Over Dooyeweerd, 1894-1994

1994-12-02
  • Jaargang 38
  • nummer 24
Op 7 oktober was het honderd jaar geleden dat Herman Dooyeweerd werd geboren. Daaraan is in binnen- en buitenland dit jaar al veel aandacht besteed met conferenties, artikelen, toespraken in wetenschappelijke bijeenkomsten, enz. De dagbladpers, ook de niet-christelijke, bleef niet achter. Zodoende is m.i. ruim genoeg aandacht besteed aan het formaat van Dooyeweerd, want vooral daarover spraken de meeste krantenberichten die ik las. Het belangrijkste van wat daardoor algemeen erkend is gebleken, zijn de uitzonderlijke begaafdheden van Dooyeweerd, zijn originaliteit, zijn geleerdheid, zijn brede invloed bij geestverwanten in binnen- en buitenland, zijn deftige en tegelijk charmante omgangsvormen, zijn kunstzinnigheid, zijn welsprekendheid getoond in tal van uit het hoofd gehouden wetenschappelijke en populaire redevoeringen. Kortom, de mens Dooyeweerd was een buitengewoon en veelzijdig begaafd iemand. Een genie. Symptomatisch voor zijn wetenschappelijk aanzien ook buiten de kring zijner geestverwanten, was dat hij ter gelegenheid van het 150-jarig bestaan van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen in 1958 was gevraagd de wetenschappelijke feestrede uit te spreken. Hij sprak toen over Maatstaven ter onderkenning van progressieve en reactionaire bewegingen in de historische ontwikkeling.

Wat bezielde hem?
Zulke geniale mensen zijn er natuurlijk veel meer. Belangrijker was het werk zelf waartoe hij zich geroepen geloofde, nl. de geestelijke strijd tegen de wereldgelijkvormigheid op het gebied van de wetenschap. Ook wel genoemd: de geestelijke strijd tegen de synthese van christelijk en onchristelijk denken. Wat Dooyeweerds leven en werk kenmerkte was een bezieling en visie die te vergelijken was met die van Abr. Kuyper. De welwillende ontvangst die Dooyeweerds werk in een deel van het gereformeerde volk ten deel viel in de jaren dertig, is daaruit te verklaren, dat er toen nog velen waren die zich als christenen voelden aangesproken door leiders die opriepen tot de waarachtige dienst van God in heel de breedte van het leven op in principe alle gebieden van de menselijke cultuur. Dat bezielde ook Kuyper toen hij in 1880 de Vrije Universiteit oprichtte.
De idee van een christelijke wetenschap was in de eerste helft van deze eeuw nog een bron van spot in het universitaire leven. En veel christelijke wetenschapsbeoefenaars wisten in het toenmalig klimaat van alles overheersende neutrale wetenschapsfilosofiën niet beter te doen dan te leven bij de gedachte van een scheiding tussen wetenschap en geloof, en dan zou je je christen-zijn het best kunnen realiseren door in je wetenschappelijk beroep zo goed mogelijk je best te doen en wetenschappelijk bezig te zijn volgens de wetten die voor echte, d.w.z. objectieve onbevooroordeelde wetenschap zouden gelden. Dan kon men zich in kritiek beperken tot het afwijzen van wetenschapsresultaten die apert in strijd waren met (echte of veronderstelde) bijbelse gegevens.

Geestelijk weerloos of weerbaar?
Dooyeweerd heeft deze praktijk van veel christenen, met name ook van theologen als Brunner, Barth en Miskotte, onderkend als een geestelijk verval tot wereldgelijkvormigheid op het gebied van de wetenschap. Kort na het voltooien van zijn hoofdwerk in 1936, verscheen een bundel opstellen onder de titel Geestelijk weerloos of weerbaar? M.i. heeft Dooyeweerd in zijn bijdrage daaraan zijn diepste motieven en enkele hoofdlijnen van het resultaat van zijn denken, samengevat. Het verschijnen van die bundel was wel een symptoom van de ongerustheid die bij vele gereformeerden in die tijd was opgekomen.
Het Kuyperiaanse bloeitijdperk liep, althans geestelijk, duidelijk op een eind. Het VU-ideaal van christelijke werd door sommigen openlijk failliet verklaard, of, wat op hetzelfde neerkwam, officieel van de zijde van het bestuur der VU, in handen gelegd van de theologische faculteit die de opdracht kreeg voor de andere faculteiten de beginselen te formuleren volgens welke men christelijke wetenschap kon verkrijgen. In de rest van mijn betoog zal ik voornamelijk Dooyeweerd zelf aan het woord laten, en alleen een verbindende tekst met een vleugje commentaar toevoegen. In het genoemde artikel schrijft Dooyeweerd niets over de strijd die de theologische faculteit van de VU tegen zijn wijsbegeerte meende te moeten voeren, op grond van Schrift en Belijdenis. Hij was, naar mijn indruk, kort na de oorlog al, maar vooral na in Amerika opgedane ervaringen, overtuigd van het faillissement der toemalige gereformeerde theologie. Prof. Mekkes zag dat precies zo. Deze schreef in het woord vooraf van zijn boekje Radix, tijd en kennen (1971):Belangrijkste tegenstander der reformatorische wijsbegeerte bleek evenwel van meet af de zgn. Gereformeerde scholastiek te zijn, welker nalatenschap duidelijk bestemd was eens in handen ener christelijk seculariserende wetenschapsbeschouwing over te gaan. Plm. twee jaar geleden formuleerde ik hetzelfde in Opbouw ongeveer zo: de moderne theologie is een buitenechtelijk, natuurlijk kind van de gangbare orthodoxie. Hetzelfde kan overigens ook gezegd worden van de mystiek.

Humanistische wetenschapsbeschouwing
Maar nu Dooyeweerd zelf. Zijn bovengenoemde bijdrage had een duidelijke titel: De gevaren van de geestelijke zou ontwapening der christenheid op het gebied van de wetenschap. Eerst schetste hij hoe in de Kantiaanse filosofie de theologie gered werd door een scherpe scheiding aan te brengen tussen (subjectief) geloof en (objectieve) wetenschap. Dooyeweerd: In Christelijke kring kwam een tweede factor de overmachtige invloed der heersende wetenschapsbeschouwing ongemeen versterken, nl. de veelal voetstootse aanvaarding van de scheiding, welke zich in het humanistisch denken tussen vakwetenschap en wijsbegeerte had voltrokken. (p.155). Vervolgens keerde hij zich tegen de verschrompeling der wijsbegeerte tot kennistheorie door de taak der wijsbegeerte, in overeenstemming met haar aard en praktijk van het begin af, kort te typeren als de theoretische bezinning op de oorsprong, de diepere worteleenheid en de onderlinge verhouding en samenhang van al de tijdelijke aspecten der werkelijkheid. Dooyeweerd: In deze zin gevat is de wijsbegeerte, ofschoon zij in haar wetenschappelijke houding tegenover de werkelijkheid nimmer met de vóórwetenschappelijke levens- en wereldbeschouwing mag worden verward, niettemin in uitgangspunt en instelling met de laatste vervlochten.(p.155/156) Maar elke binding met subjectief genoemde geloofsinhoud, werd (toen nog, nu niet meer) algemeen door alle wetenschappen afgewezen. D.: Het valt te verstaan, dat bij de suprematie van deze wetenschapsbeschouwing de door Dr. A. Kuyper geponeerde antithese tussen een wetenschap, welke uit de wedergeboorte, en een zulke, die uit de afvallige wortel der schepping opkomt, ook in Christelijke kring, slechts door weinigen ernstig werd genomen. Na gewezen te hebben op de al spoedig optredende twijfel bij Kuypers naaste medewerkers vervolgt hij: Men zocht naar een theologische basis voor een dualistisch standpunt, waarop ten slotte de zakelijke neutraliteit der wetenschap tegenover het christelijk geloof ook voor het forum van het christelijk geweten zou kunnen worden gerechtvaardigd. In deze richting ging een beroep op de leer der gemene gratie, waarbij men deze leer nu zo ging interpreteren dat op het terrein der algemene genade geen natuurlijke scheidslijn tussen geloof en ongeloof bestaanbaar is, doch dat zulk een scheidslijn slechts op het terrein der bijzondere genade gegeven is. Christus koninkrijk, zo redeneerde men dan, is immers niet van deze wereld.(p.160).

Natuur/genade-dualisme
Als voorbeeld van theologische bevordering van deze wetenschappelijke wereldgelijkvormigheid bespreekt Dooyeweerd dan iets van Brunner, over wiens ethiek: Das Gebot und die Ordnungen hij in 1935 een uitvoerig artikel schreef. In 1951 gaf hij ook een uitvoerige kritische bespreking van Miskottes Barth over Sartre in een artikel over De Wijsbegeerte der Wetsidee en de Barthianen. Miskotte heeft daarop nooit willen antwoorden, ook niet na een persoonlijk verzoek mijnerzijds. Intussen is wel een groot deel van de Barthiaanse theologen de weg gegaan die hierboven reeds door Dooyeweerd, Mekkes e.a. genoemd is. Geestelijk weerloos, zelfs op hun eigen gebied van de theologische wetenschap. Niet omdat zij een fundamentalistische bijbeltheorie misten, maar omdat ze een neutrale wetenschapsbeschouwing hadden,.geïnspireerd vanuit het bekende dualistisch paradigma van alle traditionele theologie, nl. dat van natuur en genade. Christelijke wetenschap kon dan ook in die opvatting eigenlijk niets anders zijn dan theologie, kerkelijke theologie nog wel. Binnen dàt kader kon Bultmann zelfs zijn ontmythologiseringsprogramma uitvoeren (dat overigens ook al lang weer verouderd is. Re-mythologisering is nu weer het parool). Zo ontstond tot Dooyeweerds grote teleurstelling, naar hij mij eens in persoonlijk gesprek meedeelde, wat hij nooit verwacht had: een eerst furieus, maar geleidelijk tot negatie en doodzwijgen afzakkend theologisch verzet tegen invloed der reformatorische wijsbegeerte op de theologie. En dit vanuit het ongewilde en onbewuste geestelijk paradigma van het natuur/genadedualisme en vanuit het evenzeer onbewuste vakwetenschappelijk positivisme in de theologie en haar kentheorie. Ik had gedacht dat de christelijke wetenschapsgedachte er bij de VU zou ingaan als koek, zei hij. Wat in onze tijd in steeds bredere kringen erkenning krijgt, is wat Dooyeweerd in zijn artikel van 1937als volgt formuleerde: Dit humanistisch persoonlijkheidsideaal is inderdaad de verborgen religieuze wortel ook van het moderne humanistisch wetenschapsideaal, dat is afgestemd op een beheersing van heel de tijdelijke werkelijkheid met behulp van het moderne natuur wetenschappelijk denken. (p.173).De wat late maar brede huidige erkenning van dit inzicht wordt nu meestal anders uitgedrukt, bijv. zo dat de mythe (als geloofsverschijnsei) een constitutief element is in alle wetenschappelijk denken.

Synthese
De grote, onbeantwoorde vraag waarvoor Dooyeweerd eind van de jaren dertig zich gesteld zag, was of de door hem als schriftuurlijk aangediende lijn in het wetenschappelijk denken zou worden doorgetrokken, of zal ook thans weer het synthesestreven de overhand verkrijgen ... Eén ding is zeker: een wezenlijk Christelijke wetenschap kan de basis van een schriftuurlijke wijsbegeerte niet langer ontberen.(p.204). Hij past dit vervolgens toe o.a. op de geschiedeniswetenschap, waarvan een (vrijgemaakte) collega-theoloog mij eens verzekerde dat dat vak, ook binnen de theologie, inderdaad zich uitsluitend bezig hield met de harde feiten. Dooyeweerd: Dat de historiewe- tenschap een veilig asyl voor de positivistische denkhouding zou zijn, kan alleen door hem worden gemeend, die nog in het naieve vooroordeel bevangen is, dat de historische feiten kenbaar zijn, onafhankelijk van het inzicht in hun zin-structuur en samenhang ...de positivistisch-historische opvatting, welke de gehele menselijke samenleving in een complex van bloot historische verschijnselen oplost, is in wezen aan een historistisch-wijsgerige kijk op de samenhang der onderscheiden werkelijkheidsaspecten georiënteerd. (P.206).Het is een afvallig geloof, dat zich in de proclamering van de religieuze neutraliteit van het denken openbaart(p.207).

Moeilijk,
Dooyeweerd is zich van meet af bewust geweest, dat zijn filosofie moeilijk te begrijpen was. Hij schreef daarover in het woord vooraf van zijn hoofdwerk: De filosofie der wetsidee is inderdaad zwaar en gecompliceerd, juist doordat zij breekt met alle traditionele wijsgerige opvattingen. Wie zich haar inderdaad eigen wil maken, moet van stap tot stap haar gedachten- wendingen trachten te volgen en achter de theoretische structuur doordringen tot de religieuze grondinstelling van heel deze wijze van filosoferen. Aan hen, die niet bereid zijn, zich bij de lectuur los te maken van de traditionele realiteitsbeschouwing en kennistheoretische opvattingen en slechts geïsoleerde onderdelen van het systeem bezien, zal deze wijsbegeerte haar zin niet ontsluiten.(WdW p.X). Hij voegde daar in de volgende alinea direct aan toe dat in de filosofie de waarheid slechts in de strijd der meningen gewonnen wordt en dat de christelijke wijsbegeerte zich niet in een houding van negatie mag afsluiten van de immanentie filosofie. Vanwege die altijd door Dooyeweerd gezochte communicatie met niet-geestverwante filosofen, zijn zijn leerlingen ook veelal met alle mogelijke richtingen in gesprek gebleven, voor zover het aan hen lag. Soms ook wel eens zo, dat men dreigde te vergeten, dat Dooyeweerd dit kon doen zonder een moment te verdoezelen wat zijn geloofsuitgangspunt was. Vandaar dat, uitgerekend op het altijd actuele punt van de kennistheorie, zijn standpunt was: Onze filosofie waagt het de ergernis van het kruis van Christus als hoeksteen ook der kennistheorie te aanvaarden. (WdW lI,p.494). Deze uitspraak is vaak niet begrepen. Ze kan inderdaad slechts duidelijk worden bij degelijke kennis van althans de grondlijnen van deze wijsbegeerte zelf, met name van de idee der boventijdelijke volheid in Christus, als de nieuwe wortel der schepping. Het laatste woord in dit herdenkingsartikei is aan Dooyeweerd: Het gaat hier in de volle zin des woords om een Reformatie van het wetenschappelijk denken in Schriftuurlijk-Christelijke zin, niet om een hoogmoedige afbraakpoging....
Want het Humanisme heeft inderdaad de historische roepingsmacht in de ontwikkeling der wetenschap weten te verwerven, dank zij een eeuwenlang synthesestreven van de zijde van het Christelijk denken zelf. En ieder Christen, die zich de Naam van Christus Jezus in zijn wetenschappelijke arbeid 0 schaamt ter wille van de eer bij mensen, is volkomen onbruikbaar in de grootse worsteling, om de wetenschap, welke een der grootmachten is van de cultuur, weer voor de Civitas Dei (het Koninkrijk Gods) terug te winnen. (p.211).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief