Informatieboekje 1994 (NGK) en Jaarboek 1994 (CGK
1994-06-17
Onlangs is zowel het Jaarboek 1994 van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland als het Informatieboekje 1994 voor de Nederlands Gereformeerde Kerken verschenen.- Jaargang 38
- nummer 12
Het 20e Informatieboekje (in 1974 kwam het eerste boekje uit, het tweede beslaat de jaren 1975/76 en sindsdien verschijnt het jaarlijks) is dikker dan ooit. Of dat ook voor het Jaarboek geldt, weet ik niet, maar in ieder geval is het een tamelijk fors boekwerk.
Over beide boekjes wil ik iets schrijven.
Vanaf de eerste uitgave van het Informatieboekje is de lijst van kerken alfabetisch samengesteld en onder de gegevens van iedere kerk volgt bij welke regio de betreffende gemeente is aangesloten.
Het Jaarboek kent een ander systeem. Daar zijn de kerken vermeld per Particuliere Synode en per classis.
Kun je hier al een verschil proeven tussen de beide kerkverbanden?
Ook verder zijn er wel wat verschillen tussen de twee boekjes. In het Jaarboek worden de predikanten die 25, 40 of zelfs 60 jaar in het ambt staan voor het voetlicht (met foto) gehaald, terwijl het Informatieboekje alleen vermeldt welke predikanten een ambtsjubileum vierden.
Een ander verschil is dat uit het Informatieboekje blijkt dat de NGK nogal wat vrouwelijke scriba's telilen, in het Jaarboek ontdekte ik er slechts twee, waarvan één van de gekombineerde NG en CG Kerk in Nieuwegein. En een volgend verschil is dat het Jaarboek onder iedere plaats vermeldt welke predikanten tot nu toe de gemeente gediend hebben.
Ik zou het wel aardig vinden als het Informatieboekje dit zou navolgen.
Als je zo wat bladert, ontdek je ook wat foutjes. Ik heb blijkbaar wat meer in het Informatieboekje zitten bladeren, want daar trof ik bij de gegevens van een kommissie twee foute adressen aan van predikanten, die elders in het boekje wel juist genoteerd staan (p. 203). En de evangelisatiekommissie van NGK IJsselmuiden blijkt gevestigd te zijn in Zaandam!
Wat overeenkomt in beide kerkengroepen is het vele reizen op zondag.
Bij de meeste kerken in beide boekjes staat vermeld waar de leden wonen. En dan zie je dat nederlands gereformeerden uit bijvoorbeeld Lopik kerken in Langerak en andere nederlands gereformeerden uit Lopik hetzelfde doen, maar dan in Nieuwegein. Gelovigen uit Zaandam blijken te kerken in Zaandam, maar ook in Oostzaan en in de gemeente van Zaanstreek-Centrum. Hetzelfde bedenkelijke verschijnsel tref je aan in de CGK. Ik heb eens gekeken wat het jaarboekje vertelt over christelijk gereformeerden uit mijn woonplaats. Zij waaieren 's zondags uit naar kerken in Alphen, Aarlanderveen, Boskoop en Leiden. En rondom Rotterdam en Ridderkerk wordt er helemaal wat afgereisd.
Een bedenkelijk verschijnsél in beide kerkengroepen noem ik het, want het heeft toch wel sterk de indruk dat er blijkbaar zodanige bezwaren tegen de gemeente in de eigen woonplaats zijn, dat men uitwijkt naar een andere gemeente uit het eigen kerkverband.
Ik noemde Rotterdam al. Daar doet zich iets opmerkelijks voor. Voor het eerst heeft het Informatieboekje aangegeven op welke plaatsen er kanselruil plaatsvindt met de CGK. Dat geldt ook voor de gemeente van Rotterdam, die in twee wijken is ingedeeld. Een van de wijken is de samenwerkingsgemeente NGKCGK Alexanderpolder met ds. Compagnie als voorganger. Hiervan vind je niets terug onder de gegevens van deze gemeente in het Jaarboek! Wel vinden we het volgende in het jaaroverzicht: "De wijkgemeente Alexanderpolder van de kerk van
Rotterdam-C. ging over tot een vorm van samenwerken met de Ned. Geref. wijk Oost waarbij beide wijken feitelijk als één geheel samenleven terwijl de leden lid blijven van hun eigen kerkverband. Vooralsnog onthield de classis Rotterdam hieraan haar goedkeuring."
Het jaaroverzicht in het Informatieboekje konkludeert dat de kerkelijke statistiek altijd een rand van onzekerheid kent.
Dat blijkt inderdaad ook dit jaar zo te zijn. Bij het naast elkaar leggen van de aantallen mensen die CG waren en NG geworden zijn en omgekeerd, zoals vermeld in beide boekjes, merk je dat die aantallen elkaar niet volledig dekken.
En nu we het toch over cijfers hebben: het totaal aantal leden van de CGK was aan het begin van dit jaar 75.496,een vermindering van 224 leden t.o.v. een jaar daarvoor. De NGK hadden 29.671 leden, een stijging in 1993van 36 leden.
Drs. H. Algra schrijft in het jaaroverzicht het een en ander over het kerkelijk grensverkeer en hij komt tot de konklusie dat de NGK 'per saldo' de meeste leden verliezen in de richting van de evangelische kerken en groepen. Algra geeft de ledenaantallen van de laatste 5 jaar door. Ik heb zelf eens eventjes geneusd in de laatste 5 informatieboekjes en zo ontdekte ik dat 1.916van de 29.671 leden van de NGK pas sinds hooguit 5 jaar NG zijn. Dat wil zeggen: zo'n 6%%; bepaald niet niets. En dat zijn dan broeders en zusters die van allerlei 'richtingen' zich bij de NGK hebben aangesloten en zonder enige twijfel om heel verschillende redenen. Zij brengen allemaal hun eigen geschiedenis en invloed mee. Wellicht dat ook dit gegeven meespeelt in wat Algra schrijft: "Ook binnen de kerken worden sommige ontwikkelingen verschillend getaxeerd".
Wat een belangrijk deel van de kerkelijke jaarboeken uitmaakt, zijn de jaaroverzichten.
Ik heb drs. Algra al genoemd als degene die het overzicht in het Informatieboekje heeft verzorgd.
Drs. J.CL Starreveld deed het in het Jaarboek. Wat opvalt is de nogal verschillende opzet en inhoud van de overzichten.
Starreveld somt voornamelijk de vele CG aktiviteiten op, terwijl Algra meer 'beschouwend' bezig is. De inzet bij Starreveld is een boeiende: "In Micha 5:6 vinden we een bemoedigende belofte voor de kerk des Heren in alle tijden: 'En het overblijfsel van Jakob zal te midden van vele volkeren zijn als dauw van de Here, als regenstromen op het groene kruid, dat niet wacht op de mens, noch mensenkinderen verbeidt' "
AI snel komt Starreveld te spreken over de statistiek: "De ontwikkeling van het ledental laat een dalende lijn zien." En dan een heel wijze opmerking m.i.: "Letten we alleen op de getallen, dan zit het verlies bij de doopleden, dus bij de jongeren en jongvolwassenen; het is ongepast om hen als verantwoordelijk voor het achteruitgaan van de kerk aan te wijzen. Immers zij zijn afhankelijk van wat hen door ouderen wordt aangereikt.
Zij kiezen later pas zelf of die aangereikte geloofstraditie voor hen waardevol en het overnemen waard is of niet."
Algra is ook met deze materie bezig geweest. De positie van het gezin is onder druk komen te staan, "terwijl datzelfde gezin ook de belangrijkste basis voor de christelijke opvoeding" is.
En hij voegt er aan toe: "Christelijke opvoeding behoort plaats te vinden in de gemeenschap met andere christenen.
Slaagt de christelijke gemeente er in om een gemeenschap te vormen waar ouders en andere opvoeders steun van elkaar kunnen ontvangen? En daarnaast: in hoeverre leunen we nog aan tegen een verleden waarin de christelijke opvoeding vanzelfsprekend leek?
Zijn we wel voldoende toegerust om in de 21e eeuw aan jonge mensen te vertellen over de grote daden van de Here?" Indringend! Onder het kopje 'Een kleine gemeenschap' schrijft Algra over de 2 gemeentes die werden opgeheven: Aalten/Winterswijk en Eck en Wiel en over een nieuwe gemeente: Zeewolde. En uit ditzelfde gedeelte van het overzicht, bij de kerkelijke statistiek, wil ik het volgende citeren: "Niet de kerken, maar het feit dat zovelen het in de kerk 'voor gezien houden'. Dat onze kerken desondanks enigszins in ledental groeiden, wordt veroorzaakt door het feit dat het geboortecijfer het verlies aan leden ruimschoots compenseert."
Algra schrijft ook over het kerkbezoek.
Waar de gesprekken daarover wel eens moeilijk kunnen zijn, omdat posities zo vast lijken te liggen, vind ik dat Algra wijze woorden heeft geschreven, bijv, dat we "niet krampachtig iedere verandering in de eredienst af te wijzen"
hebben. Eveneens trof mij zijn benadering van het gegeven dat mensen minder vaak naar de kerk gaan. "Een oordeel is soms te gemakkelijk geveld.
Daarnaast kunnen we ons afvragen of het gevoelsleven wel voldoende ruimte heeft gekregen in het pastorale gesprek en tijdens de kerkdiensten. Geloof heeft niet alleen met het verstand te maken, maar raakt ook het hart. Waneer we daar onvoldoende oog voor hebben, staan gemeenteleden in de kou." Maar Algra wil niet eenzijdig bezig zijn, getuige: :,Toch willen we in dit verband de vraag stellen of in teruglopend kerkbezoek - in zijn algemeenheid gesproken - de invloed van de 'gefragmentariseerde' samenleving merkbaar wordt. Maakt men er een gewoonte van, om de kerkdiensten te bezoeken wanneer men daar behoefte aan heeft? Wie zo met kerkdiensten omgaat, maakt daarmee de kerkdienst tot een deel van de supermarkt-cultuur." Dat is ook de titel van het jaaroverzicht: 'kerken in een supermarkt-cultuur'. En Algra stelt nog een aantal indringende vragen, zoals: "Zouden we niet juist nu de zondagse kerkgang extra hard nodig hebben? En (in het perspectief van de geloofsopvoeding): onthouden ouders hun kinderen zo niet mogelijkheden tot ontmoeting met mede-christenen?"
Wat de kontakten met de NGK en de GKV (Geref. Kerken Vrijgemaakt) betreft, daar besteedt Starreveld slechts vijf regels aan, tegenover Algra een kleine zes pagina's! Ik schreef al dat het Informatieboekje nog nooit zo dik geweest is. Dat komt met name door het jaaroverzicht. Algra heeft maar liefst 10 pagina's méér nodig dan vorig jaar. Wie mocht denken: 10 pagina's meer geleuter, heeft het goed mis!
Een klein maar niet onbelangrijk puntje dat mij opviel, was op p. 166. Algra heeft het een en ander geschreven over de Theologische Studiebegeleiding en dan schrijft hij ook waar de ex-TSB-ers bIeven.
Maar hij geeft geen antwoord waar de vrouwelijke studenten bleven. Ook horen we niets over het opmerkelijke feit dat de kerkeraad van Haarlem en kand.
J. Beeftink in onderling overleg overeengekomen zijn om een eerder uitgebracht en aangenomen beroep in te trekken.
Het Jaarboek besteedt aandacht aan het feit dat de CGK al 100jaar een eigen opleiding tot dienaar des Woords hebben.
Er is een weergave van een gesprek van een dominee die in Apeldoorn studeerde van 1922-1930en een student van nu. De redaktie van het Jaarboek heeft daarnaast vijf predikanten bereid gevonden om iets te schrijven over hun ervaringen in Apeldoorn. En dat zijn dan ervaringen uit elk decennium van na de 2e wereldoorlog. Wat me hierin m.n. trof was dat alle vijf op de vraag welke wensen men heeft t.o.v. de opleiding een antwoord geven in de trant van: het moet meer praktisch zijn. De jongste twee noemen allebei de pastorale psychologie.
Het is geen toeval dat sinds enige tijd de studenten in Apeldoorn die beroepbaar gesteld zijn, eerst een stage moeten doorlopen, voordat de beroepbaarstelling daadwerkelijk van kracht wordt. Ook de Landelijke Vergadering houdt zich hiermee bezig. En terecht!
Het is inderdaad heel belangrijk, want de overgang van de theorie naar de praktijk is groot. Ik heb wel eens gezegd: theoretisch wist ik alles van de praktijk!
Het Informatieboekje heeft bij de gegevens van de plaatselijke kerken ook het netnummer van de gemeente een plaats gegeven. Dat is werkelijk heel handig.
Beide jaarboekjes tenslotte hebben een aantal in memoria. In het Jaarboek worden ds. J.W. van de Gronden,
ds. P. Beekhuis, ds. G.J. Buijs en ds. H.E.
Sterk herdacht. In het Informatieboekje staat F. Gerkema stil bij het leven van ds. C. van Leeuwen, L.W.G. Blokhuis herdenkt ds. C. Vonk en het leven van ds. H. van der Veen wordt beschreven door W.J. van der Linde. Het zijn allemaal fijne teksten, waarin naast de moeiten die de overledenen hebben meegemaakt, ook de dank aan God doorklinkt voor het goede wat Hij ons in hen gaf. Br. F. Nabers uit Barendrecht heeft de redaktie van Opbouw geschreven over het in memoriam ds. C. Vonk.
Daarin wordt verteld dat ds. Vonk het blad 'De Vrije Kerk' oprichtte en dat hieruit het 'Nederlands Dagblad' is voortgekomen. Nabers heeft echter zelf met vijf anderen, die inmiddels gestorven zijn, de oprichtingsvergadering meegemaakt van 'Reformatie-
Stemmen' . En daar was ds. Vonk niet bij. Wel heeft ds. Vonk veel gepubliceerd in dit blad. En toen het fuseerde met het blad 'De Vrije Kerk' werd Vonk daarvan hoofdredacteur. En zo stond hij mede aan het begin van het 'Nederlands Dagblad' dat eerst het 'Gereformeerd Gezinsblad' heette en dat was voortgekomen uit 'De Vrije Kerk'.
Wie wat met beide kerkengroepen heeft, doet er goed aan de boeken aan te schaffen. Je bent dan weer helemaal bij wat betreft zeer veel adressen, kerktijden, kommissies enzovoort en je hebt weer een stukje geschiedenis van de kerk.
Naar aanleiding van: Jaarboek 1994 van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland, onder redactie van
Ds. H. van der Schaaf, Drs. J.C.L. Starreveld en Ds. H.J.Th. Velema. Het telt 308 pagina's, kost f 16,25 en is verschenen bij uitgeverij D.J.
van Brummen/Buijten & Schipperheijn.
Informatieboekje voor de Nederlands Gereformeerde Kerken 1994, onder redactie van Drs. H.
Algra. Het is 256 pagina's dik, kost f 16,50 en is verschenen bij Buijten & Schipperheijn.