Genesis 1 (1)
1994-12-02
- Jaargang 38
- nummer 24
Problematisch
Het eerste hoofdstuk van de bijbel is in de loop van de geschiedenis voor veel christenen problematisch geworden. Het oude, vertrouwde bericht over de schepping van hemel en aarde in zeven dagen heeft aan vanzelfsprekendheid ingeboet, doordat van de kant van de natuurwetenschap een heel andere opvatting over het ontstaan van de wereld ontwikkeld is. In gepopulariseerde vorm is die opvatting bij een groot publiek bekend geworden. Zo behoort het langzamerhand tot de basiskennis van de moderne westerse mens, dat de ontstaansgeschiedenis van het heelal vele miljoenen jaren bestrijkt. 'Evolutie' is een begrip geworden. Wie aan een middelbare scholier vraagt wat er helemaal aan het begin gebeurde, zal naar alle waarschijnlijkheid een uiteenzetting over de 'Big Bang' te horen krijgen. Dat alles laat zich maar moeilijk verenigen met Genesis 1. Veel mensen - voor zover ze althans nog met de bijbel bekend zijn - zijn dan ook gauw klaar met het scheppingsbericht. Naar hun besef is het een mythe die typerend is voor het stadium, dat de mensheid nog een religieuze verklaring zocht voor het ontstaan van alles. Zij verbazen zich er oprecht over, dat er in onze tijd van natuurwetenschappelijke kennis nog mensen zijn die zulk soort mythen serieus nemen! Ook binnen de kerken zijn er velen die Genesis 1 simpelweg hebben ingeruild voor moderne wetenschappelijke theorievorming. Dat hoeft nog niet te betekenen dat zij het evolutie-model op geen enkele manier in verband brengen met (hun geloof in) God. Maar het verhaal van de zeven dagen - dat is voor hen volstrekt achterhaald.
Inruilen?
Er zijn echter heel wat christenen - en tot die groep behoor ikzelf - die er moeite mee hebben om op deze manier af te rekenen met Genesis 1. Zij willen er niet aan, dat dit verheven bijbelgedeelte zijn tijd zou hebben gehad. Zij houden het erop, dat het scheppingsverhaal deel uitmaakt van Gods eigen boodschap aan ons mensen, en kunnen en willen daarom niet geloven dat het gekorrigeerd of zelfs vervangen zou moeten worden door de natuurwetenschappelijke theorievorming. Maar evenmin willen zij de gedachte aanvaarden, dat alles wat we kunnen weten over de oorsprong van deze wereld al in de bijbel geopenbaard zou zijn, zodat het helemaal niet nodig zou zijn om de natuur methodisch te doorvorsen, op zoek naar haar ontstaansgeschiedenis.
Dat zou een oplossing van het probleem in omgekeerde richting zijn: dan ruil je de wetenschap in voor de openbaring.
Maar daarmee zou weer geen recht worden gedaan aan de mogelijkheid en de verantwoordelijkheid die God ons mensen gegeven heeft, om zijn werken in de schepping na te speuren (vgl. psalm 111:2). Nee, de eerbied voor Gods Woord in Genesis 1 mag niet ten koste gaan van een verwerping van natuurwetenschappelijk onderzoek. Wij hebben met twee grootheden te doen, die allebei recht van spreken hebben: het bijbelwoord, en de ontdekkingen van natuurvorsers.
En wij mogen geloven, dat die twee niet strijdig met elkaar zijn. Het kan immers toch niet zo zijn, dat God in de bijbel zou weerspreken wat Hij onderzoekers van zijn schepping op het spoor laat komen? En toch lijkt dat laatste het geval te zijn: het gaat geweldig wringen als je Genesis 1 en de moderne natuurwetenschap op elkaar drukt.
Harmonisatie
Om dit probleem op te lossen heeft men pogingen ondernomen tot harmonisatie, tot het spanningsloos samenvoegen van enerzijds de bijbelse openbaring en anderzijds de resultaten van natuurwetenschappelijk onderzoek. Die harmonisatie kan op twee manieren plaats vinden: óf door aan te tonen, dat de moderne theorieën over het ontstaan van de wereld kunnen worden ingepast in Genesis 1; óf door te bewijzen dat die theorieën minder uitzicht geven op een bevredigende natuurwetenschappelijke verklaring van het ontstaan van de wereld dan het bijbelse scheppingsbericht.
In de praktijk gaan die twee methodes samen, en probeert men zowel Genesis 1 toe te trekken naar de moderne natuurwetenschap, als aan te tonen dat het evolutiedenken onhoudbaar is. Zo is wel geopperd dat de zeven dagen van Genesis 1 geen dagen van 24 uur waren, maar enorme tijdperken. Op die manier ontstaat er ruimte om de moderne gedachte, dat het heelal er miljarden jaren over gedaan heeft om uit te groeien tot wat het nu is, in te passen in de bijbel.
Anderzijds hebben christelijke natuurwetenschappers moeite gedaan om in plaats van het naar hun overtuiging . gebrekkige evolutie-model een theorie te vormen, die helemaal in overeenstemming is met de beschrijving van de schepping in Genesis 1.
Geen oplossing
Dit streven naar harmonisatie heeft iets sympathieks. Het dient er immers toe, de rust terug te brengen bij al die gelovigen die zich verscheurd voelen door enerzijds hun respect voor het bijbelwoord, en anderzijds hun overtuiging dat recht moet worden gedaan aan resultaten van wetenschappelijk onderzoek. Maar lukt het zo? Is het op deze manier met het wringen echt gedaan? Ik geloof het niet. Want neem nu eens het merkwaardige gegeven, dat volgens Genesis 1 de schepping van de plantenwereld eerder heeft plaatsgevonden dan die van de hemellichamen. Dat is volkomen in strijd met de alom aanvaarde gedachte, dat het leven op aarde tot ontwikkeling gekomen is, niet alleen lang nadat de miljarden sterrenstelsels tot stand waren gekomen, maar ook slechts bij de gratie van de struktuur van het heelal. Zou er ook maar één serieuze wetenschapper zijn, die voor zijn theorievorming zijn uitgangspunt zal nemen in de volgorde 'eerst planten, toen sterren'? Maar ook aan de andere kant, daar waar men probeert de resultaten van het moderne onderzoek in te passen in het bijbelse scheppingsbericht, is het pogen tot harmonisatie naar mijn mening tot mislukken gedoemd. Het oprekken bijvoorbeeld van de scheppingsdagen tot zeer lange tijdperken is vreselijk gekunsteld. Het is waar, één dag is bij de Here als duizend jaar, 11 Petrus 3:8. Maar niets wijst erop dat Genesis 1 vanuit dat bijbelwoord gelezen wil worden. Integendeel, de wisseling van het licht van de dag en het donker van de nacht, die tot uitdrukking komt in het avond en weer morgen worden, roept heel bewust het beeld~ van de dagen zoals wij mensen die kennen. Dat geldt temeer omdat er sprake is van zeven dagen, waarvan de laatste vooruitloopt op de latere sabbatdag. Hier wordt de werkweek beschreven die uitloopt op de rust! Van die tijdsstructuur blijft niets meer heel, als je de dagen opvat als tijdperken. Bij consequente doordenking van die opvatting rijzen ook de wonderlijkste vragen. Waren de nachten eveneens lange tijdperken? En was het dan eeuwen en eeuwenlang donker? En deed God dan niets? En wat moeten we ons voorstellen bij de rust van het zevende tijdperk? Het lijkt mij duidelijk: geen mens zou op het idee van deze uitleg komen, als er geen buiten-bijbelse overwegingen waren die de voor de hand liggende exegese in de weg lijken te staan. Maar dat betekent, dat er eerder sprake is van 'inleg' dan van 'uitleg'. Mijn conclusie is, dat al dit geharmoniseer geen oplossing is, doordat het zowel de bijbel als de wetenschap geweld aandoet.
Evangelieverkondiging
Maar hoe kunnen we dan wél aan beide recht doen? Naar mijn mening lukt dat alleen, indien we er ernst mee maken dat Genesis 1 iets heel anders beoogt dan het verstrekken van natuurwetenschappelijke informatie. Alom wordt ook door orthodoxe christenen erkend dat de bijbel geen leerboek voor natuurkunde of biologie is, maar het komt mij voor dat die erkenning toch nog teveel een kreet is gebleven en te weinig heeft doorgewerkt in het verstaan van het eerste bijbelhoofdstuk. Zo heeft de hierboven beschreven poging tot harmonisatie van enerzijds het scheppingsbericht en anderzijds de resultaten van het moderne onderzoek, mijns in ziens als belangrijkste euvel, dat Gods openbaring door de koker van de natuurwetenschappelijke benadering wordt geperst.
Immers, wie de 'dagen' opvat als 'tijdperken', is in feite toch weer bezig de bijbel te verstaan binnen een natuurwetenschappelijk kader. En wie voor zijn theorievorming over het ontstaan van de wereld zich streng houdt aan de volgorde die in Genesis 1 beschreven wordt, verheft die volgorde daarmee tot wetenschappelijk principe. Het gevolg is niet alleen dat het blijft wringen tussen bijbel en wetenschap, maar ook dat de bijbel zijn eigenlijke geheim niet prijs geeft.
lets daarvan bleek hierboven al: de tijdperkentheorie verduistert de kennelijke boodschap van Genesis 1, dat de werkweek die op rust uitloopt beantwoordt aan de stijl die God zich bij de schepping van de wereld verkoos. Maar dat is allesbehalve een natuurwetenschappelijk gegeven! Alleen wanneer men zich bij de lezing van Genesis 1 echt losmaakt van de natuurwetenschappelijke benadering, zal men de eigenlijke zeggingskracht van het scheppingsbericht kunnen ondergaan. Ik beweer niet dat de bijbelse openbaring over het ontstaan van de wereld geen enkel raakpunt heeft met het natuurwetenschappelijk onderzoek daarnaar. Karl Barth, die een monumentale studie schreef over de eerste hoofdstukken van Genesis, maakt het naar mijn idee te bont door bijbel en natuurwetenschap op te vatten als twee geheel los van elkaar staande benaderingen. De bijbelse openbaring over Gods scheppend handelen geeft ongetwijfeld het kader aan waarbinnen het natuurwetenschappelijk bezig zijn een zinvolle plaats krijgt. In een volgend nummer van Opbouw wil ik daarover iets meer zeggen. Maar dan moet eerst helder worden hoe Genesis 1 wél moet worden opgevat.
Een tikkeltje overdreven, maar wel heel duidelijk is het om te zeggen dat Genesis 1 beoogt het evangelie te verkondigen van Gods scheppingshandelen.
Licht!
Om te begrijpen wat daarmee bedoeld wordt, helpt het om stil te staan bij Gods eerste scheppingswerk: de schepping van het licht (Genesis 1:3). De natuurwetenschappelijke benadering stuit hier direct al op een groot probleem. Immers, volgens Genesis 1 heeft God het licht geschapen op de eerste dag, en heeft Hij pas op de vierde dag de zon, de maan en de sterren gemaakt. Maar waar kwam dat allereerste licht dan vandaan? En hoe moeten we ons de eerste drie etmalen voorstellen in de wisseling van dag en nacht, als er toen nog geen hemellichamen waren? Mensen hebben zich lang het hoofd gebroken over deze vragen en allerlei antwoorden bedacht, het een nog meer gekunsteld dan het ander. Maar kijk nu eens in welk verband Paulus herinnert aan de schepping van het licht. In 11 Korinthiërs 4:6 trekt hij een parallel tussen het eerste scheppingswerk en de uitwerking van de prediking van Jezus Christus: "De God die gesproken heeft: 'Licht schijne uit het duister!', heeft het doen schijnen in onze harten om ons te verlichten met de kennis van de heerlijkheid Gods in het aangezicht van Christus."
Deze woorden zijn zeker niet bedoeld als een commentaar op Genesis 1:3. Paulus doet niet meer dan de gelijkenis opmerken tussen het verlossende effect van zijn evangelieverkondiging én Gods handelen in den beginne. Maar dat zegt wel heel veel over de schepping van het licht! Kennelijk is er toen, op die eerste scheppingsdag, iets gebeurd dat dezelfde draagwijdte heeft als de verkondiging van Jezus Christus: het werd licht in de wereld! Ik ken dan ook geen beter commentaar op Genesis 1:3 dan dat van de componist Joseph Haydn in zijn oratorium Die Schöpfung. Wat doet Haydn als hij wil verklanken dat God in een duistere wereld het licht zijn intrede laat doen? Hij laat de muziek, tot dusverre nog mysterieus en angstig, als het ware exploderen van blijdschap. En inderdaad, dat wil Genesis 1 zeggen: de inzet van de schepping is ontzaglijk vreugdevol. Het eerste woord dat God spreekt, zet de toon voor alles wat nog komen gaat:
God heeft het eerste woord.
Hij heeft in den beginne
het licht doen overwinnen,
Hij spreekt nog altijd voort. (gezang 1:1)
(wordt vervolgd)