De weg kwijt?
1994-11-04
Ben je sportjournalist? Hoe kun je als christen leven in dat wereldje? Dat heeft toch niets met geloof te maken? Ga je zelfs op zondagmiddag naar de tennisbaan? Hou je mond dan maar, want dan sluit ik de deur. Dat is de houding, waarop ik nog wel eens stuit bij trouwe Christenen. Hier een verhaal uit de praktijk van een christen die sportjournalist is.- Jaargang 38
- nummer 22
Ik ging als freelancer naar het voorweekend van Rosmalen. Omdat de betere spelers dan nog niet in actie zijn, is dat voorweekend het meest geschikt om ongehinderd contact met spelers te hebben. Op zaterdag had ik iets anders te doen, maar ik ging op zondagmiddag, na kerktijd. Op weg erheen bad ik dat God mij zou kunnen gebruiken. Ik had geen idee welke spelers er in het voorweekend zouden zijn. In de voorgaande twee jaar had ik een paar christen-tennissers ontmoet.
Ik wist dat ze bij grote toernooien bij elkaar kwamen voor bijbelstudie, maar bij kleine toernooien als dit, was dat niet zo. Van voorgaande jaren wist ik, dat het hun goed zou doen, andere gelovigen te ontmoeten. Zo kun je elkaar opbouwen. Maar misschien waren ze er nu niet. Ik vroeg de Here me te leiden, naar wie dan ook. Ik had geen idee waar ik een goed verhaal vandaan zou halen, maar meestal vond ik dat ter plekke, vaak werd het als het ware aangereikt.
Toen ik er was en de lijst van deelnemers zag, ontdekte ik maar weinig bekende namen. Tot mijn teleurstelling zat het groepje christenen op een toernooi in Engeland.
Wat te doen dan? Bijna ging ik naar huis, om naar de tweede kerkdienst te kunnen, toen ik een interessante wedstrijd in het dubbelspel zag. Een van de spelers was een Oekraïner. Dimitri Poliakov. Ik zocht informatie over hem in de spelersgids. Hij bleek afgestudeerd te zijn in Russische literatuur en hij hield van klassieke muziek: Hij las graag, stond er. Anton Tsjechoven James Joyce hoorden tot zijn favoriete schrijvers. Bovendien had hij het op Roland Garros, het grote tennistoernooi van Frankrijk, tot de tweede ronde gebracht, waar hij in een 5-setter nipt van Vasek verloor. Mijn aandacht werd door hem getrokken. Dat was een interessante speler om een verhaal over te schrijven. Ik vroeg me af of zijn doelen op het gebied van literatuur of van tennis lagen. Hoe hij de twee combineerde, en waarom. In 1989werd hij al prof tennisser, en zijn studie maakte hij in 1992af. Ik zei hem na de wedstrijd dat ik graag met hem wilde praten. Hij zei dat hij de volgende dag daar wel te vinden zou zijn. Ik ging naar huis. O.k., ik had een interview, maar moest goed overdenken welke vragen ik zou stellen. Ook daarbij vroeg ik om hulp. Ik wilde een tennisser aan het woord laten die met meer dan tennis bezig is of was, o.a. over de combinatie met studie. In hoeverre literatuur verrijkend is, hoe hij naar de wereld kijkt, waarom hij tennist, wat het doel is in zijn leven. Of hij gelooft. Welke plaats tennis heeft in z'n leven, hoe dat in verhouding staat met de andere dingen.
De volgende dag is het regenachtig. Niemand kan spelen en de tennissers zitten in een tent te wachten. Omdat de perschef niet precies weet wie Poliakov is, vraag ik Jacco Eltingh, die het perscentrum in- en uitloopt, of de Oekraïner tijd zou hebben voor een interview. Jacco komt even later terug met Dimitri. In zijn had houdt hij het boek waarin hij heeft zitten lezen: Honoré de Balzac. Het interview loopt nogal anders dan ik had verwacht. De helft van wat hij vertelt mag ik niet opschrijven.
Nu blijkt, hoe belangrijk voor Dimitri dit toernooi is. Zijn coach is in Duitsland achtergebleven. Hij is alleen, heeft bewust de rust gezocht om te denken. Want hij stelt vragen bij wat hij doet. Op deze manier, dat hij niet honderd procent op het tennis is gericht, wil zijn coach niet met hem verder gaan. Hij moet beslissen of hij zich helemaal met het tennis zal bezighouden, twijfelloos. Als hij denkt dat hij niet hoeft te veranderen, houdt zijn coach het wat hem betreft voor gezien. Deze week wil hij een beslissing nemen. De belangrijkste beslissing, zegt hij, die hij ooit heeft genomen.
De examinatoren hebben niet zo nauw gekeken bij de slotexamens Russische taal, zegt hij over z'n studie. Hij heeft wel Russische en buitenlandse literatuur, filologie en historische letterkunde gedaan. Lezen deed hij graag.
"Ik leef dan helemaal in het boek, ik wil begrijpen hoe de hoofdpersonen leefden, waarom ze dingen deden ... Ik voel bijna hoe alles was. Deze studie vond ik fijn, omdat het je een bredere blik geeft. Veel geschiedenis, dat vind ik interessant."
In het tennis is zijn neiging om over alles na te denken een groot nadeel.
"Op de baan moet je niet nadenken. Als ik niet zoveel zou denken zou ik beter spelen. Ik aarzel teveel."
Als ik vraag wat zijn doel is, of dat in het tennis ligt of in de literatuur, blijk ik de kern van het probleem te raken. "Ik heb geen doel. Vroeger misschien wel. Ik weet niet meer wat mijn doel is.
Ik ben gaan tennissen, omdat ik er al zoveel tijd ingestoken had. Het lag voor de hand. Maar ik weet ook niet wat mijn doel toen was. In elk geval zwem ik nu een beetje, wat zeg ik, als een drol in een rioleringspijp." Hij kijkt mistroostig.
Maar je hebt toch ook eens besloten literatuur te gaan studeren? vraag ik. "Dat heeft mijn vader besloten." Hij legt uit: "Mijn vader is een beroemd chirurg. Daarnaast geeft hij les in Kiev, aan een instituut waar alle chirurgen regelmatig worden nageschoold. Ook mijn zus heeft medicijnen gestudeerd, en ik ben ook begonnen aan de vooropleiding, die 9 maanden duurt. Na zes maanden zei m'n vader dat ik beter talen kon studeren om vertaler te worden ofzo, omdat het te moeilijk zou zijn voor mij. Hij had gezien hoe m'n zus avond na avond zat te blokken. Ik ben altijd goed geweest in wiskunde, biologie en anatomie, maar hij had de ervaring. Hij zal wel gelijk hebben gehad. Ik heb andere talen geleerd, Engels en Duits, maar Duits vind ik niet mooi. Ik had dat simpel opgepikt, nooit de grammatica geleerd. Hij wilde dat ik Engels zou leren, maar ik wilde graag schrijven, eerst de grammatica van m'n eigen taal goed kennen. Daarom ben ik Russisch gaan studeren. Ik wilde ook beginnen met Maleisisch, maar liever leer ik eerst Frans en Italiaans. Ik heb journalist willen worden, maar nu niet meer. Wel wil ik graag schrijven. Ik heb dat nog niet gedaan. Misschien ben ik te moe om het serieus te proberen. Misschien durf ik het niet.
Mijn vader zei dat hij meer schreef dan ik. Omdat hij allerlei lezingen gaf die hij schreef. Op zijn terrein heeft hij veel geschreven. Maar alle belangrijke beslissingen heeft mijn vader eigenlijk voor me genomen. Wat mijn vader nu van me vindt? Dat is niet zo goed. Hij houdt wel van me hoor, maar hij zei. .. nee, dat kan ik beter niet zeggen."
Hij vertelt dat hij bij de afwegingen die hij nu maakt: doorgaan of niet?
voortdurend denkt aan wat zijn vader ervan vindt. Dat dat het moeilijk maakt, te beslissen. Hij zal er achter moeten komen wat hij zelf wil. De factoren die verder een rol spelen zijn, dat hij een vrouwen een zoontje heeft - die eindelijk een visum voor Duitsland hebben gekregen, waar ze zijn gaan wonen - voor wie hij verantwoordelijk is. Dat hij zo perfectionistisch is, dat hij alles wat hij doet 100 procent wil kunnen, anders heeft het geen zin. Dat er mentaal volgens zijn zeggen iets niet goed zit, waardoor hij 'dat beetje extra' wat voor toptennis nodig is, niet heeft. Maar als hij stopt, weet hij niet wat hij dan zou moeten doen. Bloemen lijken hem wel wat, maar hij zegt: "Ik ben er nog te jong voor. Ik heb iets nodig om mijn energie kwijt te raken."
Ik wil weten wat hij over zichzelf zou schrijven als journalist. Hij zegt: "Een heel klein stukje ... of een heel lang verhaal."
"De problemen die ik heb hangen ermee samen, dat ik in de realiteit veel zie dat tegen mijn moraal ingaat.
Ik weet niet wat ik ermee aanmoet. Ik weet niet wat ik doen moet. Misschien ben ik te zacht om in deze tijd te leven."
- Heb je de bijbel wel eens gelezen? wil ik weten. Ik heb een Russisch exemplaar in m'n tas, dat hij hebben mag, maar hoewel hij hem opent en even geboeid raakt door wat hij daar ook leest, slaat hij het aanbod af: hij heeft thuis een bijbel.
"Ja, niet helemaal, maar gedeelten. Maar niet om er antwoorden te zoeken.
Vooral omdat ik geïnteresseerd ben in de manier waarop de mensen toen leefden, in hun moraal. Maar ik geloof niet in die God. Die kan ik niet bewijzen. Ik geloof in mijn god... Het is denk ik ook heel moeilijk om de moraal van toen in deze tijd over te plaatsen. De hele cultuur is veranderd. Ik weet wel, de bijbel is niet veranderd, maar het is haast niet mogelijk om het in praktijk te brengen." Ik heb dus niets om hem mee te bemoedigen.
Toch praat ik met hem door over het evangelie. Ik zeg dat Christus mijn zonden heeft weggedaan. Hij vraagt wat die zonden dan zouden moeten zijn. "De grootste zonde", zeg ik, "is dat de mensen hun Schepper niet geven wat Hem toekomt. Dat ze hem negeren". "Maar hoe kun je hem dan kennen? Hoe weet je dat nou?" Het enige wat ik kan doen, is zijn vragen beantwoorden: Hoe kon iemand bewijzen dat Jezus God is, dat deze God echt is. Ik zei hem dat er geen wetenschappelijk bewijs te geven is, zoals ik ook geen bewijs kon geven dat mijn vader leeft, maar ik wist dat hij er was omdat ik hem ken, zoals ik weet dat God er is, omdat ik Hem ken.
"Iedereen wil me nu adviseren. Maar wat ik ga doen weet ik nog niet. Waarschijnlijk iets wat niemand verwacht.
Of het nu goed is of verkeerd, ik doe waarschijnlijk iets wat niemand heeft gezegd ... als ik dan nog leef." Hij zegt het op de valreep. Opstaand om weg te gaan.
"Je maakt geen eind aan je leven, hoor!"
Hij lacht niet. "Je hebt een zoon, die jou wil kennen."
Stilte. "Ik wens je het beste. Dat je eruit komt. Gelukkig zult zijn. Bedankt voor je tijd."
Ik heb God gevraagd me te leiden naar iemand om te interviewen. De helft van wat hij vertelde mag ik niet schrijven. Ik had wat anders verwacht. Maar ik vertrouw dat het gesprek zo niet voor mij, dan toch voor hem nuttig bleek.
De volgende dag zat ik op de vrijwel lege tribune toen hij z’n eerste rondepartij speelde. Zonder zelfvertrouwen.
Verdwaald. Aanmoedigingen hielpen maar weinig. Aan 't begin van de tweede set kwam hij met gebogen hoofd de baan op. Ik keek naar hem en strekte m'n rug. Hij zag het gebaar en rechtte zijn rug ook, hief het hoofd.
Een paar goede services volgden, maar bij de eerste fout zakte hij weer terug. Wat ik ook riep, het baatte niet.
Hij verloor. Toen hij de baan verliet, keek ik naar hem en vroeg met een gebaar of het mentaal niet goed had gezeten. Hij verzuchtte: "Ik weet het niet. Bedankt in elk geval voor de steun." Ik zag hoe ellendig hij zich voelde. Ik had niets voor hem kunnen doen. Ik had gebeden, in de tweede set: ,,O Here, help deze jongen, wat er ook gebeurt, leid hem op de eeuwige weg."
Ik vergezelde hem op weg naar de spelerslounge. Hij leek gedeprimeerd en zei dat hij het beste maar naar huis kon gaan. Ik kon niet veel zinnigs zeggen, vroeg of hij goede vrienden had onder de spelers, noemde de naam van een gelovige tennisser en zei: "Hij is een goed mens." In de auto terug bad ik voor hem. "Here, help hem, red hem!" Toen besefte ik dat dat was wat God wilde. Omdat de liefde, de erbarming die ik voelde nooit van mezelf konden zijn.
Het moest de liefde van Christus zijn. Hij kende Dimitri en had mij gezonden om hem Zijn liefde te laten zien. Als God mij vroeg met hem te praten, dan moest Hij een plan voor Dimitri hebben.
Hoe machteloos ik me ook voelde, hoe onmogelijk het leek om hem de weg te wijzen, God kon toch gebruiken wat ik Hem had toegewijd. Zelfs een detail kon Hij gebruiken als een element van de weg die deze jonge man tot Christus kon leiden. Dimitri vertrok naar Wimbiedon, in een kwalificatiepoging. Ik moest hem weer loslaten. Misschien hoor ik nog eens, hoe het met hem gaat, misschien ook niet. Als ik aan hem denk, is mijn denken een gebed. Zoals het dat is voor meer mensen, waaronder een groot percentage sporters.
"Hoe kun je nu sportjournalist zijn, hoe kun je leven in dat wereldje?" De vraag is misschien niet in een paar woorden te beantwoorden. Maar ik weet dat Gods liefde ook van de sporters groot is, dat Hij mij wil gebruiken als ambassadeur. Dat ik dit werk alleen kan doen als ik volledig Gods heerschappij over mij aanvaard, als ik die zelfs zoek.