Vergeving der zonden: hart van het evangelie
1994-10-07
Verlies van zondebesef- Jaargang 38
- nummer 20
De christelijke gemeente is een gemeenschap die leeft van de vergeving der zonden. Zonder vergeving zou de kerk niet kunnen bestaan en is waarachtig leven onmogelijk. Nu is er met het woord 'zonde' ontzaglijk veel geknoeid, zoveel dat velen het vandaag niet meer kunnen horen en beginnen te steigeren als ze met dit woord geconfronteerd worden. Er zijn zoveel dingen zonde genoemd, die het in werkelijkheid niet waren, dat het woord onvermijdelijk weerstanden ging oproepen. Anderzijds hebben we in onze tijd te maken met het verdwijnen van het zondebesef. De moderne mens voelt zich niet meer zondig. Natuurlijk weet hij wel dat hij fouten maakt, maar dat is iets heel anders dan zonde, want het heeft volgens hem niets met God te maken. In heel de bijbel is weet hebben van zonde en schuld heel essentieel. De mens is zondig. Hij kan alleen maar leven als zijn zonden verzoend worden. Christus i's dan ook het Lam van God dat de zonden der wereld wegneemt.
De God van de bijbel is een God die de zonden vergeeft. Dat is typerend, karakteristiek, voor Hem.
Dit hart van het evangelie heeft alles te maken met het feit dat wij zondige mensen zijn. Het grote thema dat God onze zonden vergeeft en dat Christus voor onze zonden gestorven is, hangt onlosmakelijk samen met onze zondigheid.
Neem de zonde weg en het evangelie verliest zijn spits. Dat is ook een van de redenen waarom het evangelie velen niets meer te zeggen heeft: ze zien zichzelf niet meer als zondig. Dan weet je ook geen raad meer met een God voor wie vergeven karakteristiek is. Dan verliest God zijn contouren en zijn realiteit voor je. In het gunstigste geval verbleekt Hij dan tot een kleurloos Opperwezen, een onbestemde Macht. En Christus' dood verschrompelt dan tot een brok menselijke tragiek en lijden. Natuurlijk vind je dat nog wel erg, precies zoals je het erg vindt als in Bosnië of waar dan ook mensen en kinderen worden afgeslacht. Maar dat Christus voor jou gestorven is, dat Hij de marteldood stierf om jouw zonden te vergeven en dat zijn dood dus alles met jouw leven vandaag te maken heeft, komt dan allemaal in de lucht te hangen en heeft je niets meer te zeggen.
Moralisme en wetticisme
Dat zit eraan vast als een mens zijn zondebesef verliest. Dan raakt hij God en Christus en het evangelie kwijt. Je zonden kennen is een noodzaak. Maar dan is het wel wezenlijk dat we het woord 'zonde' bijbels inkleuren. Maar al te vaak is het omgebogen naar moralisme en is er heel wat kleinburgerlijkheid en benepenheid aan vastgeklonterd.
Dat was ook het geval in Jezus' dagen. Volgens de leer van de Farizeeën was je een zondaar als je de potten en pannen niet ritueel waste vóór de maaltijd, als je je handen niet waste voor het eten, als je het huis van een niet-Jood binnenging of als je op de sabbat twee stappen teveel deed. Daardoor kreeg hun spreken over zonde een heel ander karakter dan in het Oude Testament en verzandde het in wetticisme en formalisme. Waar dat het geval is, ziet men ook de mens niet meer. Daar ziet men alleen schendingen van de wet, van de tradities en van de regels. Daar maakt men zich alleen druk om wat er gedaan is en niet om wie het gedaan heeft. Daar ziet men de dader niet meer als een broeder of zuster, niet meer als naaste, maar als een stuk vuil waar je je neus voor dichtknijpt. Daar vallen woorden als 'tuig' en wat dies meer zij. Geen wonder dat de tollenaars en hoeren hard bij hen wegliepen. Bij Jezus was dat anders. Ook Hij sprak over zonde, maar niet op een wettische manier. Hij noemde de zonde ook wel bij de naam, maar was niet meedogenloos. In zijn liefde zócht Hij de mens die zondigde.
In de ruimte
Hij wist precies hoe de samaritaanse vrouw die Hij ontmoette bij de put van Sichar (Joh. 4), leefde, hoeveel mannen ze had gehad (5) en dat ze nu met een andere man ongehuwd samenwoonde.
De mensen in Sichar wisten dat uiteraard ook en lieten haar daarom links liggen. Ze minachtten haar. Het was niet meer dan logisch dat zij hen ontweek, hen zoveel mogelijk probeerde te ontlopen en daarom water ging putten op het heetst van de dag, op een tijdstip waarop ze, naar ze wist, geen andere vrouwen uit het stadje bij de put zou ontmoeten. Daar treft ze dan Jezus. En Hij blijkt alles van haar te weten. Echt alles. Maar Hij trekt zich niet terug in een afwerende, kille houding. Hij zoekt haar. Hij ziet in haar een mens die bevrijd moet worden van de schuld die ze meesleept.
Jezus is niet gekomen om zondaren te minachten, maar om hen op te zoeken.
Hij is niet gekomen om zijn neus voor hen dicht te knijpen, maar om hun zonden te vergeven en hen in de ruimte te zetten. Als de joodse leiders bij Hem komen met een verloofd meisje dat op overspel betrapt is (Joh. 8:2-11), keert hij zich niet vol walging van haar af. Hij gaat niet aan de kant van de leiders staan, die in haar alleen maar een verachtelijk en verwerpelijk creatuur zagen. Hij wijst hen erop dat ook zij met hun uiterlijk zo keurige en onberispelijke leven schuldig staan en alleen maar kunnen leven van vergeving. En dan zegt Hij tot het meisje: Ik veroordeel je niet. Wat je gedaan hebt, was zonde. Maar die wordt je vergeven. Ga heen, zondig niet weer.
Geen eisen of voorwaarden
Die laatste woorden zijn niet bedoeld als een harde eis. Zo worden ze wel vaak gelezen. Dan zien we Christus daar staan, gereserveerd en op afstand, en Hij zegt streng: voor deze keer zal Ik het nog door de vingers zien, maar denk erom, laat het niet '!eer gebeuren, want als het nog eens gebeurt, kom je er niet zo gemakkelijk van af.
Maar zo lezen we het helemaal verkeerd. Want vergeven is iets anders dan door de vingers zien. Het is iets anders dan je ogen even dichtknijpen en doen alsof er niets gebeurd is. Bij vergeving verdoezel je niets, bagatelliseer je niets en wordt er niets over het hoofd gezien. Wie iets door de vingers ziet, tilt er niet zo zwaar aan. Hij neemt het niet serieus. Maar God en Christus hebben er wel zwaar aan getild. Christus heeft zo zwaar aan onze zonden getild, dat Hij ervoor aan het kruis gegaan is. Als God onze schulden door de vingers gezien had, was zijn dood niet nodig geweest. Juist omdat ze zo serieus genomen zijn, konden ze niet door de vingers gezien worden en moesten ze echt vergeven worden.
Zo was het ook met dat verloofde meisje. Als Jezus zegt: "Ik veroordeel je niet", bagatelliseert Hij niet wat ze gedaan heeft, maar Hij stelt haar in de vrijheid, in de ruimte. Hij neemt haar reële schuld van haar af. Dat is vergeving.
En als Hij dan zegt: "zondig niet weer", is dat geen harde, onverbiddelijke eis. Maar het betekent: Ik heb je in de ruimte gezet. Je mag nu leven in het klimaat van de vergeving. Loop daar nu niet weer uit vandaan, de barre woestijn van de zonde weer in. Het gaat Christus om haar. Hij stelt geen eisen of voorwaarden, maar geeft haar zomaar, onverdiend, het leven. En als Hij dat gedaan heeft, bindt Hij haar op het hart: zorg er nu voor dat je dat leven niet weer kwijtraakt.
Leven zonder God
Dat is vergeving. Het is mensen weghalen uit de woestijn van de zonde, uit het gebied waar de dood heerst, en hen overplaatsen in het leven. Zonder vergeving is er geen werkelijk leven. Dat zegt Gods Woord luid en duidelijk. Nu hebben we al even gezien, dat wie zijn zonden niet meer ziet, ook zijn zicht op God als een vergevend God kwijtraakt. Het omgekeerde is ook waar. Wie God kwijtraakt, verliest ook het besef van wat zonde is. Voor wie God niets meer voorstelt, is ook de zonde geen realiteit meer. Want zonde is ten diepste niet een incidentele overtreding van een regel en een wet. Dat is er natuurlijk wel een kant van, .maar het is niet het diepste wat je ervan zeggen kunt. Zonde is in de grond van de zaak een levenshouding: leven zonder God. Dat kan zich op allerlei manieren uiten: in een tegen Hem ingaan, in een Hem negeren, in een je eigen meester willen zijn. Omdat dat de kern van de zonde is, veroorzaakt ze een breuk met God en brengt ze verwijdering tussen God en mens. En dat betekent de dood, want de dood is ten diepste dat de levensgemeenschap met God is doorgesneden. Wie God niet meer kent, kan ook niet meer zien wat zonde werkelijk is. En wie niet meer weet wat zonde is, weet ook niet meer wat vergeving en verlossing inhouden. Alles hangt hier met elkaar samen en grijpt op elkaar in als de tandwielen van een uurwerk. Er bestaat tussen dit alles een wederzijdse wisselwerking. Naarmate God uit iemands leven verdwijnt, in die mate zwakt ook het zondebesef af. En naarmate de bijbelse dimensie van het zondebesef verloren gaat, in die mate versmalt de verlossing zich steeds meer tot een horizontaal, politiek en sociaal verschijnsel. Want waar God de grote afwezige is, blijft er voor de mens niets anders over dan zijn heil uitsluitend te zoeken in het horizontale vlak.
Hart van de verlossing
We zitten hier middenin een moderne problematiek. Velen laten in onze tijd de verlossing opgaan in politieke en maatschappelijke bevrijding. Natuurlijk zijn dat geen onbelangrijke zaken in deze wereld. Maar een louter politieke of maatschappelijke bevrijding is nog geen verlossing in de bijbelse zin van het woord. Want een dergelijke bevrijding staat nog los van de vergeving der zonden en van het herstel van de levensgemeenschap met God.
Maar die staan bij de bijbelse verlossing juist centraal. Waar die kern, de vergeving, ontbreekt en geen rol speelt, is geen sprake van een werkelijke verlossing. Het verhaal van de verlamde die door zijn vrienden met touwen door het dak werd neergelaten voor Jezus' voeten, is bekend (Luc. 5:18vv). Deze mensen kwamen onmiskenbaar voor genezing.
Voor hen bestond de verlossing van de verlamde in het bevrijd worden van zijn ziekte. Maar Jezus laat zien: dat is nog niet de werkelijke bevrijding. Als deze man alleen maar genezen wordt, is er nog niets wezenlijks gebeurd.
Zijn grootste kwaal bestaat in zijn zonden, in zijn van God vervreemd zijn. Daarom zegt Jezus tegen hem: je zonden zijn je vergeven. En dat betekende zijn werkelijke bevrijding, het echte herstel van zijn leven. Dat wil niet zeggen dat zijn lichamelijke toestand er niet meer toe deed. Dat misverstand snijdt Jezus af door te zeggen: sta op. Maar die genezing kreeg pas haar wezenlijke waarde binnen het raam van de vergeving. De boodschap van de vergeving is het hart van de verlossing. Die vergeving is er in Jezus. Jezus ziet in ieder die bij Hem komt, niet een stuk vuil waarvoor Hij zijn neus ophaalt, maar een mens die Hij wil verlossen en in de ruimte van de levensgemeenschap met God wil zetten.