Als vervolging komt
1994-08-26
AI weten we nog niet wat God over u heeft besloten, toch is het 't beste Hem uw leven over te geven om het te kunnen loslaten, wanneer het zijn wil is, op hoop tegen hoop, dat Hij dat nog zal sparen, voorzover Hij het nuttig acht voor uw heil .- Jaargang 38
- nummer 17
God doet ons de eer aan, dat wij de merktekenen van zijn Zoon mogen dragen, die in de ogen van Hem en zijn heilige engelen veel eervol/er zijn dan al/e scepters en kronen van aardse vorsten, al mogen zij in het oog der mensen dan ook smaad en schande betekenen.
- Calvijn in brieven aan ter dood veroordeelden
Ook in later tijden
Vier maal hebben we ons in deze serie bezig gehouden met de Vroege Kerk. Wat hebben onze broeders en zusters die in de tijd zover bij ons vandaan staan gezegd en gedaan, als het ging over zoiets ernstigs als vervolging? In dit (voorlopig) laatste artikel wil ik graag dichter bij huis komen, zowel qua plaats als in de tijd. Daarom wil ik enige aandacht schenken aan uitspraken van de reformator Calvijn. De keuze van Calvijn is enigszins willekeurig.
Er zijn in de geschiedenis van kerk en zending zo veel gevallen van ernstig lijden en vervolging te rapporteren dat men niet noodzakelijk voorbeelden uit de Hervormingstijd hoeft te kiezen. En er zijn bovendien zoveel interessante uitspraken te citeren dat we zeker niet per se bij Calvijn hoeven uit te komen. Om een aantal persoonlijke redenen heb ik echter de tijd van de Hervorming gekozen.
Calvijn schrijft aan veroordeelden
Van alle boeken die ik over Calvijn heb gelezen is er wellicht niet een dat me uiteindelijk zo heeft geboeid als het boek van Pierre Benoit, Calvijn als Zielzorger. In dat boek, dat uit de jaren '50 stamt, wordt vooral aandacht geschreven aan Calvijn als brievenschrijver en pastor. Wat zei of schreef Calvijn, als hij te maken kreeg met mensen in nood, mensen die lijden in hun leven kenden, mensen die in een situatie van ernstige verzoeking verkeerden, etc. In Benoits boek, dat ik· uiteraard zeer ter lezing aanbeveel, is ook een hoofdstuk opgenomen over de correspondentie die Calvijn voerde met mensen die op hun proces of terechtstelling wachtten. Kort iets over het kader waarin die correspondentie gezien moet worden. Calvijn had in de stad Genève een Theologische Faculteit opgericht die aan mensen uit een groot deel van Europa de gelegenheid bood om zich in de studie van de Schrift te bekwamen. In een tamelijk groot aantal gevallen moesten afgestudeerden clandestien naar hun eigen land terugkeren om daar in het geheim te werken aan de stichting van gemeenten van Gereformeerde signatuur.
Door roomse overheden werd fel op deze mensen gejaagd en zo kon het gebeuren dat door verraad of om andere redenen teruggekeerde gereformeerde predikanten werden gearresteerd, in welk geval ze zonder uitzondering het leven lieten op brandstapel of schavot. En dat wisten ze tevoren! Wie de Inquisitie in handen viel had weinig illusies te koesteren aangaande zijn verdere leven op aarde... Nu kwam het voor dat zulke mensen, die opgepakt werden, aan de oude leermeester in Genève een brief schreven om arrestatie en situatie te melden en op de een of andere manier bereikten die brieven kennelijk ook hun bestemming. En dat niet alleen, ze kregen normaliter van Calvijn ook antwoord, dat hen door de'overheden in hun gevangenis ongestoord ter hand gesteld werd. De exacte omstandigheden waaronder dat gebeurde weet ik niet, al zal daarover wel het een en ander bekend zijn. In Calvijns zeer omvangrijke briefwisseling - er zijn ons vele honderden, zo niet duizende brieven van de Reformator overgebleven - is dus ook wel iets te bespeuren van zijn opvatting aangaande vervolging.
ontroerende uitspraken
De visie die steeds weer in Calvijns brieven naar voren komt is dat in alle moeite en druk toch èèn ding overeind moet blijven staan: wij behoren Christus toe en Gods eer gaat boven alle andere overwegingen. Die diepe overtuiging is ook keer op keer in zijn briefwisseling terug te vinden. Benoit merkt op: "Deze brieven behoren tot de meest ontroerende, die wij van de reformator bezitten; hij werd als 't ware de zielzorger der martelaren. De tekst van deze oude brieven, nu bedekt door het stof van vier eeuwen, krijgt weer nieuwe leven, wanneer men zich de omstandigheden indenkt waaronder ze werden geschreven. Ze werden gelezen in de gevangenissen bij een kaars of bij het schaarse licht dat door een gat in de muur naar binnen viel; ze werden ontvangen door mensen in ketenen geklonken, maar er werd kracht uit geput tot op de brandstapel of op het schavot toe." Die moed hadden ze dan ook, vaak in opmerkelijke mate.
Toen de"vijf gevangenen van Lyon", vijf jonge mannen die door verraad waren opgepakt, op de brandstapel ter dood gebracht werden, was de aansporing "houd moed, broeders" het laatste woord dat van hen werd vernomen.
Een ander, Richard le Fèvre, was gearresteerd en ook ter dood veroordeeld, maar hij was in hoger beroep gegaan en voor zijn nieuwe proces naar een andere stad overgebracht. Onderweg was hij door onbekende vrienden bevrijd, maar twee jaar later was hij opnieuw in de gevangenis beland. Hij werd in juli 1554 op de brandstapel verbrand. Tevoren had hij Calvijn geschreven: "Ik wil u laten weten, dat ik hoop het pinksterfeest in de hemel te mogen vieren en in te gaan tot de bruiloft van Gods Zoon, als ik al niet eerder door mijn Heer en Meester word opgeroepen; maar ik ben bereid zijn stem te gehoorzamen, die zegt: Kom in, gij gezegende mijns Vaders, beërf het koninkrijk dat u is bereid van voor de grondlegging der wereld."
Meer voorbeelden zijn te geven van een voorbeeldig vertrouwen in God en een diepe bereidheid om Christus te volgen, ongeacht de kosten aan huis en haard, lijf en goed.
Als er dan bericht van Calvijn terugkwam, valt op hoe teer èn hoe ferm hij was, zowel het een als het ander. Hij was teer; de man die vaak bekend staat als rechtlijnig, onbuigzaam en hard, schreef en zei ook dit:"Wanneer wij onze haasten willen troosten in hun verdriet, moeten wij wie goed bedenken dat dit niet zo maar, haastig, kan gebeuren. Erzijn namelijk mensen, die dan maar èèn recept kennen, zonder erop te letten met wie zij te doen hebben." Ook schreef hij:"Om werkelijk bedroefden en beladenen te kunnen troosten, moet men niet een bijna bovenmenselijke moed opbrengen als van ijzer of staal, maar met diep medelijden bewogen zijri. Een mens is eigenlijk nooit in staat een ander in zijn leed te troosten, tenzij hij zich indenkt in diens lijden, zich als 't waren in diens plaats stelt. Het is onmogelijk de juiste woorden te vinden om het lijden van de naaste te verzachten, als wij het niet zelf ook voelen en er ten diepste door zijn geraakt."
Gods eer gaat vóór alles
Maar, ontroerd en bewogen als hij dan is, Calvijn blijft bij de diepe overtuiging dat uiteindelijk alleen de eer van God telt. Dat blijkt uit brieven die hij schrijft aan mensen die in voorarrest zitten en op hun verhoor nog wachten.
Benoit: "Voor alles raadt hij de gevangenen aan voorzichtig te zijn in hun antwoorden, op voorwaarde, dat deze voorzichtigheid werkelijk door Gods. Geest is ingegeven en niet door wereldse sluwheid en dat zij bescheiden en oprecht is." Het is in deze situatie niet ondenkbaar dat de griffier, die het verhoor op schrift zet, bepaalde dingen verdraait. In dat geval weet God echter wel wat de beklaagde heeft gezegd. "Uw belijdenis wordt ongetwijfeld ook door God en zijn heilige engelen opgetekend." Overigens moeten ze op God blijven vertrouwen, want de belofte van bijstand van de Heilige Geest is hun gegeven. "Gij weet immers wie het is, die heeft beloofd mond en wijsheid aan de zijnen te geven, waar de tegenstanders niet tegenop kunnen."
In een andere brief, in ander verband geschreven, schrijft Calvijn:"Zelfs al was de hele wereld blind en ondankbaar, al scheen al uw moeite vergeefs, laat het u genoeg zijn, O dat God en zijn heilige engelen uw daden goedkeuren." Opmerkelijk is daarbij dat Calvijn de mogelijkheid helemaal niet uitsluit dat ook hun ondervragers voor het ware verstaan van het Evangelie gewonnen kunnen worden. Degenen die straks voor verhoor door overheidspersonen zullen moeten verschijnen zijn daarom belangrijke getuigen van Christus. "Weest vooral bescheiden en zachtmoedig en probeert of ge hen niet kunt winnen, niet alleen om hen zachter tegenover u te stemmen, maar ook om hen tot gehoorzaamheid aan God te brengen."
Trouw en gehoorzaamheid
Dan komt het aan op trouwen gehoorzaamheid in de gevangenis. Uiteindelijk is hun gevangenneming niet het gevolg van aardse of menselijke oorzaken alleen, maar God zelf "roept hen tot lijdem en sterven om daarin getuigenis af te leggen van hun geloof. God zelf werpt hen als 't ware in de strijd en gebruikt hen om zijn waarheid gestand te doen; Hij voert hen aan zijn hand tot het martelaarschap."(Benoit) Dat alles is immers geïmpliceerd in het woord "Gods soevereiniteit".
In de situatie waarin deze gevangenen verkeren gelden "onderwerping, aanvaarding en gehoorzaamheid" als de juiste houding tegenover de Gods leiding, in deze moeilijke omstandigheden. "Aangezien het Hem behaagt u zelfs tot de dood te gebruiken om voor zijn zaak te staan, zal Hij uw handen sterk maken in die strijd." Elders zegt hij:"Verheug u, dat gij met een goed geweten voor Gods zaak moogt staan, in de vaste hoop, dat Hij u kracht zal geven om te dragen wat gedragen moet worden." Dat zegt hij in een brief aan iemand die martelaar geworden is.
Een boeiende passage in een van zijn brieven gaat over de rol die je verbeelding kan gaan spelen bij eenzame opsluiting. Het is een passage die uit Solsenitsyns Goelag Archipel zou kunnen komen. Hij schreef aan een zekere Matthieu Dymonet die op zijn terechtstelling zat te wachten":De fantasie van de mens is een spookachtige werkplaats, waar allerlei vreemde voorstellingen worden gesmeed, die de ware rust verstoren, welke wij bezitten in de roeping van onze God.
Maar God heeft beloofd de zijnen te zullen wapenen naar de mate, waarin zij door de boze worden aangevallen; verlaat u op Hem en vertrouw niet op wat in uzelf is."
kansen voor het Evangelie
Tenslotte in dit verslag van uitspraken van Calvijn nog een paar uitspraken in brieven aan mensen die weten dat ze binnen niet al te lange tijd terechtgesteld zullen worden. Als ze te horen krijgen dat hun gratieverzoek door de vorst is afgewezen gaat Calvijn hen niet uitvoerig beklagen. Hij spreekt niet van een leven dat in de knop gebroken is, van alle beloften die nu niet vervuld zullen worden. Integendeel, hij spreekt over de kansen die de Evangelieverkondiging hebben zal, als zovelen verzameld zullen zijn om de terechtstelling bij te wonen. De ter dood veroordeelden hebben immers normaliter het recht om nog eenmaal openbaar te spreken."God zal niet dulden dat ook maar een druppel van uw bloed vruchteloos zal worden vergoten", is zijn bemoediging aan een toekomstige martelaar. "Aangezien Hij u het voorrecht heeft verleend, dat er over uw boeien al wordt gesproken en het gerucht daarover overal is doorgedrongen, zal uw dood, in weerwil van de 'boze, zeker nog meer weerklank vinden, opdat Gods naan daarin verheerlijkt wordt." Evenzo zegt hij tegen een groep predikanten die samen de dood zullen ingaan:" Hoezeer op 't ogenblik de deur voor u gesloten is om door onderricht hen te troosten onder wie gij met toewijding werkzaam waart, toch zal het getuigenis, dat gij nu aflegt, niet nalaten vanuit de verte zijn werk te doen; God zal zorgen dat het veel verder doorklinkt dan ooit een menselijke stem kan reiken."
Zo komen we aan het eind van dit verhaal over Calvijn, en aan het einde van onze korte verkenning hoe in het verleden door Christenen over vervolging en martelaarschap is gedacht. Veel daarin staat vermoedelijk ver van ons af, wat op zich ook niet zo erg is. Als we echter bedenken hoevelen van onze broeders en zusters in andere landen, tijdgenoten en geloofsgenoten van ons, op dit moment ergens ter wereld moeten lijden omwille van de Naam van Christus, moeten we ook wel eens nadenken wat dat voor ons moet betekenen. De twintigste eeuw, die nu bijna is afgelopen, is de meest moordzuchtige eeuw van alle geweest! In geen enkele tijd ook zijn zovele medechristenen vervolgd, gefolterd of vermoord. Ook wij moeten zicht en toegang hebben tot de Bron van kracht die dezen tot in hun laatste uur heeft bijgestaan.