Vrouwelijke diaken
1994-11-18
Besluit landelijke vergadering- Jaargang 38
- nummer 23
De Landelijke Vergadering van de Nederlands Gereformeerde Kerken heeft verleden week zaterdag het (voorlopige) besluit genomen om de kerken vrij te laten in het roepen van zusters tot de vervulling van het diakenambt.
De voorlopigheid van het besluit houdt in, dat de kerken te zijner tijd een beslissing zullen nemen. Dit moet dan gebeuren doordat alle kerken zich laten vertegenwoordigen door een afgevaardigde op een Landelijke Vergadering, die definitief zal beslissen. Men kan zeggen dat dit de indruk wekt van een zorgvuldige procedure. De 'synode' beslist niet in deze vorm, maar in een bijeenkomst waarin alle kerken rechtstreeks aanwezig zijn. Het Akkoord van Kerkelijk Samenleven (de kerkorde van de Nederlands Gereformeerden) biedt daartoe de mogelijkheid. In dit geval zou ik liever niet hebben gesproken van een voorlopig besluit.
Het karakter van deze 'voorlopigheid' is een beetje dubieus. Men zou kunnen zeggen, dat het besluit van tijdelijke aard is, omdat het mogelijk moet worden geacht, dat een anders samengestelde vergadering een besluit kan nemen dat anders uitpakt. Het is echter ook niet onmogelijk dat dit besluit in die zin voorlopig is, dat het vooruitloopt op een beslissing die nog genomen moet worden en die deze laatste besluitvorming prejudicieert, d.w.z. een claim legt op de procedure die nog moet komen. Maar die kwestie raakt de procedure en daar is het me nu eigenlijk niet te doen. Diacones wél, presbyteres niet. Iets anders is de inhoud van het besluit. Men kon dit verwachten, gezien en gelezen het rapport dat in de zomer gediend heeft. De teneur van dit rapport was helemaal in de richting van het besluit dat nu genomen is. Er kwam, blijkens het persverslag in het ND tenminste, wel enig bezwaar tegen het Schriftgebruik dat 'levensgevaarlijk' werd genoemd. Maar daarover blijkt toch bij de laatste vergadering niet meer een diepgravende discussie te hebben plaats gehad.
De vergadering stemde er in toe om de onderlinge verhouding van het diaken- en ouderlingenambt, zoals dit in het Akkoord van Kerkelijk Samenleven is geformuleerd, ongewijzigd te laten. Dit komt er op neer, dat er verschil is en blijft tussen de twee ambten, zodat het niet vanzelfsprekend is om vanuit de openstelling van het diakenambt voor de vrouw nu ook te besluiten tot een openstelling van het ambt van ouderling.
Het rapport dat ter vergadering diende kon voor een deel steunen op de uitvoerige studie van prof. J. van Bruggen over de ambten in de apostolische kerk. In deze visie behoren de diakenen niet tot de kerkenraad. Daarmee is de positie van vrouwelijke diakenen in een ander licht gezet. Wanneer men de opvatting huldigt dat de diakenen wél tot de kerkenraad behoren, redeneert men onwlllekeurlq wat anders over de kwestie. In de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) heeft men, wat dit betreft de handen wat meer vrij dan in onze eigen kerkelijke situatie. Een voorbeeld daarvan vond ik in een paar artikelen over Diaconessen in het Gereformeerd Kerkblad van Overijssel/Gelderland/Flevoland/Utrecht/Noord-Holland (47e jrg. No 8 en 9) van de hand van ds. P. Groenenberg, die het pleit voerde voor de instelling van een college van diaconessen.
De oplossing die deze predikant biedt, gaat voorbij aan de vraag of de vrouw in het licht van de bijbel een diaken kan zijn. Ds. Groenenberg doet de uitspraak dat de diaken in juridisch opzicht niet bij de kerkenraad behoort, maar in geestelijk opzicht wel. Als een hulpdienst van het diaconaat beschouwt hij dan het college van diaconessen.
Zij bieden ondersteuning aan het werk van de diakenen. Ik noem dit voorbeeld, om daarmee aan te geven dat er een constructie mogelijk lijkt, wanneer men de diakenen juridisch beschouwt als niet-behorende tot de kerkenraad. De diacones krijgt daarmee ook, kerkelijk gezien, een andere positie. Toch hebben de Nederlands Gereformeerde Kerken niet voor deze structuur gekozen. Ze hebben (voorlopig) de vrouwelijke diaken binnen hun kerken toegelaten.
Oecumenische dimensie
Daarmee is een besluit gevallen, waarvan men eerst de uitwerking binnen de Nederlands Gereformeerde Kerken moet afwachten. De eerstvolgende vergadering zal eerst een definitieve beslissing nemen. Het is een beetje voortijdig wanneer we dit voorlopige karakter zouden vergeten. Maar ook zo gezien is het besluit van een breder strekking dan dat er alleen deze kerken mee te maken zouden hebben. Ik begeef me niet in een beoordeling van de gevolgen van een en ander voor de relatie die de Nederlands Gereformeerde Kerken hebben met de onze en die zij ook wel zoeken met andere kerken van de Gereformeerde Gezindte. Het ligt echter voor de hand, dat we in de problematiek die nog voortdurend aan de orde is, er op z'n minste een punt van bespreking bij hebben. Anderzijds tekent het 't zelfstandig karakter van dit kerkverband dat hoe langer hoe meer een eigen signatuur krijgt. Het liet zich in een bes1issing die men meende te moeten nemen, niet ophouden door overwegingen van meer oecumenische aard. Zegt dit iets over de eigen koers die men daar meer en meer in het oog houdt? Zonder twijfel zullen we in de toekomst nog over de zaak horen. 'Voorlopig' laten we het bij deze korte overweging bij die 'voorlopige' besluit.
W. van't S.
Naar ik heb begrepen stelt men van onze kant er prijs op te vernemen hoe door anderen wordt gereageerd op het voorlopige besluit van onze Landelijke Vergadering te Apeldoorn om het in de vrijheid van de kerken te laten de zusters te roepen tot de vervulling van het diakenambt. Hierbij de reactie van Prof.Dr. W. van 't Spijker in het Chr. Geref. weekblad 'De Wekker' d.d. 14 oktober 1994.