Liedboek-2000? (Een reactie om het behoud van de algemene christelijke kerk)

1994-09-09
  • Jaargang 38
  • nummer 18
In het eerste van een lange serie lezenswaardige artikelen rond het thema 'meedoen aan het Liedboek-2000?' spreekt de auteur, Johan Klein, de wens uit met deze reeks een gedachtenwisseling rond dit onderwerp op gang te brengen. Hoewel ik mijzelf niet beschouw als een deskundige op het gebied van de theologie der nadere reformatie en iets meer op dat van het reformatorische kerklied, voel ik mij als organist van onder andere een Nederlands Gereformeerde Kerk dermate betrokken bij deze gezangenkwestie dat ik mijzelf dit epistel veroorloof, hopende hierin niet het laatste woord te hoeven schrijven of spreken. De lezer realisere zich: ik ben zoiets als kerkmusicus, geen dichtertheoloog.

Schriftuurlijk?
De eerste aflevering van betreffende serie kreeg als subtitel mee: om het behoud van het klassieke kerklied. Uit het verloop van de serie blijkt dat de term klassiek wordt geïnterpreteerd als zijnde schriftuurlijk. Eerlijk gezegd ben ik niet zo gelukkig met deze invulling van de betiteling klassiek. Volgens het Nederlands Woordenboek betekent schriftuurlijk niets anders dan bijbels.
Logisch, maar evenzeer verwarrend. Wie het bijbelse Hooglied-geschrift vergelijkt met veel hedendaagse (en klassieke! 'hits' treft op het eerste gezicht/gehoor zeker het nodige 'schriftuurlijke' liedmateriaal aan. Om in dergelijke situaties toch onderscheid te kunnen maken tussen kaf en koren zullen we terug moeten vallen op een 'bijbelse kerngedachte', een hoofdlijn van 'de Schrift'. Deze wordt samengevat in de 'leer der kerk', in 'onze gereformeerde dogmatiekjes' (JK, pag. 207!). Schriftuurlijk wordt zo al snel een synoniem van leerstellig. Op zich geen kwade zaak, maar wanneer we op een overspannen wijze onze kerkliederen gaan toetsen aan 'de leer' loopt men al snel het risico het werk van de Geest in deze te belemmeren zo niet te verbannen.

Een triest voorbeeld hiervan is wel Lied 508 uit de Aanvullende gezangenbundel voor gebruik in de Nederlands Gereformeerde Kerken, gezien het ongewijzigd overgenomen metrum en de eerste regel duidelijk een poging tot leerstellige 'verbetering' van Willem Barnards prachtige en zo niet schriftuurlijke dan toch zeker bijbelse Gezang 54 uit het Liedboek voor de Kerken. Zinsneden als "de vogels die pikten het weg" en "de doornstruik die prikt" (!) zijn zeker 'recht in de leer', maar poëtisch dood als "een vruchteloos graf".

Horizontalisme?
Blijkens de serie artikelen heeft Johan Klein bij de totstandkoming van een eventueel Liedboek-2000 een grote angst voor de invloed van 'horizontalistische' kerkliederen en dan met name voor die van de hand van Huub Oosterhuis. Ik kan mij die angst eigenlijk niet zo goed voorstellen. Wanneer men zich realiseert dat ons woord kerk is afgeleid van het Griekse Oikos Kuriou (huis van DE HEER), dan houdt het begrip kerklied direct de vroegchristelijke ICHTHUS-belijdenis (Jezus is HEER) in. Liederen waarin deze belijdenis ter discussie of op de tweede plaats wordt gesteld kunnen per definitie geen kerklied zijn, zomin als water ooit droog kan zijn. In dit licht zie ik dan ook weinig in de tegenstelling sctïrlttuurtijk-horizontelistlscn.
Het gaat om de genoemde belijdenis. Bij mijn weten kent geen enkel christelijk Credo een artikel in de trant van "ik geloof in één heilige, algemene christelijke Schrift", wel een "ik geloof in één God, Vader, Zoon en Geest".
Elke tekstdichter die vanuit deze belijdenis dicht of berijmt, voor gebruik in de eredienst, schept een kerklied, ik durf zelfs te stellen: geeft opnieuw vorm aan de Schrift. In de door mij begeleide Nederlands Gereformeerde kerkdiensten speel ik zodoende met vreugde en zonder gewetensbezwaren uit het Liedboek voor de Kerken, ook de gezangen uit de 'index'. Ik prijs mijzelf gelukkig de Kerk te mogen dienen middels een inhoudelijk en muzikaal zo rijke bundel als het Liedboek-73, 'in onbesneden staat'.

Een alternatieve bundel?
Evenmin als Johan Klein heb ik dus behoefte aan een nieuw uit te brengen Liedboek-2000. Ondanks inzichtelijke verschillen van mening gaat het ook mij "om het behoud van het klassieke kerklied'. Ik geloof echter niet aan een eventueel Liedboek-2000 te kunnen ontkomen middels een in gereformeerde kring samen te stellen alternatieve 'schriftuurlijke' liedbundel. Niet alleen op ideële gronden, een weinig zout heeft ook binnen de IKS een grote smaakmakende werking, maar ook omdat ik, gezien de Aanvullende gezangenbundel, de Nederlands Gereformeerde Kerk (nog) niet tot zelfs maar het opstarten van een dergelijk project in staat acht. Wanneer ik genoemde bundel bestudeer kom ik naast een aantal fraaie, te lang gemiste berijmingen (504, 505, 509, 514, 538) en vertalingen (519) en een enkele nieuwe melodie (509, 529) helaas nog veel materiaal van zorgwekkende kwaliteit tegen. Eerder noemde ik al het poëtisch bedenkelijke Lied 508. Ik denk ook aan Lied 510, het fragment "laten wij elkaar behagen, zoals Christus naar ons vroeg". Is dit schriftuurlijk, verholen seksueel beeldgebruik of gewoon invullen van het rijmschema wegens het ontbreken van de werkwoordsvervoeging 'behoeg'?
Verder proef ik een ontoereikend muzikaal niveau bij meerdere nieuwe liederen, zoals bijvoorbeeld in (alweer!) Lied 508 (niet aangegeven wisseling 3/8-6/8 maat; onlogisch en m.i. incorrect), Lied 511, 1e melodie (geforceerde opzet in 2x3 in plaats van de gebruikelijke 3x2 regels; in de tekst trouwens niet consequent toegepast) en Lied 538 (de zeurderig doorgevoerde sequensen in de melodie suggereren een sleur die weinig past bij de sprankelende tekst van dit huwelijkslied). Wanneer ik dergelijke teleurstellende resultaten beschouwen vergelijk kan ik, althans op het gebied van nieuwe liederen, helaas nog weinig verwachten van een in eigen kring op te starten c.q. uit te voeren alternatieve liedbundel. Bovendien verwacht ik bij een eventuele invoering van een dergelijke bundel de nodige praktische problemen.
Is er in een liturgie waarin de gemeentezang een zaak is van een zaterdags psalmbriefje voor koster en organist, plaats voor een nieuwe bundel? Hoe voeren we een dergelijke liedbundel in in een kerk die, zoals we kunnen opmaken uit het artikel van ds. Biewenga (pag. 184), de aanvullende gezangenbundel positief ontvangt zonder er ooit uit te hebben gezongene!!)?
Wat doen we met een dergelijke bundel als onze kinderen de liederen daaruit niet meer leren omdat de jeugd leiding hen in het algemeen slechts met het populair-religieuze repertoire bezighoudt en zij op de scholen in het gunstigste geval uit een ander kerkelijk liedboek zingen? Pas Wanneer in onze liturgie de kerkmuziek de plaats krijgt die haar toekomt, gelijkwaardig aan en als deel van de woordverkondiging, kan er sprake zijn van een nieuwe gezangenbundel. De samenstelling daarvan vereist vakbekwame mensen en die zijn er binnen de Nederlands Gereformeerde Kerken helaas (begrijpelijkerwijze?) maar weinig. "Geen enkele /ieddichter/ berijmer (organist/componist, BVB) kan de kwaliteit van zijn eigen werk voldoende inschatten", aldus Johan Klein. Wanneer die weinig bekwame dichters en componisten uit Nederlands Gereformeerde kring allen hun medewerking aan een nieuwe bundel verlenen, wie beoordeelt dan hun werk? De kerkeraden, de LV? De Aanvullende Gezangenbundel lijkt me een negatief antwoord op deze vraag te geven. Wanneer de eigen liedbundel er moet komen, dan hoop ik dat de daartoe ingestelde gezangencommissie een voorbeeld zal nemen aan het Gezangboek van onze Oud Katholieke zusterkerk; de opzet, wijze van samenstelling, veelzijdigheid, openheid en kwaliteit van deze bundel komen mij hartverwarmend over. Veel meer nog hoop ik echter dat de Nederlands Gereformeerde kerken zullen meezingen in het koor van de ware oecumene, als klein onderdeel van de ene algemene christelijke kerk.

(Bart van Buitenen, student PABO, organist Nederlands Gereformeerde/Waalse/Nederlandse Hervormde/Oud Katholieke Kerk)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief