Waarom een reformatorisch liedboek? (2, slot)
1994-11-18
De vorige keer beloofde ik dat ik nader zou ingaan op het tweede, 'veelszins betere deel' van de reaktie van Klaas Holwerda en Henk Willigenburg. Ik spring er maar meteen middenin. Ik heb niet gesuggereerd dat het Liedboek-2000 'eerdaags ter perse gaat', maar ik heb geschrevén dat we het vóór moeten zijn. Of het nieuwe liedboek er komt in 2000, in 2006 (jaartal door mij genoemd) of pas in 2025, is niet wezenlijk relevant: we moeten niet wachten tot het te laat is, maar zèlf aan het werk gaan. Ook voor de totstandkoming van een reformatorische gezangenbundel moeten we denken in termen van zo'n jaar of vijftien. Hoe langer het Liedboek-2000 op zich laat wachten, hoe beter: laten we die tijd vooral goed besteden.- Jaargang 38
- nummer 23
Patroon
In mijn artikelenreeks over Liedboek-2000ging het me niet om het beschrijven van incidenten, maar van tendensen.
Ik heb niet willekeurig wat liederen besproken die toevallig niet geschikt zijn voor een gereformeerde eredienst - ik heb de lezer willen ontdekken aan een samenhang, aan een patroon. Dat patroon heb ik aangeduid met de term 'horizontalisme'. Daar zit ongetwijfeld iets van een vereenvoudiging in, maar door die vereenvoudiging kon ik dingen helder maken die anders in het vage waren gebleven. Bewust heb ik niet geschreven over barthiaanse invloeden op de Liedboekdichters, op de zichtbare sporen van Van der Leeuw's sacramentstheologie in 'Zingend geloven', op de sterke invloed van Heeroma's taaltheologie, op de taal mystiek die verwant is aan de Vijftigers (experimentelen). Ik weet niet hoeveel de lezer kan hebben, en ook niet hoeveel ik zelf kan uitleggen. Ik heb niet willen suggereren dat het profiel van een nog te vormen Liedboek-2000 zich zondermeer laat aflezen aan de inhoud van de bundeltjes 'Zingend geloven' en de verzamelde dichtwerken van Huub Oosterhuis. Wèl heb ik willen signaleren dat wat er vandaag de dag uit de 'grotere' kerken aan liederen op ons afkomt, op geen enkele manier bemoedigend is, maar verontrustend. De bronnen zijn vertroebeld: voor de liederen die uit die bronnen opwellen, moeten we de sluizen gaan sluiten. Niet voor elk lied, maar er moeten sluiswachters zijn op Sions kade.
Het artikel over Huub Oosterhuis heb ik ingevoegd, omdat het me begon op te vallen hoe populair zijn liederen - ook onder ons! - aan het worden zijn. Dat rechtvaardigt de veronderstelling dat een Liedboek-2000 een en ander van hem in huis zal hebben, maar ook buiten het 'probleem' van Liedboek-2000 om is een waarschuwing voor deze liederen op z'n plaats. Tegelijk greep ik zijn oeuvre aan om aan de hand daarvan een veel breder verschijnsel in kaart te brengen: het horizontalisme, dat God projecteert tegen onze eigen menselijke hemel.
Het betere deel?
Terecht schrijven Holwerda en Willigenburg in hun reactie dat de inhoud van de bundeltjes 'Zingend geloven' geen blauwdruk laat zien van een te vormen Liedboek-2000; het is slechts materiaal om te beproeven (dat laatste heb ik dan ook proberen te doen). Ook het Liedboek voor de kerken uit 1973bevatte uiteindelijk maar een deel- en veelal het betere deel - van wat op dat moment aan liederen voorhanden was, zeggen de schrijvers uit Culemborg. Met andere woorden: ook ult de bundeltjes 'Zingend geloven' zal uiteindelijk slechts een deel - en naar zij hopen het betere deel - zijn weg vinden naar het nieuwe liedboek van de Verenigde Protestantse Kerk. De schrijvers zien hier m.l, een belangrijk punt over het hoofd. Bij de vorming van het Liedboek-1973 was dat 'betere deel' ruimschoots voorradig: er waren vele gezangen uit de schat van de Kerk der eeuwen onder het stof vandaan gehaald en opnieuw of voor het eerst vertaald, er was een groot aantal nieuwe liederen gedicht van een heldere poëtische structuur. Dat 'betere deel' ben ik echter in de bundeltjes 'Zingend geloven' niet tegengekomen.
Ik kan in deze bundeltjes vrijwel geen liederen ontdekken die verrijkend zouden zijn voor een gereformeerde eredienst, wel veel verzen die onze eredienst zouden verzwakken, zowel door hun taal als door hun inhoud. En dat betekent nogal wat, als je bedenkt dat deze bundeltjes zijn samengesteld met het oogmerk als reservoir te dienen waaruit bij de vorming van een Liedboek-2000 kan worden geput. Dat zegt toch wel iets van de situatie op liedgebied in de kerken die zo'n nieuwe gezangenbundel op het oog hebben. Natuurlijk zijn er wel uitzonderingen. Zo zou ik graag in een kerkdienst Schulte Nordholt's berijming van Jesaja 11willen zingen: De wortel bloeit, de stam loopt uit (deeltje 2, gez. 159)en bij een begrafenis het lied van Ds. H. de Jong (deeltje 3, gez. 55) dat eindigt met de woorden: Straks roept de Here Christus tot zijn bruid: liefste, kom uit! Maar dat is niet voldoende om een nieuwe gezangenbundel van de 'grotere' kerken hoopvol tegemoet te zien. Het enige bemoedigende wat ik uit die kerken op ons af zie komen, is het werk van Ds. A.F. Troost. Maar het betere, Schriftuurlijker, deel van zijn oeuvre tref ik nu juist niet in 'Zingend geloven' aan, maar in Uit aller mond en Schriftberijmingen, twee bundels die uit rechtzinnig-gereformeerde kringen voortkomen.
Reden te meer om via een reformatorische gezangenbundel dit werk voor gemeentezang toegankelijk te maken.
Van een Liedboek-2000 valt op dit punt weinig te verwachten. Ik weet het: 'Zingend geloven' is niet de enige bron waaruit men zal putten. Maar ik heb de indruk dat de inhoud van 'Zingend geloven' nog rooskleurig is vergeleken bij de meeste andere gezangenbundels die in de boezem van de 'grotere' kerken ontstaan.
Ik had natuurlijk ook uit Eva 's lied kunnen citeren, dat zou pas echt 'suggestief' zijn geweest. Bij die bundel steekt 'Zingend geloven', waar men behoefte heeft aan 'vrouwen-liederen, maar geen feministische', ongetwijfeld gunstig af. Wat er uiteindelijk uit de bus zal komen - ergens in de eerste decennia van de komende eeuw - zal een bundel voor-elk-wat-wils zijn. Op zo'n bundel zit ik niet te wachten; u wel? Terecht stellen Holwerda en Willigenburg dat ook het huidige Liedboek behoort tot het reservoir waaruit men zal putten bij de vorming van de nieuwe gezangenbundel. Maar juist de selectie uit de liederenschat der eeuwen vertrouw ik aan deze kerken niet (meer) toe; dat werk zullen we zèlf moeten doen. Er waaien té veel winden, er waren té veel dwaalgeesten rond. Waar is 'de pijn en het verdriet' daarover, vragen de Culemborgse schrijvers zich af. Het schrijven van dit soort artikelen doet pijn, er zit iets zeer oncollegiaals in. Verdriet heb ik vooral vanwege de omstandigheid dat zoveel gedachtengoed uit de 'grotere' kerken onbeproefd onze gemeenten binnenkomt. Dat grijpt me soms naar de keel.
Wij hoeven geen illusies te koesteren dat we, door enkele waarnemers naar de ISK te sturen de 'grotere' kerken op hun wegen kunnen laten 'terugkeren'. Wel kunnen we met het werk aan een Reformatorisch Liedboek een bijdrage leveren aan het 'versterken van wat nog óver is en dreigt te sterven' (Openb. 3:2). Dat is het 'betere deel' waar ik voor kies.
Horizontalisme
Graag was ik nog wat dieper ingegaan op de horizontalistische tendens die in 'Zingend geloven' zo duidelijk aanwezig is, maar de ruimte daarvoor ontbreekt. Misschien kan ik het verschijnsel het beste typeren door twee versregels van Sytze de Vries aan te halen (deeltje 3, gez. 59:6): Waar wordt geleefd met open hand I is Mijn beloofde land. Of met twee regels van Schulte Nordholt in het Liedboek (gez. 280:3), die de regels , Feed the faint and hungry heathen I with the richness of thy Word (Voed de zwakke en hongerige heiden met de rijkdom van uw Woord) 'vertaalt door: Kroon de menselijke dromen I met uw koninkrijk op aard. Gaat het de oorspronkelijke dichter, Henry Holland, om de prediking van het evangelie, bij Schulte gaat het om de menselijke 'droom van gerechtigheid'. Overigens worstel ik met deze materie.
Er is bij ons, klassiek-gereformeerden (laat ik maar eens dicht bij huis blijven), op dit punt een tekort. Soms lijkt het er bij ons op of 'genade alleen' geen 'leven voor de gerechtigheid' teweegbrengt, maar overbodig maakt. Terug naar de Psalmen!
Dichterlijkheid
"Wat we bij Klein evenwel te zeer missen, is het besef dat het poëtische met de Schriften zelf gegeven is - en waarachtig niet alleen in het boek der Psalmen. Aan dat gegeven kunnen wij toch niet dan tot onze schade voorbijgaan?" schrijven Holwerda en Willigenburg. Hier wordt de discussie m.i. wel héél erg versimpeld. Alsof ik een dichter ben die een aktie tegen het dichten is begonnen! Het is juist de poëtische taal van de Schriften, met name van Job en Jesaja, geweest die mij tot het dichten van geestelijke liederen geïnspireerd heeft. Ik deel niet de opvatting van Hasper dat Psalmberijmingen geen gedichten mogen zijn, maar slechts 'rijmend proza'. AI deel ik zijn voorliefde voor eenvoud in het lied van de gemeente. Evenmin ben ik het eens met de berijmers van Psalter 1980die meenden dat de tekst van de Schrift in het passen en meten zo letterlijk mogelijk binnen de engte van het couplet moet worden gewrongen. AI begrijp ik iets van hun passie voor een 'Schriftgetrouwe' berijming: bij hen was 'Schriftgetrouw' te zeer synoniem met 'tekstgetrouw' . Dichterlijkheid is niet een soort (literaire) franje die aardig is als toegift, maar in wezen niet belangrijk wanneer de inhoud maar 'Schriftuurlijk' is - nee, dichterlijke zeggingskracht is datgene wat een lied tot een lied maakt. De Schriften brachten ons de waarheid niet sec, maar in een verscheidenheid aan literaire vormen en een grote rijkdom aan beelden. Inderdaad kunnen we 'niet dan tot onze schade daaraan voorbijgaan'.
Maar in de Schrift dienen beeldgebruik en andere literaire figuren (b.v. parallellie in de Psalmen) om te verhelderen, niet om ondoorzichtig en ongrijpbaar te maken. Jesaja en de Psalmdichters spelen inderdaad hun spel met de taal, maar ze verliezen zich niet in dat spel. Bij hen is het woord middel, voertuig, om waarheid uit te drukken, geen medium om waarheid te ontdekken. Dat laatste is bij de moderne religieuze dichters wél het geval. Bij hen is de taal geen voertuig meer om - rotsvastewaarheid over te dragen, maar zij menen dat de waarheid in de taal zelf verscholen ligt - de taal is het middel geworden om waarheid te ontdekken. God is voor hen alleen kenbaar in de 'taal-van-het-verhaal' .
Klaas Heeroma (pseud: Muus Jacobse) drukt zich in zijn boek 'Nader tot een taaltheologie' als volgt uit: "Geloof in God is geloof in de taai". Met zijn geloof in de taal heeft Heeroma zijn tienduizenden verslagen, waaronder tientallen dichters en dichteressen die met het Woord van de Levende God op de loop gaan. De schrijvers uit Culemborg verraden een zekere affiniteit met die moderne 'taal mystiek' wanneer zij spreken van "het geheim dat wij bezingen en waarnaar wij zingend tasten". Het geheim waarnaar wij zingend tasten: je zou er bijna overheen lezen, zó vertrouwd klinkt een dergelijke uitdrukking ons intussen in de oren. Is het een Schriftuurlijke wijze van spreken? Als in het Nieuwe Testament over 'geheim(enis)' wordt gesproken, gaat het vrijwel altijd om een geheimenis dat eeuwenlang verborgen is geweest, maar aan óns, die in het laatste der dagen leven, is geopenbaard: aan ons, die Christus hebben leren kennen (1 Kor. 2:7,10).Van de onwetenden zegt Paulus (Hand.
17:27)dat "zij God zouden zoeken, of zij Hem al tastende vinden mochten", maar van de gelovige christenen zegt Petrus (1 Petri 1:9-12)dat zij "het einddoel van het geloof bereikt hebben, dat is de zaligheid der zielen", een zaligheid "waar de profeten naar gezocht en gevorst hebben" (vs 10), waarin "zelfs engelen begeerden een blik te slaan" (vs 12), maar die "ons verkondigd is bij monde van hen die ons door Gods Geest het evangelie brachten" (vs 12). Is er dan niets 'mysterieus' aan God? Ja, heel veel- maar Hij is niet (meer) 'het geheim waarnaar wij zingend tasten'.Een hele wereld aan moderne mysterieuze religieuze poëzie spat bij de verkondiging van het evangelie als een zeepbel uit elkaar.
Mensverduistering
Veel christenen 'bekeren' zich vandaag tot de 'onzekerheid', tot het 'geheim', tot het 'verhaal' en tot de 'droom', omdat ze zichzelf niet meer kunnen uitleveren aan rotsvaste zekerheden - omdat ze zich niet meer kunnen overgeven aan een Heer die zichtbaar en tastbaar is opgestaan en met wie de getuigen brood en vis hebben gegeten. Het licht van het evangelie is te hel geworden voor hun ogen, de scheidslijn tussen duisternis en licht te scherp. Zij vluchten het schemergebied binnen, het land van de mist en de nevels, waar de contouren vervagen, de contrasten onscherp worden en de vragen de antwoorden overstemmen. Zij geloven in het 'verhaal', niet in het verhaalde, niet in wat er echt gebeurd is en hun grond onder de voeten zou kunnen geven. Ze durven niet afgaan op de getuigen die zeggen dat de Heer zó lijfelijk is opgestaan, dat Thomas zijn vinger in zijn wonden kon leggen - maar evenmin kunnen ze geloven dat Hij dood is. Hij wordt een Figuur die ronddwaalt in hun schemergebied en nu en dan iets van zich laat zien, dan hier, dan daar.
Van deze generatie christenen is Huub Oosterhuis de meest begaafde vertolker, hij is de dichter van de 'mensverduistering' bij uitstek. Hoe komt het dat velen met hun hoofd tegen de rots van zekerheid te pletter lopen, terwijl anderen die rots ervaren als vaste grond onder hun voeten? Ik heb beide gekend. Als twen heb ik mij enkele jaren rondgewenteld in het pekelwater van de twijfel; dat maakte een zeer 'integere' indruk. Töt de nacht, nu 17jaar geleden, dat ik tegen God zei: "Heer, ik vertrouw U op uw Woord - al voel ik er niets van". Vanaf dat moment begon God zich aan mij de Levende te betonen, die zijn woorden hier en nu al begint waar te maken. De Bijbel bleek geen rots om met je hoofd tegenaan te bonken, maar om met je voeten bovenop te gaan staan en te ontdekken dat die rots niet onder je wegwankelt! Zoals de dichter van Ps. 119ontdekte (vs 162):
"Zo verheugd ben ik om uw belofte als een mens die een schat heeft bemachtigd."
Dezelfde dichter kende de worsteling om Gods woorden recht te verstaan (couplet 64 van Psalm 119):
Een smekeling, zo kom ik tot uw troon: leg met uw woord beslag op mijn gedachten opdat ik in het licht der waarheid woon.
Laat niet vergeefs mij op uw bijstand wachten.
Leer mij uw wet, die goed is, waar en schoon, dan loof ik U bij dagen en bij nachten.
Vrijmaking
Kenmerkend voor de Vrijmaking was inderdaad "de hernieuwde belangstelling voor en intense omgang met de Schriften", zoals de Culemborgse predikant schrijft. De grote winst van de 'reformatie van de jaren dertig' was dat mannen als Schilder, Holwerda en Janse weer het geheel van de Schrift gingen zien, namelijk als een getuigenis van Gods doorlopende verbondstrouw tegenover zijn volk. Het klinkt me bizar in de oren als Holwerda direct na de hierboven geciteerde opmerking over de Vrijmaking schrijft: "Eenzelfde aandachtige houding in het bevragen en beluisteren van de Schriften is te vinden bij de zeven dichters - bij de een nog meer en weer anders dan bij de anderdie mee hun stempel op het Liedboek gedrukt hebben", en dan noemt hij de namen van Barnard tot Oosterhuis. Meent Holwerda werkelijk dat de ontdekking van de heilshistorische lijn in de Schriften in één lijn ligt met het 'incidentele' Schriftgebruik van dichters als Barnard en Oosterhuis? In het laatste gezang van het Liedboek (491) zingt Huub Oosterhuis: In flarden hangt uw woord om onze wereld heen. In het jongste nummer van Woordwerk (nr 47, bi 42) schrijft Willem Barnard over de Godsnaam (de Verbondsnaam!) JHWH het volgende: "Als de betekenis van dat logogram ter sprake komt, geldt van oudsher, van zeer oudsher, dat het een vervoegingsvorm is van het woord 'gebeuren', preciezer nog: 'voorvallen'. Het gaat om incidenten in de tijd (cursivering van mij, JHK). En daar moeten wij het dan mee doen. Daar heeft het vrome volk het mee gedaan. Daar heeft de wanhopige het mee gedaan, die alles om zich heen zich zag ontvallen." Arme wanhopige die het moet doen met 'incidenten in de tijd', maar zich niet kan vastgrijpen aan Gods on-onderbroken verbondstrouw! Gelukkig is Barnard in een aantalliederen boven zichzelf uitgestegen: liederen die ik dan ook graag in- en uitadem, zoals gezang 460. Maar als het gaat om het 'bevragen en beluisteren van de Schriften', is hij een anti pool van wijlen professor B. Holwerda. Er loopt geen lijn van A. Janse's Van de rechtvaardigen naar de 'theologie der armen' in liederen van Huub Oosterhuis, er gaapt een onoverbrugbare kloof tussen A. Schilder's Christus in zijn lijden en Oosterhuis' relatie met 'de mens Jezus van Nazareth'. Als wij als Nederlands Gereformeerden nieuwe wegen willen inslaan, moeten we dat eerlijk zeggen, maar laten we niet proberen de geesten van de 'profeten' op te roepen uit hun graf als getuigen à décharge.
Innigheid en klank
Klaas Holwerda's fijnzinnige Schriftverklaring bij Oosterhuis' gezang 325 vraagt om een rustige en geconcentreerde reaktie. Die hoop ik te geven in een apart, kort, artikel (onder de kop: Welk Jezusbeeld?), in de luwte na de discussie 'Liedboek-2000 of een Reformatorisch Liedboek?' Want ook buiten dié discussie om is het van het grootste belang alert te zijn op de geestelijke inhoud van liederen die we zingen. Als we meer gaan letten op wàt we zingen, wint ons loflied aan 'innigheid en klank' (couplet 62 van Psalm 119):
Zeven maal daags zeg ik uw goedheid dank, rechtvaardig is uw wet en mij ten zegen.
Dit geeft mijn loflied innigheid en klank.
Zij die uw wet beminnen, gaan uw wegen.
Zij wandlen voort in vrede, vrij en frank, geen struikelblok, geen onheil houdt hen tegen.
Bibliografie
K. Heeroma: Nader tot een taaltheologie, Bert Bakker 1967.
Paul Rodenko: Met twee maten, bi 97-139 (essay), Bert Bakker 1974.
J.H. Klein: Minderheidsrapport aan de L. V. van Dronten 1988, bijlage, par. 4: 'Hel Woord, van wie?' Guillaurne van der Graft: Over het eerste gedicht van de hondenwacht, Woordwerk nr 47, blz. 40-44.