance van ogenschijnlijk dood heidendom te bewerkstelligen en vooral z'n vijandschap ten opzichte van het geloof in Jezus Christus is immers steeds opnieuw in de geschiedenis teruggevonden.
Conclusies
Wat moeten. we uit het optreden van Julianus leren? Tenminste drie dingen.Een, we moeten onze jongeren een voorbeeld geven van integriteit, want door de afwezigheid van integriteit is de jonge Julianus op een ander spoor terechtgekomen. Twee, we moeten diepgaand studie maken van de vragen die ons geloof ons stelt en van de geloofsopvattingen van andersdenkenden. Drie, we moeten beseffen dat we de aanval van de Boze (want dat was het wel, in het optreden van Julianus!) van diverse kanten kunnen verwachten. Niet alleen in het "woeden" van (fysieke) moeite en vervolging, zoals dat op vele plaatsen in de wereld plaatsvindt, maar eveneens in allerhande intellectuele uiting in het gecultiveerde klimaat van onze samenleving. Want ook in onze samenleving is, zoals we weten, felle tegenstand tegen het Evangelie bepaald niet zeldzaam.
Noten
1 Paul Allard. Julien L'Apostat. deel 111. geciteerd uit: Benoit du Moustier. Wijsheid en Schoonheid uit negentien Eeuwen Katholieke Wereld-Letteren. Nelissen-Bilthoven. 1950. p.112. "Paul Allard (1841-1916) heelt zijn leven gewijd aan de studie van de positie der kerk onder het Romeinse keizerlijk bestuur. het slavenwezen, de vervolgingen vooral."
2 Wilken. a.w. p.165.
3 Wilken. a.w. 167, 168.