Terloops

1994-06-17
  • Jaargang 38
  • nummer 12
Schimmen in de kerk
In 1550 werd in Zaltbommel geboren Hendrik de Keijser. Later noemde hij zich Henricus Caesarius. Latijn was in die tijd nog in. Deze De Keijser is later predikant geweest in Dordrecht, Schoonhoven en Utreçht. Vooral in Utrecht, waar hij in 1590 kwam wonen, heeft hij een belangrijke rol gespeeld in het kerkelijk leven. Hij ging naar Utrecht op aandringen (bevel?) van Prins Maurits. Later nam hij een bepaalde positie in in de strijd tussen remonstranten en contraremonstranten.
Hij was aanhanger van de remonstrantse gedachten, werd, nadat hijzelf reeds ontslag had aangevraagd in verband met zijn leeftijd, in 1618 als predikant ontslagen, maar hij bleef kerken in de hervormde kerk van Utrecht.
Op zijn oude dag zat hij niet lusteloos in een stoel. Hij schreef een aantal boeken en in één van die boeken vertelde hij een verhaal over wat hij als achtjarige jongen had beleefd in de Sint Maartenskerk van Zaltbommel.
Het was een merkwaardig verhaal, maar Caesarius wist zich het gebeuren op 72-jarige leeftijd nog goed te herinneren.
Het was het jaar 1558. In dat jaar heerste in Zaltbommel de pest. De kleine Hendrik was een vrome jongen en was koorknaap. Dat paste bij hem.
Hij ging op een dag in het najaar 's morgens vroeg, om 5 uur, naar de kerk om met de kanunniken en anderen missen te zingen. Onder de vele zieken in de stad waren ook enkele priesters.
Het verhaal is als volgt: (ik geef het weer in hedendaags nederlands): Ik trok mijn koorkleed aan om naar het hoge koor te gaan. Daar zag ik drie of vier priesters de kerk binnen komen!
Ik wist toch zeker dat ze ziek te bed lagen! Zij liepen naar een zitkist die stond in het St. Antoniuspand, waar zij, naar het scheen, met devotie hun gebeden deden. Zij rezen weer van daar op en gingen de zuider-kerkdeur weer uit. Ik was niet weinig verbaasd. Toch had ik het duidelijk gezien, want ..
enige lampen brandden helder in de kerk. Intussen: ik ging naar het koor en ging staan waar het volgens mijn beurt zijn moest, en wel vóór het gestoelte van de deken van tien kanunniken.
Johannes Meursius was de deken.
Nog was geen van de priesters en koorzangers aanwezig.'
Ondanks zijn verbazing deed de jongen wat hij doen moest. Het verhaal gaan dan ook zó verder: 'Ik sloeg (toen alvast) de twee boeken open: de psalmen en een ander gezangboek, om daaruit (straks) deels te lezen, deels te zingen. Zodra (echter) lagen de boeken niet open, ofde kaars die vóór mij op de kandelaar stond werd uitgeblazen. Ik ging dadelijk naar de sacristie, waar de koster meester Willem op zijn post was, stak mijn kaars aan en ging weer naar mijn boeken die open lagen. Nu werd niet alleen de kaars uitgeblazen, maar ook sloegen de beide boeken weer dicht!
Verschrikt haalde ik weer een licht. De goede koster bekeek mij, zeide dat ik in brooddronkenheid dartelheden bedreef, zoals hij dat van de kerkkoralen (koorknapen) wel meer ondervond. Ik vertelde hem wat gebeurd was en verontschuldigde mij zo goed mogelijk.
Weer op mijn plaats gekomen, gebeurde waarlijk hetzelfde; met nog meer kracht werden de boeken dichtgesmeten.
Ik durfde niet nog eens naar de koster te gaan. Moed grijpende liep ik naar het midden van eht koor, waar een brandende lamp voor het sacramentshuijsken hing, een lamp van zeer schoon en kostbaar maaksel.
Ik wilde mijn kaars weer aansteken en trok de lamp naar beneden. Opeens, zonder dat ik een oorzaak kon bespeuren, werd de lamp voor mijn oogen op en neer getrokken! Geen druppel olie werd gestort; het licht ging niet uit. Ik dacht aan het geval met de priesters zoëven: het spookt hier! Bevend, luid schreeuwend liep ik naar de consistorie, kroop onder de tabbaard van de koster waarover nu ook hij zijn koorkleed had aangedaan. De man was met mij begaan, maar ik kon niets zeggen en was buiten mijzelf. Bijgekomen vertelde ik hem het een en ander, toen juist kanunniken, priesters, medekoorzangers het koor en de sacristie inkwamen. Zij vroegen wat mij deerde.
De koster vertelde wat hij van mij wist.
Ik moest maar met de andere zangers naar het koor gaan en de dienst beginnen; zij zouden volgen.
Na het einde van de morgengebeden kwam het bericht dat diezelfde priesters die ik gezien had juist in de morgenstond waren gestorven! Ik had hun schimmen gezien: Dat heb ik altijd gezegd en zeg ik nog: het is een ware geschiedenis. '

Dat was het verhaal van Hendrik de Keijser. Hij was op hoge leeftijd niet dement, dat staat wel vast. Maar ja ...
Zoals gezegd nam hij als predikant aktief deel aan het kerkelijk leven. De synode van 1612 benoemde hem als commissielid in verband met de samenstelling van een liedboek. In 1615 was er een bundel gereed. Boven de titel staan afgedrukt de woorden uit Openbaring: 'En sij songen een nieuw Liedt'. Van deze liedbundel zijn in ons land nog slechts drie exemplaren aanwezig.
Het liedboek is niet direct in gebruik genomen. De kerkelijke twisten slokten alle aandacht op.
Het liedboek, waaraan Gaesarius meewerkte, is in de vergeethoek geraakt.
Het verhaal van de schimmen is gebleven.
Het wordt nog steeds verteld bij ons in Bommel.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief