De vrouw die niet wonen mocht
1994-08-12
Twee jaar geleden was Marieke komen wonen in een huis voor verstandelijk gehandicapten. Het was een gewoon huis in een gewone straat.- Jaargang 38
- nummer 16
Tot haar 20e jaar had Marieke thuis gewoond. Een paar weken na haar verjaardag was ze het huis uit gegaan.
Ze leek thuis langzamerhand te vereenzamen. Overdag ging ze naar de werkplaats, 's avonds was ze meestal thuis. Haar vader en haar moeder werkten in een eigen zaak; ze waren 's avonds en op zaterdag weinig thuis.
Haar broer en zus woonden ook niet meer thuis: zij studeerden in de grote stad.
Marieke paste zich snel aan in het huis. De spullen van thuis kwamen op haar nieuwe kamer te staan. Ze kreeg al snel een goede vriendin. De andere bewoners van het huis konden het ook goed met Marieke vinden.
Tussen het personeel van het huis en de ouders van Marieke had het vanaf het begin nooit echt 'geklikt'. Er waren geen forse conflicten, maar men slaagde er niet in om elkaars 'taal' te spreken. Het team was enthousiast over Marieke. Men vond dat ze zich goed aanpaste en dat ze een positieve invloed had op de andere bewoners.
Ook zag men vooruitgang bij Marieke. De ouders waren minder tevreden. Ze vroegen zich af waarom het personeel zo enthousiast was over al die kleine dingen. Waar maakte het team eigenlijk zo'n ophef over? Dat stelde toch allemaal niets voor?
Geen zin meer
Na een jaar ging het minder goed met Marieke. Het was alsof ze de moed op gaf, alsof ze er geen zin meer in had.
Of moest ze misschien toch teveel op haar tenen lopen? 's Avonds en in het weekend zat ze vaak passief in een stoel op haar kamer. De arts kon geen lichamelijk oorzaak vinden. In het huis kon men niet bedenken wat de oorzaak van Marieke's passiviteit was. Ook op het werk zag men geen aanleiding voor haar veranderende gedrag. Ze zat nog in dezelfde groep en ze deed hetzelfde soort werk als een jaar geleden.
Naar huis
Eén keer in de twee weken werd Marieke door haar ouders opgehaald; op zondag was ze dan thuis. Om stipt 10 uur reed de auto de straat in. Marieke stond altijd klaar. Ze was net zo punctueel als haar ouders. Haar vader zette de auto een aantal huizen verder neer in de straat en bleef daar in de auto zitten. Haar moeder stapte uit de auto en liep naar het huis. Ze belde aan en Marieke deed open. Dan liepen ze samen naar de auto. 's Avonds om 9 uur werd Marieke weer teruggebracht. Voordat ze terug reden, stond Marieke thuis altijd al klaar, met haar jas aan. Ze was immers een vrouw van de klok. Haar vader parkeerde de auto een kwartiertje later weer een aantal huizen verderop in de straat. Haar moeder liep nog even mee naar het huis. Bij de voordeur namen ze afscheid.
Bijna jarig
Het leek allemaal zo gewoon en zo zorgzaam. En toch leek Marieke ergens moeite mee te hebben. Ze zei alleen niet wat haar dwars zat; waarschijnlijk kón ze het ook niet onder woorden brengen. Het werd allemaal wat duidelijker tóen Marieke bijna jarig was. Haar moeder vertelde dat ze allemaal lekkere dingen zou gaan kopen en dat het thuis heel erg gezellig zou zijn. "Dat vind je fijn hè, Marieke?" Marieke reageerde niet... In het huis vernielde ze diezelfde zondagavond de spullen op haar kamer.
De begeleider die aan het werk was, kon zijn ogen en zijn oren niet geloven.
Was dat ook Marieke? Wat was er gebeurd? Stukje bij beetje slaagde hij erin om een deel van de knoop te ontwarren.
Marieke wilde helemaal niet haar verjaardag bij haar ouders vieren.
Maar er was haar niets gevraagd. Ze wilde zelf kunnen kiezen. Ze wilde nu eens zelf visite krijgen, in haar kamer in het huis.
Mag ik ook ergens wonen?
Eigenlijk woonde Marieke nergens. Ze woonde niet meer bij haar ouders. Haar ouders hadden haar uitgelegd dat ze beter ergens anders kon wonen. Maar Marieke woonde ook nog niet in het huis. Toen erover werd dóórgepraat, bleek dat haar moeder nog maar één keer op haar kamer was gaan kijken. Dat was toen de kamer nog niet was ingericht. Haar vader was helemaal nooit op bezoek geweest. Schrijnend kwam de afstand tot uiting in het feit dat hij zijn auto een paar huizen voorbij het huis parkeerde. Hij zou zelfs de bel van de voordeur niet eens aanraken.
Marieke was nog afhankelijk van de goedkeuring van de ouders. Zoals zoveel jongeren diep in hun hart vragen om erkenning door hun ouders, om te mogen zijn die ze zijn. Marieke had een jaar gewacht 'op erkenning.
Een jaar lang had ze gehoopt haar eigen spullen aan haar vader en haar moeder te kunnen laten zien. Toen dat niet gebeurde, gaf ze langzamerhand de moed op, ze werd passiever. "Ook als ik mijn best doe en thuis vertel wat er allemaal gebeurt in het huis, komen ze toch niet één keertje kijken". Eén keer hoopte ze nog dat het zou lukken: haar verjaardag. Maar haar moeder had alles al geregeld. Die verjaardag zou Marieke weer gewoon bij haar ouders vieren, zoals ieder jaar. Ze woonde nog steeds niet in het huis, ze sliep er alleen maar. Als het zó was, dan deden die eigen spullen op haar kamer er ook niet meer toe. Dan kon ze alles wel stuk maken.
Marieke had nog geen eigen plekje op de wereld gekregen. Thuis woonde ze niet meer, maar in het huis mocht ze ook niet wonen van haar ouders. Zo werd het natuurlijk niet gezegd, maar Marieke voelde het wel zo aan. Ze mocht wel bij haar ouders op visite komen, maar haar ouders hadden háár eigen plek op de wereld niet erkend. De vraag die ze stelde was in feite een vraag die ieder mens stelt: mag ik er zijn? Op die vraag had ze nog steeds geen antwoord gekregen...