Een teveel aan verboden schaadt

1994-08-26
  • Jaargang 38
  • nummer 17
Doodsgezindheid?
'Huid voor huid, en al wat iemand heeft zal hij geven voor zijn leven'. Het komt uit de bijbel en het is van de duivel, dit woord. Het is een oud gezegde en je treft het aan in een gesprek dat tussen de Here God en de satan gevoerd wordt over Job (2 : 4).
Uit het feit dat het de satan, de vader der leugen, is die deze wijsheid in de mond neemt mag je gevoeglijk opmaken dat het om een zeer algemene waarheid gaat waar letterlijk ieder mee in kan stemmen, zelfs hij. En er is mee aangegeven dat wij mensen, wie we ook zijn en wat we ook geloven, van nature levensgezind zijn en op het behoud van het bestaan dat we ontvangen hebben bedacht. Ik geloof er dan ook niets van dat de mensen in deze tijd van secularisatie opeens tot doodsgezindheid zouden zijn overgegaan.
En dat wij verschijnselen als euthanasie en abortus uit die doodsgezindheid zouden moeten verklaren, die dan weer op haar beurt het gevolg zou zijn van het wegebben van het christelijk geloof uit onze cultuur. Toch wordt die suggestie herhaaldelijk gedaan.
Niet algemeen, trouwens, de VBOK bijvoorbeeld gaat ook van niet-christenen uit, maar de gedachte dat het juiste standpunt in deze zaken bij christenen het veiligst is, komt toch vaak voor. Dat het met name christenen zijn die wat euthanasie en abortus betreft de vinger aan de pols houden en voor het leven in de bres springen.
Dat zij alleen pro life zijn. Maar de liefde tot het leven is ieder aangeboren.
Daar hoef je geen christen voor te zijn. AI zou het zijn dat euthanasie een rage werd, dat zou niet anders dan een tijdelijke affaire kunnen worden.
De wal zou het schip onherroepelijk keren. De lust tot leven die los staat van het geloof, staat daar borg voor.
Engelen des doods, zo die er al zijn, zullen nooit populair worden. In alle wettelijke regelingen voor euthanasie zal de component van het eigenbelang van het eigen hachje te sterk aanwezig zijn dan dat er met het menselijk leven gemorst zal kunnen worden. Er is dus weinig reden voor een alarmstemming ('Onder de paarse coalitie zullen we nog wat gaan beleven!', bijvoorbeeld) binnen het christelijke kamp als het over deze onderwerpen gaat. Dat er tegenwoordig zo nagedacht wordt over abortus en euthanasie komt uit iets anders: dan de geloofsafval voort. De vraag of in randsituaties aan menselijk leven een moedwillig einde mag worden gemaakt, in het beginstadium (abortus) of aan het einde (euthanasie), is te verklaren uit het toenemen van onze medische macht, waardoor wij het menselijk leven tot in hoge mate maakbaar hebben gemaakt, juist aan die randen. Daar hebben christenen en niet-christenen gelijkelijk aan meegedaan. Dus moeten wij christenen aan het gesprek over de consequenties hiervan sine ira et studio deelnemen, met argumenten die net zo algemeen menselijk zijn als onze liefde tot het leven zelf. Wij moeten hier geen front tussen christenen en niet-christenen maken, want aan beide kanten van die streep is er over deze zaken een gelijk of vergelijkbaar verschil van mening en genuanceerdheid van opinie voorhanden. Wel is het zo dat voor ons die geloven de liefde tot het leven diep gefundeerd is in het feit dat het geschapen is door God en in het offer dat Christus ervoor gebracht heeft op Golgota. Daardoor zullen wij het leven anders (niet meer, maar anders) beminnen dan degenen die tegen dat geloof nee zeggen, meer tot eer van God. Maar een christen zal vanuit zijn geloof nooit zover kunnen gaan dat hij het leven als een absolute waarde gaat beschouwen. Hij zal het zelfs - en dat heeft hij op de niet-gelovige vóór - vanuit het onvergankelijke leven dat hij door het geloof mag bezitten op tijd weten te relativeren.
Dit aardse leven zal hij derhalve op z'n leefbaarheid kunnen en willen toetsen.
Verschil van mening over de uitkomst van die toetsing zal ook geen scheiding op voorhand tussen gelovigen onderling mogen aanbrengen. Daarover zal gesproken moeten kunnen worden zonder dat hinder ondervonden wordt van goddelijke geboden die er op dit punt niet zijn. Steeds meer ben ik namelijk van overtuiging dat er heel wat geboden en verboden in onze gewetens rondwaren waarvan de verbondenheid vanuit ons geloof niet duidelijk gemaakt kan worden. Daardoor komen er steeds meer valse tegenstellingen tussen christenen en niet-christenen. Die gaan, als we niet oppassen, een vervolgingssyndroom voeden waar onvoldoende grond voor is. Er bestaat mi voor deze problematiek geen status confessionis of geloofsembargo.
Wel is er reden tot zorg of wij door deze dingen niet bezig zijn met elkaar wat te verruwen. Een vraag die je al eerder kon stellen naar aanleiding van de opkomst van de lijkverbranding: Dat we nu zelf ter hand nemen wat we vroeger aan de natuur uitbesteedden. Dat kan verruwend werken. Maar ook hier kunnen we van een goddelijk verbod niet spreken.

Eenzaamheid
Deze expres fors verwoorde beschouwing zet ik voorop in mijn (voorlopig?
zie elders in ons blad) laatste artikel dat ik voor Opbouw schrijf. Ik heb natuurlijk over mijn eerdere uitlatingen over de twee zo bekende en gevoelige onderwerpen abortus en euthanasie reakties ontvangen en ik wil me daarover nog één keer nader verklaren.
Om zo deze hete hangijzers, kon hèt zijn, wat meer bespreekbaar te krijgen.
Zolang ze dat niet zijn, zullen we het blijven meemaken dat christenen die het, gezien de uitzichtloze ondragelijkheid van hun ziek zijn of gezien de voorspellingen omtrent de onleefbaarheid van het verwachte leven, niet meer zien zitten en öt abortus ót euthanasie overwegen, in volstrekte eenzaamheid hun beslissingen dienaangaande nemen. En dat degenen die om genoemde reden een einde aan hun leven maken, mede door de paniekerige wijze waarop zij vaak hun voornemen ten uitvoer leggen, de nabestaanden in grote ontreddering achterlaten. En de dominee zal (0, nee!) geen oordeel uitspreken op het graf. Dat behoeft hij ook niet te doen, want dat oordeel ligt in de harten van die het betreffen al kant en klaar gereed.
Het is namelijk gevormd door de voorlichting in de preek en in de pers, zo negatief dat ze er hun leven lang niet mee klaar komen. Maar dat oordeel op dit of dat concrete geval toepassen, durft de dominee, durven wij niet aan. Hij of zij was ziek, zeggen we dan. Maar is dat wel altijd zo? Het zal bij het toenemen van het aantal gevallen niet vol te houden zijn. Ik denk dat we ons vergissen en dat velen onder ons, ouderen vooral, zonder overspannen te zijn in grote eenzaamheid met deze problemen rondtobben. Terwijl zij er onder de eigen mensen geen luisterend oor voor kunnen vinden.
Willen ze hun moeilijkheden bespreken dan gaan ze niet naar hun dominee of ouderling, maar naar hun dokter.
De dominee en de ouderling ervaren zij teveel als rechter die veroordeelt, de dokter daarentegen als de pastor die begrijpt. Weet u dat mij dat als dienaar van het evangelie steekt?
Ach, als persoonlijke miskenning is zoiets wel te verdragen, maar wanneer je overweegt wie je als pastor mag vertegenwoordigen, is het onaanvaardbaar dat je bij zulke levensproblemen van je mensen buiten spel zou staan. Je bent er toch namens Hem die in al onze benauwdheden mede benauwd is en wiens hele wezen is gekenmerkt door mededogen? Het is zonder meer schrijnend dat je als zijn representant in het pastoraat op dood spoor zou staan. In de klem van: het mag niet, want 'gij zult niet doodslaan'.
Maar zegt dit gebod wel wat men eruit opmaakt? In het gesprek met de pacifisten wisten we, destijds al weer, haarfijn duidelijk te maken dat niet elke vorm van oorlogvoeren onder het zesde verbod van de wet des Heren valt. Waarom kunnen wij dan niet even duidelijk maken dat euthanasie en abortus geen doodslag behoeven te zijn? Dat daar onder omstandigheden heel goede redenen voor aan te geven zijn?

Breken met de halfslachtigheden
'Voor passieve euthanasie, zult u dan zeker bedoelen.' Ach, actief, passiefik vergelijk dat wel eens met een onderscheid dat bij homofilie wel gemaakt wordt: gelijkgeslachtelijkheid als geaardheid en als praktisering. Het homofiel geaard zijn, zegt men, daar is niets mis mee, maar aan die geaardheid een praktiserend gevolg geven, dat is voor een christen die naar de bijbel wil leven onbestaanbaar. Zou het? Dat zijn van die onderscheidingen die in de laatste twintig jaar onder ons zijn opgekomen en eventjes het ei van Columbus hebben geleken. In werkelijkheid zijn het tussenstapjes van mensen voor wie de sprong van verbod naar geoorloofdheid te groot is. Begrijpelijk, trouwens, maar de grote beslistheid waarmee men ermee naar voren komt, irriteert.
Degenen die met veel aplomb beweren: geaardheid - ja, praktisering nee, en daarmee denken (zij wél!) in de lijn van het voorgeslacht te blijven, zouden eens moeten bedenken wat voor viezeriken zij met dit standpunt in de ogen van bijvoorbeeld hun (over-)grootouders zouden zijn. Die schoren immers alles, geaardheid zo goed als beleving, over de ene kam van Sodom.
Terwijl van de andere kant de echt betrokkenen weinig blij zijn met deze 'ruimte'. Men verkeert dus met dit standpunt in een moreel niemandsland. Op de duur onhoudbaar, natuurlijk.
Ik vind dat wij moeten breken met dergelijke halfslachtigheden. We zitten nu eenmaal middenin een weergaloze omslag van onze cultuur. In zo'n tijd moet je je terugtrekken op hoofdzaken, zoals bijvoorbeeld in het boek Prediker gebeurt, en niet teveel met gedetailleerde geboden en verboden schermen. Die detailleringen zijn daarvoor tezeer gebonden aan tijden en gelegenheden. In de bijbel heten ze 'op de natte kalk geschreven' (Deut. 27 : 24), in plaats van (zoals de tien geboden) 'in de harde steen gehakt', tijdelijk dus en niet blijvend. Je moet dan ook regelmatig van die uitwerkingen naar de basisregels terug, om zo in nieuwe tijden het gesprek met elkaar zo open mogelijk en de wederzijdse veroordelingen van elkaar zo ver mogelijk te houden. Overweeg: Zoals de toegenomen vrijheid voor de homofiele naaste een gevolg is van de op zichzelf niet verkeerde ontwikkeling van de individualiteit onder de mensen, zo hangt de toename van abortus en euthanasie samen met buitenethische ontwikkelingen in de heelkunde. Natuurlijk blijft er voor de ethiek op genoemde gebieden werk genoeg aan de winkel, want in alle ontwikkelingen heb je met goed en kwaad te maken (abortus en euthanasie kunnen wel degelijk moord zijn, en homofiele beleving zonde!), maar die ontwikkelingen zelf afknijpen en de daaruit voortvloeiende verschijnselen zelf als zonde doodverven kan de oplossing niet zijn. We wedden op het verkeerde paard als we er de in de bijbel voorspelde uitbraak van de wetteloosheid in zien. Die manifesteert zich voor mijn gevoel veel meer in de groeiende onverschilligheid van de mensen voor elkaar, op elk gebied van de tien geboden, - wat in de bijbel zo trefzeker een verkilling van de liefde wordt genoemd.

Het beperkte nut van verboden
De tijden veranderen en de moraal wordt voor een deel in die verandering meegenomen. En opmerkelijk, in zo'n nieuwe tijd als wij nu beleven krijgen soms ook woorden uit de Schrift kansen die ze nog nooit eerder gehad hebben, omdat er in de vóór ons liggende tijden gewoon overheen gelezen werd. Wat denkt u bijvoorbeeld van dit woord uit het boek van de Spreuken van Salomo: 'Een mens, bezwaard door bloedschuld, zal vluchten tot de groeve toe; men weerhoude hem niet' (28 : 17). Iemand met een sprekend geweten vanwege een begane moord zal een opgejaagd bestaan leiden (rechtsvervolging blijft hier buiten beschouwing), totdat hij daar door zelfdoding een einde aan maakt, omschrijf ik. Laten begaan!, zegt hier de wijsheid. Merkwaardig! Je zou toch zeggen dat er alles voor te zeggen is om zo iemand van zijn fatale daad af te houden. Nee, weet de Schrift beter, want zo'n leven van wroeging mag de naam van leven niet dragen, het wordt als een onleefbaar leven ervaren. Handen af, dus. Er zijn blijkbaar situaties waarin een mens (ook een gelovig mens!) zijn innerlijke problematiek niet anders dan zo op kan lossen. Dat moet dan maar gebeuren. Denk erom, er wordt daarover geen goedkeuring uitgesproken. Toen ik bij een vorige gelegenheid Abimelek en Saul naar voren haalde als voorbeelden van iets dergelijks ging het er mij ook niet om aan de Schrift een soort goedkeuring over hun gedrag te ontwringen. Alleen, er is geen reden tot afkeuring; zulke dingen gebeuren.
Zelfs binnen de lichtkring van het verbond. Je hebt daarmee te rekenen, zeker als regering die wetten maakt. Binnen de ruimte van het gebod 'gij zult niet doodslaan' zijn er tal van situaties waarin het ideaal (of wat wij daarvoor houden) voor de praktijk 'moet wijken. Zelfdoding verboden? Het hangt er maar vanaf. Voor degen die nu inmiddels zijn gaan twijfelen aan mijn eigen levensgezindheid heb ik tenslotte dit verhaaltje. Ooit zag ik een Japanse film waarin verteld werd van iemand die het besluit tot zelfdoding genomen had. Hij ging daarvoor naar een wijze die hem moest helpen zijn beslissing ten uitvoer te brengen. De wijze ging zonder moeilijk te doen tot de gevraagde hulpverlening over en diende de man het vergif toe. Het zou binnen een uur zijn dodelijk werk doen. Nadat de vertwijfelde man het goedje had ingenomen begon de wijze met hem te praten en hem te vragen of zijn problemen wel zo groot waren dat ze de voorgenomen levensbeëindiging rechtvaardigden. De zelfdodingskandidaat kreeg het onder dit gesprek, naarmate het uur verstreek, zo spaans benauwd dat het doodszweet hem uitbrak. Toen de tijd om was bleek dat wat hij geslikt had helemaal geen vergif was. Het was een nepmiddel geweest waarvan hij geen schade ondervond. Maar hij was wel voorgoed genezen van zijn voornemen. Schitterend!
Wat zou er gebeurd zijn als de wijze enkel gezegd had: Dat mag niet? De anekdote illustreert voor mij het beperkte nut van verboden. Je kunt ook zonder een teveel daarvan het leven wel hoog houden.

Afscheid
Toen ik begin mei van dit jaar bij het bestuur van ons blad mijn redacteurschap opzei, dacht ik: Nu heb ik tot 1 september nog vier maanden, hoe ga ik die gebruiken? Ik heb ze gebruikt voor het onder woorden brengen wat mij al langer tijd op de lever lag. Over verschillende onderwerpen. Het is waar dat ik mij daarbij niet gedragen heb geweten (noch ook mocht weten) door de algemene opinie in onze kerken. Van de andere kant: Er wordt zo wel degelijk onder ons gedacht. Ik vind dat dat duidelijk moet zijn. Dan weten andere kerken waar ze aan toe zijn als ze samensprekingen met ons op touw zetten. Niet van: Zo zijn wij dus, maar: Zo zijn er óók onder ons. Wanneer bijvoorbeeld de vrijgemaakten nu op het punt komen waar wij ons in 1967 bevonden (zo ten aanzien van de opvatting - en de afwijzing daarvan - dat de vrijgemaakte kerken de enig ware kerk zouden zijn), mogen zij niet verwachten dat zij ons allemáál daar nog zullen aantreffen. Alsof wij stil waren blijven staan. Er is ook bij ons ontwikkeling geweest. Een ontwikkeling, in het algemeen gesproken, naar meer realiteitszin. Zoals gezegd, dat moet aan het licht komen. Het komt te vaak voor dat mensen die zo of op soortgelijke wijze denken als ik, stilletjes wegslippen.
En dat daardoor alleen het bovendrijvende gevoelen stem krijgt. (Niet alleen een verschijnsel in ónze kerken, trouwens.) Dat lijkt me niet alleen geen eerlijke zaak, maar voor de toekomst ook onwerkbaar. Want telkens zullen er wéér zijn die zo gaan denken; de gedachte dat die enkelingen vanzelf wel weggaan is bedriegeIijk. Ze gaan wel weg maar er komen er ook weer bij. Dat houdt niemand tegen. Daarom is het openlijk voor het voetlicht trekken van verschillen beter. Het doet wel pijn en degene die het doet is er ons niet altijd welkom mee, maar er zit toch heuse liefde voor onze kerken achter. De zorg ook wel om de kloof tussen wat dominees schrijven en gemeenteleden denken een beetje te dempen en zo een eerlijker situatie te krijgen. Men zal mij nu ook beter begrijpen als ik zeg dat ik kerkfusies, ook binnen ons kleine driestromenland, niet aan de orde vind. De tijd waarin we leven vraagt van ons christenen zo veel dat ik het beter acht dat elke kerk maar probeert om onder bewaring van de onderlinge eenheid (moeilijk genoeg!) de goede antwoorden die op onze situatie passen te vinden. Bij eenwording of ook maar stapjes in die richting vrees ik dat de angst om die zo moeilijk gevonden eenheid weer te verliezen het noodzakelijk gesprek onmogelijk zal maken. Dat mag niet geriskeerd worden, want waarheid gaat voor mij toch boven organisatorische eenheid.
Daarom, 'Wenn ihr im Suchen euch trennt, wird erst die Wahrheit erkannt', (gescheiden zoeken doet waarheid boeken). Wat mijzelf betreft, laat anderen hun nek nu maar eens uitsteken, want het kost wel energie en het gaat je obsederen. Vandaar dit nee tegen mijn eigen neigingen. Ik ben zelf misschien wel het meest benieuwd hoe lang ik dit nee zal volhouden. Want och, ik deed wel graag mijn zegje.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief