Vijftig jaar
1994-11-18
Op verschillende plaatsen in ons land wordt herdacht, dat vijftig jaar geleden de vrijmaking plaatsvond. Ik denk niet dat er veel Nederlands gereformeerden zijn die daar behoefte aan hebben. Hooguit kunnen wij herdenken dat we vijfentwintig jaar geleden weggestuurd werden. Op een warm weekend de afgelopen zomer, logeerde ik bij mijn moeder.- Jaargang 38
- nummer 23
Meestal ga ik dan bij haar naar de kerk in Zwolle/Berkum. Maar op deze zondag fiets ik naar de pas gerestaureerde Plantagekerk in het centrum van Zwolle. In deze kerk ben ik gedoopt. Als kind dacht ik altijd dat zo de hemel er uit moest zien: allemaal zingende mensen in banken, mooie glimmende lampen en orgelmuziek. Koning David zat alvast met twee engelen bovenop de orgelpijpen.
Ik zoek een plaats op de stoelen, ongeveer op de plek waar ik vroeger met mijn ouders zat. Ik kijk voorzichtig om me heen: de kerk is inderdaad prachtig geworden. Maar het is zo helemaal dezelfde kerk gebleven dat ik me moeiteloos kan indenken weer dat kind te zijn. De vrijmakingsvergadering vond trouwens niet in deze kerk plaats, maar in de Broerenkerk. Mijn moeder was daar bij. Mijn vader, die op mij moest passen, kon het niet laten om, met baby (mij dus) en al, achter in de kerk te gaan zitten. Daar herinner ik me natuurlijk niets van. Mijn eerste herinnering is de doopsbediening van een gezin met grote kinderen.
Ik vond dat heel vreemd en het maakte me onrustig. Zou dat met mij ook nog moeten gebeuren? Op mijn angstige vraag stelde mijn moeder me gerust. Dat was al gebeurd toen ik pas geboren was. Wat een opluchting! Een ander beeld. De lange witte avondmaalstafel staat klaar. De dominee wacht op de mensen die naar voren komen lopen. Onze nieuwe hoofdonderwijzer komt plechtig aanschrijden. Voor deze gelegenheid heeft hij, evenals de dominee een jacquet aangetrokken.
En dan die zondag in maart 1952. Mijn vader heeft tijdelijk het werk van de koster overgenomen. Voor mijn gevoel is het midden in de dienst als hij dwars door de kerk naar de preekstoel loopt en de dominee iets influistert. Even later hoort de gemeente het. Uit Kampen is bericht gekomen dat Professor Schilder plotseling is gestorven. Ik kan me niet meer herinneren hoe daar op gereageerd werd, maar de verslagenheid moet groot geweest zijn.
Dan zie ik mezelf als tienjarige met mijn vader en oudste broertje op de voorste rij zitten. Het is eerste kerstdag.
Mijn pasgeboren broertje (22 december) wordt gedoopt. De zuster, in bruin met een witte schort komt binnen met de baby op de arm. Mijn vader neemt hem van haar over en loopt naar de dominee die bij het doopvont staat te wachten. De dominee schept een enorme hoeveelheid water over het kleine hoofdje heen.
Het plenst op de grond die gedurende de rest van de dienst nat blijft. Ook de doopjurk is nat geworden, en de zuster wikkelt zorgzaam het dekentje om de 'drenkeling'. Ik heb het toen bewust heel raar gevonden dat mijn moeder er niet bij was. Het was in die tijd gewoonte, die vroeg doop. Ik herinner mij niet anders dan dat de vaders er alleen stonden met hun kind. In dat jaar ging ik ook voor het eerst naar catechisatie. Ik vond dat heel spannend. Bij één van die eerste keren vroeg dominee Bremmer mij - het ging over de erfzonde: "Wat denk je, Ytje, zijn pasgeboren kindertjes ook zondig?" En ik, denkend aan mijn lieve broertje in de wieg, zei uit de grond van mijn hart: "Nee dominee". Daar viel voor hem dus wel iets uit te leggen. Of ik het op dat moment begreep, weet ik niet meer. Maar later bleek dat hij gelijk had.
En nu zit ik hier weer, in deze kerk. Er staat een jonge dominee op de preekstoel. Hij zou Nederlands gereformeerd kunnen zijn. Ik voel me thuis...