Over CDA, RPF en GPV, een discussie
1994-06-03
Het zal wel niemand verbazen dat er op mijn artikel 'Waarom ik dit keer CDA heb gestemd' verschillende reakties zijn binnengekomen.- Jaargang 38
- nummer 11
Ik heb daar een keus uit moeten maken en laat achtereenvolgens voor de RPF de heer J.P.M. Rietkerk, burgemeester van Genemuiden, aan het woord komen en voor het GPV de heer G.J. Schutte. De beantwoording zal wegens mijn vakantie niet in de eerstvolgende aflevering van ons blad kunnen plaatsvinden.
Ik hoop er in het daarop volgende nummer mee te komen. Mocht mijn antwoord weer nieuwe reakties van de twee betrokkenen uitlokken, dan zal de diskussie eindigen met hun laatste woord.
Overwegingen bij een politieke keuze
Ds. H. de Jong is een goede vriend van het GPV. Daar heeft hij ook nooit een geheim van gemaakt. Bij de verkiezingen van 3 mei j.l. ging de vriendschap echter zo ver, dat hij voor het eerst in zijn leven ten behoeve van het GPV CDA stemde. Zulke vrienden moet je als politieke partij ook weer niet al te veel hebben!
Zijn overwegingen blijken voor een deel ook bij andere christenen te leven.
Ik wil daarom graag gebruik maken van de gelegenheid er kort op te reageren.
De eerste overweging betreft de christelijke barmhartigheid. CDA-woordvoerders hebben dit punt de laatste tijd herhaaldelijk aangevoerd in discussies over de euthanasiewetgeving.
Christelijke politiek kan er volgens ds. De Jong niet in bestaan dat wij mensen die ons geloof niet delen met ons verstaan van het gebod van God in het nauw brengen.
Ik wil hier twee overwegingen tegenover stellen. In de eerste plaats: Is het wel juist als het gebod van God in het geding is de christelijke barmhartigheid daar tegenover te stellen? Is niet kenmerkend voor de wet van God dat zij volmaakt is, vrij maakt, samengevat wordt in het dubbelgebod van de liefde? Is het vragen van gehoorzaamheid aan deze wet niet bij uitstek een zaak van christelijke barmhartigheid?
Ik wil de waarschuwing ter harte nemen als het er om gaat Gods wet te onderscheiden van onze opvattingen over goed en kwaad. Maar ik zou graag zien dat we als christenen de wet van God niet stellen tegenover de barmhartigheid welke God van ons vraagt jegens ongelovigen.
In de tweede plaats een meer juridisch argument. Het beroep op de christelijke barmhartigheid was in de actuele discussie over de euthanasiewetgeving mijns inziens niet terzake. Tussen de regering en de GPV-fractie bestond geen verschil van mening over de vraag of een arts verplicht is het stervensproces van mensen te verlengen door de ene ingreep na de andere toe te passen. Die plicht heeft een arts niet. Waar het om ging is of de wet zoals deze onlangs tot stand gekomen is waarborgen bevat tegen een verder doorwerken van een gegroeide praktijk van actieve levensbeëindiging in uiteenlopende situaties. Minister Hirsch Ballin en de meerderheid van het CDA meenden van wel. Zij beschouwden de wet zelfs niet als een compromis maar als een wet die voluit het leven zal beschermen. Naar onze overtuiging is dat onjuist. Weliswaar blijft de strafbedreiging in de wet staan, maar de toelichting zegt uitdrukkelijk, dat elke melding van euthanasie zal worden getoetst aan de praktijk zoals deze in de loop der jaren door rechterlijke uitspraken is gegroeid. De wet kan en wil de gegroeide praktijk dus niet terugdringen.
Ook voor de toekomst zullen de opvattingen van de rechter bepalend zijn of het leven van b.v. kinderen met een ernstige handicap zal worden beschermd.
Een volgende overweging van ds. De Jong betreft de positie van belijders van niet-christelijke godsdiensten. Hij kijkt wat vreemd aan tegen het toelaten van moslims als lid van een christelijke partij, maar werpt de vraag op of het zo gek is om op politiek gebied tot een zekere bundeling of samenwerking te komen van alles wat religie is.
Ik zeg niet dat dit laatste altijd verwerpelijk is. Als b.v. de vrijheid van godsdienst ernstig wordt bedreigd kan dit aanleiding geven tot een gezamenlijke inspanning van belijders van verschillende religies, gericht op het doel de vrijheid van godsdienst veilig te stellen.
Maar voor die situatie staan we in Nederland gelukkig niet. Hier is ruimte voor het voeren van christelijke politiek door partijen die zich willen laten leiden door het Woord van Christus.
Als God daartoe mogelijkheden geeft moeten wij die talenten in Zijn dienst willen gebruiken. Maar dan is toch een eerste vereiste dat leden en vertegenwoordigers van een christelijke partij het hebben over de dienst van dezelfde God.
Liggen hier dan geen problemen, vraagt ds. De Jong. Zeker wel. De kern van ons antwoord moet mijns inziens echter zijn dat we de belijders van andere godsdiensten dezelfde burgelijke vrijheden toekennen als voor christenen gelden. Vrijheid van godsdienst, van onderwijs, kiesrecht, enz.
Geestelijke vrijheid voor alle burgers is één van de kernpunten van de politiek van het GPV.
Dat brengt mij tot de laatste stelling van ds. De Jong over de betekenis van art. 36 NGB. Wat hij hierover schrijft is heel wat stelliger dan de vorige overwegingen, al realiseert hij zich dat juist op dit punt met name SGP en GPV nogal verschillen. Ik geloof niet dat art. 36 veel te ver gaat in het spreken over het overheidsambt. Als ik uitga van de tekst zoals deze binnen de gereformeerde kerken geldt gaat het om de zinsnede 'te bevorderen dat het Koninkrijk van Jezus Christus komt en het Woord van het Evangelie overal gepredikt wordt.' Belangrijk is het woord 'bevorderen', dus niet 'bewerken'.
Het verschil tussen die twee woorden bepaalt ook de grens van de overheidstaak. De overheid mag zich niet neutraal opstellen tegenover het Koninkrijk van Jezus Christus. Zij staat immers in dienst van God (Rom. 13 vs 4). Zij moet de voorwaarden scheppen voor de vrije verkondiging en beleving van het Evangelie, maar wel binnen de grenzen van haar bevoegdheid en met haar mogelijkheden.
Ter illustratie wil ik evenals ds. De Jong teruggaan naar de beginjaren van het GPV. Als jonge gereformeerde met politieke belangstelling werd het er bij mij ingehamerd: Isoleer art. 36 niet van de rest van de belijdenis en nog minder van de Heilige Schrift. Als concreet voorbeeld werd daarbij genoemd de belijdenis over de regering van de kerk (art. 30) vergeleken met die over de taak van de overheid. De ware godsdienst wordt volgens art. 30 onderhouden door de raad van de kerk, terwijl overtreders op geestelijke wijze worden gestraft. De wereld moet echter volgens art. 36 geregeerd worden door wetten en staatsregelingen, zo nodig met gebruikmaking van de zwaardmacht.
Als we zo recht doen aan het geheel van de belijdenis is ze mijns inziens ook vandaag actueel, zowel tegenover hen die geen raad weten met het dienares van God zijn als tegenover anderen die kerk en staat onvoldoende onderscheiden.
De slotzin van ds. De Jong luidt: "In een tijd dat ons volk religieus pluraal is geworden, ziet de overheidstaak er heel anders uit." Ik zou willen zeggen, dat de overheidstaak niet afhankelijk is van de verscheidenheid van opvattingen in de samenleving. De overheid in Paulus' dagen had ook te maken met een pluraal volk. Maar dat weerhield Paulus er niet van de overheid aan te spreken op haar ambt: dienares van God.
Wel is het waar, dat nu ons vol religieus zo pluraal is de uitoefening van het overheidsambt veel moeilijker geworden is. Daarmee moet de christelijke politiek rekening houden. Zonder realiteitszin is christelijke politiek vruchteloos. Maar die realiteitszin heeft ds. De Jong al lang bij het GPV ontdekt. Die hopen we - onder Gods zegen - ook in de nieuwe parlementaire periode weer aan de dag te leggen.
Niet om af te dingen op de bete kenis van Gods geboden voor de publieke samenleving, maar om daadwerkelijk stappen te kunnen zetten in de richting welke de Heilige Schrift ons wijst.
G.J. Schutte
Genemuiden, 6 mei 1994
Geachte ds. De Jong,
Een ding is zeker, u weet door uw schrijven de discussie over bepaalde onderwerpen een aanzet te geven. Ik behoor niet tot de geregelde brievenschrijvers, maar deze keer neem ik de toegeworpen handschoen op.
Ten eerste omdat ik het gestelde over uw keuze (deze keer) voor het CDA maar zeer oppervlakkig vind.
Ten tweede omdat u het jammer vindt dat men u maar laat praten (dat noemt men doodzwijgen).
Ten derde omdat u de RPF van iets verdenkt dat u niet waar kunt maken: een art. 36 politiek.
Het is voor ons, Nederlands gereformeerden werkzaam aan de christelijke politiek, een grote vraag geweest, waarom u toch zo hardnekkig op het GPV bleef stemmen. Het GPV immers royeerde destijds de kiesverenigingen van Voorthuizen en Wezep, alleen omdat deze kiesverenigingen voor het grootste deel uit Ned. ger. broeders bestonden. U honoreerde die benadering met het applaus van het stemmen op het GPV. Dat heeft ons zeer pijn gedaan!!
Want als er iets tegen de broederschap gebeurt, dan moet men daar toch rekening mee houden? Dit royement werd ook door lijsttrekker Schutte nog verdedigd in een interview in het Ned. Dagblad.
U bent zelf erg gevoelig op dit punt gezien uw opmerkingen op de Landelijke Vergadering over de strop van het confessionalisme om uw nek. Zie het verslag in Opbouw.
Door op het GPV te stemmen zolang men de Ned. ger. broeders niet heeft gerehabiliteerd (en men is daar mee op de goede weg) bent u bezig die strop vast te houden, waar destijds uw broeders aan hingen, die u verdedigden toen anderen u de strop om legden.
Als u dat begrijpt, dan kunt u zich voorstellen hoe uw verhalen over dat mooie GPV bij velen overkwamen.
U schrijft later dat u voor het GPV een lastige klant was. Ik heb daar niets van gemerkt. U was een lastige klant voor de RPF omdat u voor hen geen goed woord over had.
De RPF heeft zich juist in haar grondslag heel voorzichtig uitgedrukt in de richting van de belijdenisgeschriften.
Er staat zo mooi dat de enige norm voor haar politieke denken en handelen het onfeilbare Woord van God is, zoals ten aanzien daarvan ook beleden wordt in de drie formulieren van enigheid (daar hoort ook de catechismus bij en de Dordtse leerregels).
Waarom noemt u deze zaken niet op een juiste manier?
Waarom schrijft u over zaken, die u slechts oppervlakkig kent? U schrijft in alle eenvoud over partijen en politieke zaken. Maar er is in naam van de eenvoud ook veel kwaad gesticht (zo schreef u mij in een brief van 15 maart 1977).
U schrijft heel eenvoudig over het politieke lidmaatschap, u hebt er nooit over gezeurd, want u wilde helemaal geen lid worden. U beschouwt het politieke werk als een grapje. De ene keer lastig voor de ene partij, de andere keer lastig voor de andere partij.
Dat betekent wel een veroordeling van hen, die deze zaken heel serieus nemen.
En dat zijn gelukkig bij de laatste verkiezingen duizenden jonge mensen geweest, vooral uit de studentenwereld, die het voorbeeld van Prof. E. Schuurman en van Drs. W.G. Rietkerk volgen. Politiek is een geestelijke strijd.
Hoe kijkt u dan naar hen? Uw broeders?
Eenvoud is vaak luiheid en gemakzucht schreef u mij in diezelfde brief. En u veroordeelde zo'n houding sterk. Maar wat doet u nu zelf?
Daarom zou ik u eerlijk willen vragen: Mr. Rouvoet, een chr. Ger. broeder heeft in een forse publicatie geschreven over het politieke werk in reformatorisch licht. Dat boek heet 'Reformatorisch Staatsvisie'. Zou u dat eens van kommentaar willen voorzien of bespreken?
Rouvoet is vertegenwoordiger van de RPF in de Tweede Kamer sinds de laatste verkiezingen.
Verder heeft dr. R. Kuiper de vierde man op de RPF-lijst over deze zaak een artikel geschreven dat geplaatst zal worden in Afgestemd ..op, het blad van de bestuurdersvereniging van de RPF. Hij doet dit n.a.v. G.G. de Kruijf 'Waakzaam en nuchter'. Het christelijk antwoord in een pluralistische samenleving en een publicatie van C.J. Klop over 'De Cultuurpolitieke paradox.' Dit zijn publicaties waar men wat aan heeft, maar waar u geen woord over schrijft, ook niet in het artikel Christelijke politiek na artikel 36.
De belangrijkste achtergrond voor uw keuze voor het CDA is eigenlijk hun houding tegenover de verschillende godsdiensten. Ik heb twee keer het genoegen gehad de heer Brinkman te beluisteren over deze zaak. Hij stelt heel duidelijk dat het christelijk geloof één van de mogelijkheden is om tot God te komen. Men kan dat ook doen via andere godsdiensten. Daarom is ook die moslim welkom in het CDA. Ik kan me niet goed voorstellen dat een predikant uit onze kerken durft te schrijven dat hij meer vertrouwen heeft in het CDA omdat zij met dit gegeven beter omgaan. In uw laatste artikel stelt u dat men in de politiek terug moet gaan naar een formulering waarin moslim en Jood zich kunnen vinden. Daar zou Abram Kuyper ook aan gewerkt hebben rond het ambtsgebed in Amsterdam. Dan zou Kuyper een echte CDA'er geweest zijn, maar de geschiedenis was wel heel anders.
U hebt dit waarschijnlijk uit onwetendheid gezegd, en dan zij het u vergeven.
Als u vindt dat een partij, waarin niet meer opgekomen wordt voor de waarheid en de uniekheid van het Evangelie, beter omgaat met bepaalde zaken dan een christelijke partij, die dat in grondslag en uitwerking wel tracht te doen, dan rust op u de plicht met heel duidelijke bewijzen te komen.
Als ik uw artikel nog weer doorlees kom ik tot de vraag over de oplossing van het probleem van de moslim in onze buurt. Zou het niet prachtig zijn als we hen tot jaloersheid brengen door ons leven? Als de vreemdeling ziet dat ook de overheid bepaalde normen en waarden handhaaft? Als hij bemerkt dat ook de overheid de eed verlangt, en abortus afwijst? Als hij ziet hoe wij met ons leven omgaan?
Als hij ziet dat er niet gedronken wordt, en niet gevloekt? Als hij merkt hoe de zondag in ere gehouden wordt en de kerkgang? Hij begrijpt dat heel goed, want hij is ook religieus. Als er dan een politieke partij is die het gokken steeds meer normaal gaat vinden en het ontheiligen van de Zondag, dan is dat voor die moslim een bewijs dat zijn godsdienst veel beter is dan die half christelijke godsdienst van de meeste Nederlanders, zoals dat in het CDA naar voren komt en waar u zich bij aansluit.
Ik denk nog terug aan de toespraak op de gezinsdag in Barneveld waar de voorbeelden van Peter Scheele zo'n grote indruk maakten, waar u ook bij was. "Als je lauw bent, dan is dat erger dan koud..".
U hebt in uw artikel voor degenen die dicht bij Gods Woord willen leven, ook in het politieke leven, geen signaal gegeven van begrip. U hebt het wat weggeschreven in de richting van art. 36. Ik vind dat heel jammer.
Mogelijk dat dit verhaal nog een vervolg heeft en dat ook anderen zich getroffen voelen door uw artikel. Zij kunnen het misschien veel beter verwoorden dan ik.
Wel kan ik u vertellen dat de echte tolerantie in een heidense samenleving bij de echte christelijke politiek van b.v. een Idenburg, die Gouverneur-Generaal was in Ned. Oost Indië, veel groter was dan bij de liberale en half-christelijke leidslieden.
U hebt een geheel verkeerd beeld van het staatkundig denken in de Nederlands-christelijke traditie. U denkt daarbij mogelijk aan Lutherse en Doopsgezinde denkbeelden, waarbij de bezinning op democratie en tolerantie nooit goed uit de verf is gekomen. Maar u moet meer denken in de lijn van Willem III, van Groen van Prinsterer en van Idenburg, die wel de juiste keuzes maakten.
Het Bijbels christendom van na artikel 36 is in werkelijkheid een belangrijke steun geweest van de burgerlijke en geestelijke vrijheden.
Ik ga eindigen. Ik hoop dat mijn bedoelingen duidelijk zijn. De discussie is nog niet geëindigd. Men mag niemand onverhoord verdenken van verkeerde zaken.
Wel is het fijn dat u straks met de EURO verkiezingen op lijst 5 kunt stemmen, want dan is er geen verschil meer tussen RPF en GPV en speelt ook pater Koopman niet meer een rol.
Als burgemeester van een kleine stedelijke samenleving met een groeiend aantal asielzoekers, gelovend dat het Woord des levens nog altijd heilzaam is voor onze samenleving, en daarom oproepend tot grote tolerantie voor de vreemdelingen,
verblijft,
Hoogachtend,
Jn P.M. Rietkerk