In memoriam 'de juffrouw'

1994-09-23
  • Jaargang 38
  • nummer 19
In het vorige nummer stond nog eens afgedrukt een artikel, dat ik schreef naar aanleiding van het overlijden van Kees 'de boer'. In november 1975 overleed hij, en zijn vrouw heeft daarna eigenlijk nooit meer plezier in het leven gehad. Nu was ze toch al niet zo'n opgewekte figuur, maar na het overlijden van haar man had ze er geen zin meer in. Eigenlijk heeft ze het sterven van Kees 'de boer' nooit verwerkt en ook niet willen verwerken.
Dat gaat zo wel eens. Die twee waren zo met elkaar vergroeid, dat ze wel samen konden leven, maar niet alleen. Hoe het zou zijn gegaan, als Kees alleen was overgebleven, is moeilijk te zeggen. Ik denk, dat hij het dan geen 18 jaar had uitgehouden.
Maar goed, hij overleed en zij bleef achter. De oudere inwoners van het dorp in de Bommelerwaard noemden haar 'de juffrouw'. Ze noemden haar al direct zo, toen ze in 1934 na haar trouwen in het dorp kwam. Ze was afkomstig uit het land van Heusden en Altena, en toen ze samen met Kees begon, liet ze echt wat achter zich. Hemelsbreed was het eigenlijk dichtbij. Maar in geestelijk opzicht was er nogal wat verschil. De hervormde gemeente waar ze werd gedoopt en waar ze belijdenis deed van haar geloof, was 'lichter' dan de gemeente waarin ze na haar trouwen terecht kwam. Haar nieuwe woonplaats lag in de 'zware' hoek van de Bommelerwaard. Ze gingen samen trouw naar de kerk.
Ze hadden een vaste plaats, een dure. Zo ging dat toen nog. Voor een goeie zitplaats moest je betalen. Daar hadden ze geen moeite mee, want ze gaven graag aan de kerk. Die twee mensen kregen samen één verdriet; er werden geen kinderen geboren. Daar hebben ze het moei Ijk, heel moeilijk mee gehad. Toen ik ruim 50 jaar geleden als jongen voor het eerst bij hen over de vloer kwam, kwam dat al gauw ter sprake. En later had' 'de juffrouw' het er vaak over.
Er kwamen wel kinderen bij hen, die van haar broer en ook wel van het dorp. Maar dat maakte het gemis niet goed.
En toen, na ruim 40 jaar huwelijk, overleed haar man en bleef ze alleen achter. En ze moest al gauw verhuizen, want het voor haar trouwen gebouwde huis boven op de dijk moest in verband met de dijkverzwaring worden afgebroken en ook de oude boerderij moest verdwijnen·. Er werd een bungalow gebouwd, waar ze alleen in kwam te wonen. 't Was allemaal mooi: degelijk gebouwd, prachtig hout, een mooie keuken, prima vloerbedekking en ga maar door. Maar 'de juffrouw' had er geen lol in. Het interesseerde haar niet. Het liefst zat ze in de keuken, wat schuin achter het raam, en je moest haar bij wijze van spreken af en toe de kamer in sleuren. Als ik alleen bij haar kwam, lukte me dat meestal niet. Als m'n vrouw er bij was, wou ze meestal zelf wel naar de kamer. Met haar gezondheid werd het langzamerhand wat minder. Ze werd nogal klagerig. Het ergste was eigenlijk, dat ze niet meer naar de kerk ging, thuis wat in oude boeken las en zich liet beïnvloeden door enkele vrouwen, die uit de hervormde kerk waren gestapt om zich bij de gereformeerde gemeente te voegen. De hervormde kerk in het dorp was namelijk wat 'lichter' geworden in de loop der jaren.
Ze durfde steeds minder over het geloof te praten. Ze werd ook steeds onzekerder over 'de toeëigening van het heil'. U kent dat misschien wel: 'och, mocht het maar zo zijn ...' En of ik dan al zei, dat het zo w·ás, dan antwoordde ze niet zo veel. Maar de laatste jaren veranderde er iets. Ze durfde eigenlijk niet in te gaan tegen wat de 'zware' vrouwen tegen haar zeiden, maar het werd steeds duidelijker, dat ze bezig was de weg naar het geloof van haar jeugd terug te vinden. Maar dat was geen effen weg voor haar, het ging erg moeizaam. Maar als ik met haar uit de bijbel las, bv. Psalm 100 of Psalm 121, dan beaamde ze het: God is goed en Hij zorgt voor me. En toen werd ze ziek, in oktober 1993.
Ze moest naar het ziekenhuis. Dat viel niet mee voor haar. Daar had ze eigenlijk ook niet op gerekend. Na een aantal weken mocht ze naar huis, maar ze kon niet lopen en moest met van alles en nog wat worden geholpen.
En toen dat thuis niet meer ging, moest ze naar het verpleegtehuis.
Daar knapte ze langzaam wat op. De doorligplekken werden goed verzorgd, maar dat was wel heel pijnlijk. Ze aanvaardde het allemaal alsof het erbij hoorde. En ze klaagde helemaal niet meer. Dat was heel vreemd. En als ik wat uit de bijbel las of een psalm citeerde, dan knikte ze. En of het allemaal nog niet genoeg was, moest er een been worden geamputeerd.
"Wat moet, dat moet", zei ze. Dat was haar manier van laten merken, dat ze het overgaf. Ze aanvaardde het lijden met weinig woorden. Ze vond het goed, zoals haar man het ook eens goed vond, toen hij wist dat hij niet meer beter zou worden. Op 1e Paasdag vertelde ik haar over de preek, die ik had gehoord. Ze was erg helder en toen ik het slot van Romeinen 8 las, kwam er een glimlach op haar gezicht. 'De juffrouw' wist van leven en dood. Ze wist, dat ze niet lang meer zou leven. Ze wist ook, dat God haar bewaken zou, haar erdoor heen zou helpen. Voordat ik wegging, zei ik: "Je hebt vaak gezongen: Want nu de Heer is opgestaan, nu vangt het..." En ze vulde aan: "nieuwe leven aan".
Dat was een geloofsbelijdenis. Met enkele woorden wist ze het te zeggen. Dat is 'toe-eigening van het heil'. Gelovig en eenvoudig. En bij haar begrafenis hebben we gezongen. Misschien was het wel de eerste keer, dat dat in het dorp gebeurde.
"De HEER 't zij g'in of uit moogt gaan, en waar g' u heen moogt spoeden, zal eeuwig u behoeden."

Die begrafenis was vijf dagen na Pasen.
We missen 'de juffrouw'.
Maar ze heeft, ondanks zichzelf, een boodschap achtergelaten: het nieuwe leven vangt aan! Dank zij onze Heiland, Die zelfs door de 'zwaarste' bevindelijkheid kan heen prikken.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief