Ze redden zich wel

1994-06-17
  • Jaargang 38
  • nummer 12
Jongeren van 12 tot 18 jaar. Ze lijken heel zelfstandig. Misschien denk je als ouder dat ze zich zélf wel kunnen redden. Aan de andere kant weet iedere opvoeder wel dat jongens en meisjes in deze leeftijd het soms erg moeilijk hebben en daarom ook hulp nodig hebben. Achter de titel van deze bijdrage kan dus ook een vraagteken gezet worden. Redden ze zich wel?

Het jaarlijkse congres van de VCPB1 ging dit jaar over jeugdculturen en de pedagogische relatie. Hoe kun je met jongeren in de huidige verbrokkelde samenleving een opvoedkundige relatie opbouwen? De eerste spreker op het congres was drs. G.J. Blanken. Hij is eindredakteur van het boekje 'Jeugdwerk in een supermarktcultuur'. Aan deze publikatie werd vorig jaar in 'Opbouw' uitgebreid aandacht besteed".
Ook komt in het Informatieboekje 1994 het onderwerp 'supermarktcultuur' ter sprake.

Cultuurpessimi!lme
Aan de hand van de visies van Lasch en Postman ging Blanken in op ontwikkelingen in de huidige samenleving. Volgens Lasch kunnen kinderen alleen in gezinsverband psychisch gezond opgroeien.
Voor de goede orde: het is van belang om te bedenken dat Lasch niet vanuit een christelijke moraal het gezin verdedigt; hij doet dit vanuit de visie van Freud, de psycho-analyse. Waarom vindt Lasch het gezin zo belangrijk? In een gezond gezin krijgt het kind twee basisvoorwaarden voor verdere groei aangeboden: aan de ene kant een volkomen acceptatie van het kind, aan de andere kant het bieden van voldoende discipline. Door 'de diktatuur van de moderne religie van de sociale wetenschap' durven mensen in deze tijd nauwelijks meer op te voeden. Daardoor worden kinderen onzeker en raken ze op zichzelf gericht (met een moeilijk woord: narcistisch).
Postman besteedt in zijn publikaties aandacht aan de vraag hoe boodschappen worden gecommuniceerd. Vroeger werd er veel gelezen. Dat vroeg om zelfbeheersing. Tijdens het lezen vormden mensen zich een mening en leerden ze verbanden te leggen. Een kind dat nog niet aan een bepaald onderwerp toe was, kwam dat onderwerp ook niet tegen: het boek was gewoon nog te moeilijk. Op die manier kregen kinderen vanzelf bescherming. In deze tijd is dat alles verdwenen. Men krijgt informatie als hapklare brokken aangeboden, zonder de context. Argumenteren is er niet meer bij, men wisselt slechts indrukken uit. Blanken bleek een eind mee te gaan met de pessimistische cultuuranalyses van Lasch en Postman. Dit ontlokte een van de aanwezigen later de vraag waarom christenen zich altijd zo aangetrokken voelen tot cultuurpessimisme.
Blanken zag echter in deze theorieën een mogelijkheid to~signalering wat er aan de hand kan zijn in de samenleving.

Een betrouwbare pedagogische relatie
Het gevolg van de eerder genoemde ontwikkelingen is, dat we denken dat jongeren zichzelf wel redden. Ze lijken allemaal zelfstandig te zijn en overal over mee te kunnen praten. Dat is volgens Blanken de grootste denkfout die je in de omgang met jongeren kunt maken.
Jongeren hebben veel behoefte aan steun.
Wat betekenen deze ontwikkelingen voor christen-opvoeders? Ouders moeten gesteund worden in het vormgeven aan die pedagogische relatie. Met het opleggen van waarden en normen ben je er niet. Opvallend is het grote aantal opvoedingstips in recent verschenen boeken. Met het volgen van die tips ben je echter bepaald nog geen goede opvoeder ... Daarom moeten ouders en andere opvoeders sámen zoeken naar oplossingen. Geïsoleerde gezinnen zijn een ernstige risicofactor en vormen zelfs een bedreiging voor het welzijn van het kind én van zijn ouders. Blanken noemde als kernbegrippen van de christelijke pedagogische relatie: trouw, betrouwbaarheid, de ander uitnemender achten dan jezelf. Liefde en discipline behoren als eenheid te worden aangeboden.
Dus geen regels zonder liefde, geen liefde zonder regels.
Is de huidige jeugdcultuur dan niets waard? Dat kun je niet zeggen. Wat we van de jeugdcultuur kunnen leren is de enorme creativiteit. Wat we als opvoeders aan moeten kunnen bieden is: de stabiliteit van een betrouwbare pedagogische relatie. Wanneer ouders en opvoeders die twee elementen samenvoegen "kunnen er in de opvoeding nog heel mooie dingen gebeuren".

Achtergronden van probleemgedrag
De tweede spreker was prof.dr. J.D. van der Ploeg, emeritus hoogleraar orthopedagogiek in Leiden. Hij ging in op de achtergronden van 'probleemgedrag'.
Moeilijk te hanteren gedrag bij een kind komt niet uit de lucht vallen. Het is een gevolg van een samenspel van sociale en biologische factoren. Van der Ploeg noemde in dit verband risico's binnen het gezin, in de persoonlijkheid van het kind, een risicovolle school en een risicovol netwerk (de achtervang voor een kind). Vervolgens liep hij een aantal factoren in het gezin langs die bij het kind tot ernstige problemen kunnen leiden (bijvoorbeeld: het eenzijdig opleggen van regels zonder dat er sprake is van een liefdevolle relatie).
Evenals Blanken benadrukte Van der Ploeg het belang van een sociaal netwerk voor het kind en voor het gezin.
Kenmerkend voor zwerfjongeren is o.a. het feit dat ze geen sociaal netwerk kennen waar ze steun en plezier aan kunnen ontlenen.

Persoonlijkheid
Van der Ploeg ging uitvoerig in op persoonlijkheidsfactoren.
In positieve zin kunnen deze factoren een kind beschermen tegen negatieve invloedenk, in negatieve zin vergroten ze de kans op ernstige problemen voor het kind. Deze persoonlijkheid wordt voor een belangrijk deel gevormd binnen de opvoeding.
Van der Ploeg noemde als elementen van de persoonlijkheid:
- zelfbeeld: heeft een kind een positief beeld van zichzelf?
- zelfhandhaving: hoe gaat een jongere om met problemen?
- zelfbepaling: heeft een jongere het idee dat hij zelf invloed uit kan oefenen op zijn omgeving?
- zelfcontrole: de mate waarin een jongere zijn gedrag en zijn impulsen kan beheersen.
Aan de hand van onderzoek dat Van der Ploeg deed onder zwerfjongeren lichtte hij een en ander nader toe. Hij vertelde dat veel zwerfjongeren een lange reeks van mislukte hulpverleningscontacten achter de rug hebben en dat hun problematiek vaak zeer hardnekkig is. Ze redden zich dus niet!

Christelijke hulpverlening
Van der Ploeg noemde de relatie tussen levensbeschouwing en hulpverlening niet eenvoudig. Wel onderkende hij het belang van de levensbeschouwing: het is een belangrijke bron van inspiratie en motivatie. Je solidair verklaren, perspektief zien, de moed niet opgeven, het mensbeeld voor ogen zien. Ook noemde hij het van belang dat mensen gestimuleerd worden in het nadenken over waarden en normen. Echter: bij het professionele handelen moet je gebruik maken van wetenschappelijke inzichten.
In een stelling geformuleerd: "Christelijke waarden kunnen de opvoeder en hulpverlener wél motiveren, maar zijn niet toereikend om het handelen vorm te geven". Je kunt dus niet vanuit je levensovertuiging rechtstreeks afleiden hoe je in bepaalde opvoedingssituaties zou moeten handelen. Wel ben je als hulpverlener een model voor de visie die je je eigen hebt gemaakt.
Daarmee was het ochtendgedeelte van het 6e congres van de VCPB ten einde.
In 'Opbouw' hebben we slechts een impressie van de lezingen gegeven. Een verslag van de forumdiskussie en van de inhoud van een boeiend theaterstuk laten we achterweçe".

Noten:
1 VCPB- VerenigingvanChristen-
PedagogenenBeroepsopvoeders, p/a Christelijk StudiecentrumI CS,N.l. VoorburgwaI96-1, 1012SGAMSTERDAM, (020)6257141.
2 Dezgn.supermarktcultuurkwamter sprake in Opbouw,32e jrg. nr.45,34ejrg. nrs. 13,16 en 17,enbij de besprekingvan hetboekjevan Blankene.a.:37e jrg. nrs. 17,18en 19.
3 InhetperiodiekvandeVCPB(Traject') zal eenuitvoerigverslagvandezedagverschijnen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief