'Wil iemand niet werken, dan zal hij ook niet eten.'

1994-10-07
  • Jaargang 38
  • nummer 20
Calvinisten zijn altijd harde werkers geweest. Toch veranderen de tijden. De laatste jaren is er veel meer vrije tijd gekomen. Hoe moeten we werken? Dag en nacht bezig zijn? Hoe kunnen we het beste bezig zijn in onze baan? Ons beroep, ons werk gaat niet buiten het geloof om. In de het Oude Testament staan duidelijke passages over het werken. Na de verdrijving uit het paradijs zegt de HERE tot de eerste mensen: 'in het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aardbodem wederkeert, omdat gij daaruit genomen zijt'

Om in leven te blijven zul je er iets voor moeten doen, zul je soms moeten zwoegen. Lui zijn is een verkeerde houding, zo lezen we in Spreuken. Je bereikt er niets mee. Iedereen onder de oude bedeling wist hoe het zat met werken. Je moest werken, wilde je in leven blijven. En eigenlijk is het vandaag niet anders.
De sociale voorzieningen zijn in ons land heel goed. Maar ze zijn niet bedoeld voor de luiaards, maar voor de mensen die om gezondheidsredenen of vanwege werkeloosheid niet kunnen werken. Om brood op de plank te krijgen moet je werken tot de pensioengerechtigde leeftijd. Wij hebben het gemakkelijker door de AOW voorzieningen en de uitkeringen, maar het is in wezen net als in het Oude Testament. Is dit nu veranderd met de komst van onze Heiland naar deze wereld? Hoeven wij eigenlijk niet meer te werken? In de gemeente van Thessalonica kwamen deze vragen op.
Wat was het probleem? Er waren zijn mensen die geen werk verrichten, en dus geen baan hadden, maar bezig waren met wat geen werk was. Waarom werkten deze mensen niet? Helemaal duidelijk wordt dat hier niet. In beide brieven wordt dikwijls gesproken over de wederkomst. Het lijkt erop dat er mensen waren die meenden dat door de komst van Christus, de nieuwe wereld al gekomen was en zo de dag des Heren. In de eerste brief maken gemeenteleden zich zorgen over de ontslapenen. Zij delen niet in de rijkdom en het nieuwe leven waarin de levenden zich bevinden. In de tweede brief lezen we dat er brieven zijn, waarin te lezen staat dat de dag des Heren reeds aangebroken is.
Wat is de conclusie van enkele gemeenteleden uit Thessalonica? Zij werken niet meer. Het nieuwe leven is toch begonnen? Waarom zou je nog bezig zijn met al dat aardse? Het is niet meer nodig. Het zou ook kunnen zijn dat deze mensen een grote scheiding maakten tussen het geestelijke en lichamelijke. Ze waren geestelijk één met Christus. Het aardse was niet meer belangrijk. Ze legden zich liever toe op andere dingen, waarvan Paulus dan moet zeggen dat dat geen werk is en dat zij door zo te leven zich ongeregeld gedragen. Want wat was de consequentie van heel de houding van deze ongeregelden? Zij moesten natuurlijk wel eten, zij klopten aan bij de gemeente, terwijl zij heel goed voor hun eigen brood zouden kunnen zorgen. Daar kwam nog bij dat de ze door hun levenswijze de gemeente in diskrediet brachten bij de buitenstaanders. Paulus, Timotheus en de helpers hebben zelf het voorbeeld gegeven.
'Gij weet immers zelf, hoe ons voorbeeld behoort gevolgd te worden, daar wij bij u niet van de regel afgeweken zijn, noch gegeven brood bij iemand hebben gegeten; maar met moeite en inspanning werkten wij dag en nacht, om niemand van u lastig te vallen.' Paulus heeft van niemand iets gevraagd voor zijn levensonderhoud. Hij heeft zelf gewerkt voor zijn brood. Hoe moeten we ons dat voorstellen? Overdag hield hij zich bezig met de evangelieverkondiging en zeker in het weekend. 's Avonds en delen van de nacht heeft hij het vak van tentenmaker uitgeoefend. Waarom deed Paulus dat? We lezen dat in vers 9: 'niet, dat wij er geen bevoegdheid toe hebben, maar om ons u tot een voorbeeld ter navolging te stellen.' Paulus en de apostelen mochten van het evangelie leven. Ze hoefden geen gewoon werk te doen zoals de andere gemeenteleden.
Maar ze deden dat bij hun verblijf in Thessalonica wel. Niemand kon hen verwijten dat zij niet gewerkt hadden voor hun eigen brood. Paulus had bij zijn bezoek aan Thessalonica blijkbaar heel goed aangevoeld, dat het niet werken een gevaar was voor de gemeente. Hij wilde niet dat mensen uit zijn levenswijze zouden afleiden dat gewoon werken niet nodig was en met een beroep op hem het gewone werk zouden laten liggen. Van Paulus konden de gemeenteleden niets verkeerds zeggen. Hij heeft hard gewerkt voor zijn brood. Hij wilde niet leven op kosten van anderen.
Nu Paulus dit naar voren heeft gebracht kan hij schrijven: 'Wil iemand niet werken, dan zal hij ook niet eten.' We moeten niet menen dat Paulus hier iets over het positieve van werken zegt, dat we hieruit een regel kunnen afleiden in de zin van: werken doe je om te eten. Het gaat hier om de consequenties van het niet werken, of beter gezegd, van het moedwillig niet willen werken, terwijl je het wel kunt. De consequentie is dat je dan ook niet zult eten. Je zult dan tevergeefs aankloppen bij de diaconie, want die mag je geen geld of eten geven.

Waarom moeten we werken als het kan? Dat is de orde van de maatschappij. Zoals van ons ook verlangd wordt om ons te onderwerpen aan de overheid. Maar er is meer. Zo heeft de HERE het gewild. Het gewone werk mogen we zien als een dienst jegens de HERE en hulpbetoon jegens de naaste. Het geloof is niet alleen gereserveerd voor de zondag. We hebben de opdracht om de aarde te bewerken, en we dienen dat te doen vanuit ons geloof, in afhankelijkheid van de HERE, in een dienen van Hem en onze naaste. En wie niet wil werken terwijl de mogelijkheden ruimschoots voorhanden zijn? Kan de gemeente daar iets van zeggen? Ja, zeker. Daarmee wordt onze tekst ook besloten. In vers 6 wordt het trouwens al duidelijk naar voren gebracht. 'Maar wij bevelen u, broeders, in de naam van de Here Jezus Christus, dat gij u onttrekt aan elke broeder, die zich ongeregeld gedraagt'. Niet zomaar een paar woorden van Paulus. In de naam van de Here Jezus Christus. Het is zijn wil om je niet ongeregeld te gedragen. In de verzen 14 en 15 wordt dit verder uitgewerkt. 'Als iemand niet luistert naar wat wij door onze brief zeggen, tekent hem en gaat niet met hem om, opdat hij beschaamd worde; houdt hem echter niet voor een vijand, maar wijst hem terecht als een broeder.' De gemeente moet de bewuste broeder tekenen. Wat daar preeles mee bedoeld wordt is niet geheel duidelijk. We kunnen denken aan het plaatsen van de namen van de bewuste gemeenteleden op een zwarte lijst, die werd voorgelezen. De gemeente weet dan dat ze zich niet mag inlaten met dergelijke broeders en zusters.
Het gaat om de heiligheid van de gemeente en de onbesprokenheid van de gemeente in de wereld. De broeder die afwijkt zal op broederlijke manier terechtgewezen moeten worden. Er blijft een broederlijke band: 'houdt hem echter niet voor een vijand, maar wijst hem terecht als een broeder.' Wij zouden niet direct hebben verwacht dat als iemand bewust niet werkt hij onder de censuur komt te staan. Moedwillig niet werken is ook een zonde, ook al hadden de broeders in Thessalonica er misschien een aardige redenering voor bedacht. De wederkomst is er nog niet. Tot die tijd zullen we onze cultuuropdracht moeten blijven uitvoeren. Het gewone werk en het werk in de gemeente dienen samen te gaan. Dan doen we wat de HERE van ons vraagt.
Soms kan het moeilijk zijn, soms kan het heel zwaar zijn. Maar Paulus roept ons op in vers 13: 'En gij, broeders, wordt niet moede te doen wat goed is.'

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief