Kinderen en avondmaalsonderwijs (2)
1994-11-18
Afstand kind-volwassene- Jaargang 38
- nummer 23
De leidende gedachte in dit betoog is, dat onze kinderen betrokken dienen te worden bij de viering van het heilig avondmaal. Zoals zij dat ook werden bij het Pascha. Betrókken, zei ik, maar (nog) niet deelnemen in de zin van áángaan en de tekens en zegels van brood en wijn in ontvangst nemen. Vergelijking van het avondmaal met het Pascha leerde ons nu juist dat er óók bij het Pascha een zekere afstand bestond tussen de vader en de zoon. Deze afstand zou ik niet willen typeren als een intellectueel niveauverschil. Hoewel de vraagstelling van de zoon aan de vader ("Wat hebt gij daar voor een dienst?" SV) aangeeft, dat de vader meer kennis heeft van de daden Gods. Maar afgezien daarvan zou ik deze afstand liever karakteriseren als een verschil in gelootsgroei. Opgroeien als kind van de hemelse Vader betekent immers ook opwassen in geloof. Het onderwijzen in de 'voorzeide leer' is dáár op gericht (Doopformulier). Deze groei kent ook een duidelijk markeringspunt in de openbare geloofsbelijdenis als publiek antwoord van Gods kind op het Woord van de HERE.
De bediening van de verzoening
Maar worden de kinderen bij het avondmaal intussen toch niet in de 'wachtkamer' gezet? "Jullie mogen nóg niet, maar over een aantal jaren wèl; wacht dus maar rustig op jullie beurt"? Zeker niet. In de dienst van Gods volk behoren zij er helemaal bij. Alleen dan wel als kinderen. Gelukkig worden de kinderen in de kerk(dienst) tegenwoordig echt gezien en wordt er ook meer en meer naar hen geluisterd. Het is een opdracht om kinderen te onderwijzen, maar om dat goed te kunnen is het op z'n minst nodig te horen en te voelen hoe zij denken. Ik besef hoe moeilijk dat eigenlijk is. In de prediking moeten we rekening houden met de belevingswereld van volwassenen, tieners, kinderen - en hoe verschillend is die vaak!maar iedere prediker heeft regelmatig het gevoel dat hij over de hoofden van de jongeren heen schiet. Moeten we wachten tot de kleintjes groot worden en het vereiste niveau hebben bereikt om de boodschap te ontvangen? Nee, toch niet.
Paulus schreef in 2 Kor. 5:18 en 19: "En dit alles is uit God, die door Christus ons met Zich verzoend heeft en ons de bediening der verzoening gegeven heeft, welke immers hierin bestaat, dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende was, door hun hun overtredingen niet toe te rekenen, en dat Hij ons het Woord der verzoening heeft toevertrouwd". De bediening van het Woord en van de sacramenten is bediening van de verzoening.
Dat is een dienst die God aan de hele gemeente bewijst, inclusief de kinderen. Daarom behoren kinderen erbij te zijn als het Woord van de verzoening wordt gepredikt en erbij betrokken te worden als de tekens en zegels daarvan worden bediend. Het is de vraag of het gewicht van de bediening van de verzoening in Woord en sacrament voldoende in rekening wordt gebracht bij onze benadering van de kinderen. Enerzijds worden kinderen tijdens de Woordverkondiging uit de dienst genomen; anderzijds worden zij bij de avondmaalsviering onvoldoende betrokken. Volgens mij is het eerste onterecht (daarover later misschien meer); en het tweede is een gemiste kans.
In de dienst met avondmaalsviering mogen we de kinderen niet uit het oog verliezen. Zij zijn óók gemeenteleden en óók verbondskinderen. Op één of andere wijze moet de kinderen duidelijk worden, dat wat voorin gebeurt in de viering, niet een zaak is van enkelen, maar óók voor hen betekenis heeft. Zoals de bediening van de heilige doop állen herinnert aan hun doop en verplicht en vermaant tot nieuwe gehoorzaamheid, zouden we van de bediening van het avondmaal kunnen zeggen dat daarin àllen betrokken zijn. Maar hoe dan?
Kinderen die vragen
Het is een stap te ver om de kinderen aan tafel te laten meedoen. Want maken we dan niet de fout, dat we hun kind-zijn uit het oog verliezen? Het fijne van de Paschaviering was nu juist, dat de kinderen daarbij kinderen mochten zijn. Met hun kinderlijk vragen: wat is dat, wat betekent dat? Juist hier ligt een geweldige kans voor de geloofsopvoeding. Kinderen kunnen, vragenderwijs leren geloven. In Jozua 4 bijv. lezen we over de stenen bij Gilgal: "Wanneer uw kinderen later (aan vader) vragen: Wat hebben deze stenen voor u te betekenen? dan zult gij zeggen: Dat de wateren van den Jordaan afgesneden werden voor de ark van het verbond des HEREN...".
Weer die vraag van het kind niet alleen naar kennis, maar ook naar het gelóóf van z'n vader: wat betekenen deze stenen voor u? (Verg. Joz. 4:21). Zoals bij het Pascha: wat betekent deze dienst voor u, vader?
In Psalm 78 vinden we dan ook de richting en bedoeling van het onderwijs aan de kinderen duidelijk verwoord: "opdat het volgende geslacht die zou kennen, de kinderen, die geboren zouden worden, dat zij zouden opstaan om ze te vertellen aan hun kinderen, opdat die hun vertrouwen op God zouden stellen" (Verg. Ps. 78:3-7). Kinderen die vragen worden overgeslagen, is het gezegde. Maar dat zou ten aanzien van de avondmaalsviering weleens pijnlijk juist opgemerkt kunnen zijn. Zo is de praktijk vaak. Dat de kinderen met hun vragen over het hoofd worden gezien.
Terwijl dát wat de kinderen betreft nota bene het eigene was van de Paschaviering en het dus behoort te zijn rond de maaltijd des Heren. Kinderen rekken zich uit hun bank om te zien wat daar vóór in de kerk aan die lange witte tafel gebeurt. Ze denken: waarom krijgen ze nu brood en een slokje wijn? zou dat lekker zijn? neemt moeder een flinke teug? en wat zegt de dominee nou precies? Kinderen vragen. Ik zou willen pleiten voor méér opzettelijk en direct onderwijs aan de kinderen in verband met heilig avondmaal. In het laatste artikel wil ik proberen daar praktische vorm aan te geven.