Meedoen met Liedboek-2000? (3)

1994-05-20
  • Jaargang 38
  • nummer 10
'Zingend geloven, bijdragen tot de ontwikkeling van het nieuwe kerklied'

Wegwerpliedcultuur?
Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat de dichters soms zó hun best doen om origineel te zijn, dat hun liederen iets bizars krijgen. Het maakt groot verschil of je een gedicht opstuurt naar 'Woordwerk' om er de fijnproevers mee te plezieren die elk ogenblik iets 'nieuws' willen proeven, of dat je een lied voor regelmatig gebruik legt op de tong van een zingende gemeente. Hoe 'origineler', hoe gezochter, hoe gekunstelder een lied is, des te groter kans maakt het om binnen korte tijd te zijn 'stukgezongen'. Ik heb wel eens horen voorspellen dat binnen enkele tientallen jaren niemand nog de liederen van Huub Oosterhuis zingt: daarvoor zijn ze te uitdrukkelijk een produkt van deze tijd. Ik verwacht dat het met de grote stroom van liederen in 'Zingend geloven' precies zo zal gaan. Het is in wezen wankele poëzie, die niet genoeg ruggegraat bezitom kerklied te worden.
Ze zullen razendsnel verouderd zijn.
Omstreeks het jaar 2005 zal de Verenigde Protestantse Kerk toe zijn aan een Liedboek 2025. Ik vrees dat de ene stroom liederen voortdurend zal worden afgewisseld door een volgende stroom. Daarmee komt het kerkelijk lied in hetzelfde proces terecht als waarin het 'Opwekkingslied' zich al jaren bevindt: snel geschreven teksten op snelle wijzen worden gauw opgepikt, snel stukgezongen en vlug vervangen door even snelle of snellere (waarbij ik inschat dat wat de melodieën betreft 'Zingend geloven' meer blijvertjes zal opleveren dan 'Opwekking'. Ik ben dichter, geen musicus, maar ik heb de indruk dat in 'Zingend geloven' de melodieën meer kwaliteit hebben dan de teksten). Een beetje experimenteren met liederen in de kerkdienst is niet zo erg, maar de kerk moet geen broedplaats worden van wegwerppoëzie.
Nu is een dergelijke ontwikkeling nog niet zo heel dramatisch, wanneer men vroeger of later weer kan terugvallen op de liederenschat van de Kerk der eeuwen met zijn vele 'evergreens'.
Maar dan moet die liederenschat wel voorhanden zijn. Wanneer Liedboek-2000 een produkt wordt van het onhistorische denken van de huidige generatie door drastisch het mes te zetten in het klassieke kerklied, snijdt het een volgende generatie af van een belangrijke bron: het geloofslied van ons voorgeslacht. Een kerkelijke liedbundel moet niet te gedateerd zijn!

Kaarsvers
Tot slot wil ik een vers van André Troost citeren. Het is gez. 20 uit het vierde deeltje van 'Zingend geloven'.
Ds. A.F. Troost schreef vele gezangen, waaronder prachtige bijbelliederen, voor de Chr. Geref. bundel Schriftberijmingen en de klassiek-gereformeerde bundel Uit aller mond. Zelf houd ik het meest van zijn bijbelberijmingen waarin hij in heldere kleuren de Messiaanse toekomst beschrijft. Ze zijn door en door Schriftuurlijk. In het tweede deeltje van 'Zingend geloven' zijn enkele van die liederen overgenomen (170, 171), maar in de latere deeltjes vind je een heel ander genre, zoals dit vers van zijn hand:

Brandend van verlangen,
witte toorts van licht,
midden in een lange
doodsnacht opgericht.


Keervers:
Kaars van God gegeven,
schitter in dit uur,
Christus, wees ons leven,
wees ons vreugdevuur.

Duister zijn de dagen,
donker is de tijd,
haast niet te verdragen
wat ten hemel schreit -
keervers...

Waakvlam van de vrede,
wachter in de nacht,
vuurkolom die heden
waakt en op ons wacht -

keervers...

Fakkel van verzoening,
druipend uit de doop,
recht naar Gods bedoeling,
breekbaar als de hoop -
keervers...

Hunkerend naar boven
smelt Gij aan de vlam,
sterft Gij zienderogen,
korte, stompe stam -
keervers...

Licht dat uit de doden,
uit de nacht verrijst,
vlam die niet te doven
naar de dag verwijst -

keervers...

Brandend van verlangen
toont Gij Gods gezicht:
liefde, onbevangen,
vrolijk levenslicht!
keervers...

In dit vers, dat begrijpelijker en naar mijn gevoel ook dichterlijker is dan dat van Wim Pendrecht, lijkt de poëzie haast doel in zichzelf te zijn. Ik bedoel niet dat het de dichter niet om Christus zou gaan (natuurlijk gaat het om Hem), maar hij steekt al zijn energie en creativiteit in het zo consequent en zo breed mogelijk uitwerken van één beeld: licht, toorts, kaars, vreugdevuur, waakvlam, vuurkolom, fakkel, stompe stam van een kaars, opnieuw licht, opnieuw vlam, en tenslotte vrolijk levenslicht! Daardoor is een 'volmaakt' gedicht ontstaan, waarmee men een literair tijdschrijft als 'Maatstaf' zou mogen feliciteren. Maar een zingende gemeente wordt door dat overvloedige gebruik van beelden afgeleid. Dit is poëzie die zoveel aandacht voor zichzelf vraagt, dat het de aandacht van de zangers eerder van Christus en zijn werk afleidt dan dat het naar Hem toeleidt. Als het om kerkzang gaat, moeten we altijd het verschil in het oog houden tussen leespoëzie, waarvan je de woorden, lezend en herlezend, om- en omkeert, ze telkens van een andere kant bekijkend, én 'gebruikspoëzie' (een lelijk woord), waarin de zangers zich rechtstreeks op de Here God en op Christus richten.
Daar komt bij dat ik het zou ervaren als gebrek aan eerbied, wanneer ik mijn Heer in de hemel zou toezingen als 'Kaars van God gegeven', 'Fakkel van verzoening, druipend uit de doop' en vooral: 'korte, stompe stam' (De laatste twee beelden hebben iets bizars).
Ik heb altijd al moeite met het toezingen van Christus alsof Hij nog de lijdende knecht zou zijn, met die overmatige nadruk op het zwakke en machteloze van de Mensenzoon, waar b.v. de liederen van Huub Oosterhuis van doordrenkt zijn - maar als dat dan ook nog gebeurt met uitdrukkingen als 'korte, stompe stam', breekt mijn stem af. Nu weet ik wel dat André in de volgende strofe zingt van 'Licht dat uit de doden, uit de nacht verrijst', maar toch kan de voorgaande strofe niet over mijn lippen komen. Ook voor zijn discipelen die Hem nog kenden als de lijdende knecht, wat Hij 'Meester'.

Vrij van theologie?
Het is de vraag of André Troost dit gedicht heeft geschreven met de bedoeling dat het kerklied zou worden, maar het is tekenend voor de samenstellers van 'Zingend geloven' dat zij dit 'kaarsvers' hebben opgenomen en zoveel mooiè, door en door Schriftuurlijke, bijbelliederen van dezelfde dichter tot nu toe hebben laten liggen. Ik denk aan zijn liederen vol toekomstverwachting, die we aantreffen in de bundels 'Schriftberijmingen' en 'Uit aller mond' en die bij allerlei gelegenheden binnen de gereformeerde gezindte met enthousiasme worden gezongen.
Ik noem uit de bundel 'Uit aller mond' de nrs. 107 (Het dorre land zal juichen), 146 (Jeruzalem, zo zegt de Heer), 150 (Wie zijn het die daar komen?), 185 (Ik zag een nieuwe Jeruzalem) en 187 (Zing vrolijk,O mijn volk, mijn eigen bruid) en uit 'Schriftberijmingen' nr. 27 (Bezingt Gods lof als nooit tevoren). In 'Zingend geloven' treffen we slechts één van deze gezangen aan (nr. 170 in het 2e deeltje).
Mijn hart bloedt bij de gedachte dat déze liederen voor de Ned. Geref. kerkzang verloren zouden gaan, terwijl we anderzijds een groot aantal vage poëtische of quasi-poëtische teksten te zingen zouden krijgen - en dat alles tengevolge van het feit dat we het lot van onze gemeentezang hebben opgehangen aan het initiatief van de 'grote' kerken.
De theologie mag niet meer heersen over de poëzie, dat is de nieuwe norm.
Maar zijn de samenstellers en dichters van de bundeltjes 'Zingend geloven' zelf 'vrij van theologie'? Ik meen van niet. Poëzie is nooit 'waardenvrij', het kerklied is nooit vrij van 'geloofskeuzes'. Uit de keuze van de teksten in 'Zingend geloven' blijkt in welk geestelijk klimaat ze kunnen gedijen.
Dat is een totaal ander klimaat dan b.v. in de Ned. Geref. Kerken, de Chr. Geref. Kerken en de Vrijg. Geref. Kerken heerst. In de volgende aflevering ga ik daar dieper op in: 'Horizontalisme of behoud van het reformatorische kerklied?' Dan hoop ik ook tot een afronding te komen, én met een alternatief.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief