Kindergeloof
1994-08-12
Mijn kinderen vormen een onuitputtelijke bron van inspiratie en vermaak. Ze zijn alle vier heel levendig en bezitten ook een grenzeloze fantasie. Toch gebruiken ze die op heel verschillende wijze. De oudste houdt zich vooral bezig met ridders en monsters maar als hij tekent moet het iets reëels zijn zoals een boerderij in perspectief. De twee dametjes daaronder doen veel hetzelfde. Ze delen een uitgebreide sprookjeswereld die veelal geïnspireerd wordt door Disney-tekenfilms of sprookjesboeken waarvan wij er zeer veel bezitten. Moeiteloos verbinden zij verhalen die niets met elkaar te maken hebben en en passant spelen Jezus, de engelen, God en allerlei bijbelse figuren daar ook een rol in. Zo kan het dochtertje van Jaïrus doorgaan voor een zusje van Ariël de kleine zeemeermin.- Jaargang 38
- nummer 16
Jezus wandelt rustig met Klein Duimpje door het bos en dat is handig want hij vertelt wel mooi hoe het kleine mannetje de weg terug kan vinden. Ook heb ik één keer vernomen dat Jezus in het huwelijk trad, helaas weet ik niet meer met wie. Toen ik er later naar vroeg wist de dochter het ook niet meer maar het was in elk geval niét de boze stiefmoeder.
Onze jongste telg tenslotte wil overal bij zijn en doet vele duiten in het zakje, vooral dat van haar oudere zusjes.
Lang geleden toen ze nog maar twee was (ze is nu drie) kreeg ze te horen dat ze alleen maar mee mocht spelen als ze "er ook wat van af wist". Nou dat heeft ze zich in de oren geknoopt.
Eerst moest ze goed leren praten, want kwebbelen dat deden die anderen tenslotte ook de hele dag. Vervolgens moest ze zich de hele leefwereld van haar zusjes eigen maken. Ook dat kreeg ze in no time voor elkaar. Na enkele maanden kwam ze boos naar me toe. "Ik wil ook wat zeggen, mama, ik mag niks zeggen van ze". Na wat bemiddelen kreeg ze een bescheiden rol in het spel. Maar zij is er zo een van één vingerhele hand en binnen enkele weken zag ze kans het spel geregeld te domineren. Tenslotte werd er een status quo bereikt en spelen ze nu eendrachtig met z'n drieën.
Na de zondagse kindernevendienst en ook na een extra spannend kinderbijbelverhaal merk je dat allerlei facetten daarvan moeiteloos in hun spel worden opgenomen. Zo kun je ook vaak de betrokkenheid bij gebeurtenissen en situaties zien. De vrienden van Daniël in de brandende oven bv. hielden de gemoederen dagenlang bezig.
Als dat geen wonder was, poeh het was gewoon tovenarij. Als ze dan gaan spelen treden God of Jezus geregeld op als een soort Deus ex Machina. Bij moeilijke situaties hup, even ingrijpen en alles komt op zijn pootjes terecht.
Toch hebben ze, de jongste misschien uitgezonderd, heel goed in de gaten wat waar is en wat niet. Daarmee bedoel ik niet dat ze alle sprookjesverhalen en bijbelverhalen uit elkaar houden. Kinderen geloven nu eenmaal ook een hele poos in sinterklaas, dwergen en elfen. Ze weten wel degelijk dat de verhalen uit de bijbel echt gebeurd zijn en sprookjes verzonnen door mensen. Op school, thuis en in de kerk komen de bijbelverhalen steeds aan de orde en zo gaan ze die langzaam maar zeker onderscheiden van de rest.
Wat ik opvallend vind is het onbeperkte Godsvertrouwen dat in hun spel naar voren komt. Als de sprookjesfiguren bang zijn moeten ze maar bidden. Als de problemen niet opgelost kunnen worden komt er een flits uit de hemel.
De jongste zegt als ze wakker wordt uit een nare droom: Jezus zei tegen mij dat hij het óók niet leuk vond.
De oudste formuleerde het eens zo: mama, ik kan me niet voorstellen dat God niet bestaat, Hij is er toch gewoon. Hoe kan het dat mensen dat niet geloven. Het leerde mij twee dingen. Ten eerste voelde ik me dankbaar dat het ons gelukt was in de geloofsopvoeding God als een volkomen reële persoon tot leven te brengen. Ten tweede herkende ik dat absolute kindergevoel: alles is zoals het is. Als ik van God afweet dan is Hij er ook. Later zal dit kind het best nog wel eens moeilijk krijgen omdat geloven niet altijd zo vanzelfsprekend zal blijven. Maar dit is toch maar mooi meegenomen denk ik dan.
En zo gaan ze op heel vanzelfsprekende wijze om met geloof en kerk. Tegenwoordig is er, ook wat de kerk betreft, veel minder afstand. Ik kende de dominees vroeger niet anders dan in zwart-grijs streepje. Laatst nam ik de jongste mee naar een informele vergadering. Het was warm, dominee kwam in korte broek en shirt.
Hallo, begroette hij haar, ken je mij nog? Ze monsterde hem van hoofd tot voeten en zei toen: Ja, jij bent de man van de kerk. En enkele zondagen later, op koffievisite na de dienst: woont hier nou de kerkman?