Over CDA, RPF en GPV (2)
1994-07-01
Foutje- Jaargang 38
- nummer 13
Het is jammer dat de heren Schutte en Rietkerk, die kritisch hebben gereageerd op het artikel waarin ik vertelde dat ik bij de laatste verkiezing CDA gestemd heb en daarbij uiteenzette welke redenen mij daartoe hebben gebracht, hun reaktie al praktisch klaar hadden voordat ik mijn tweede artikel over artikel 36 van de NGB in het nummer van 20 mei publiceerde.
Hadden ze dat rustig kunnen lezen en op zich in laten werken, dan waren misschien wat misverstanden voorkomen geweest. Hun zou dan immers duidelijker geworden zijn wat ik onder een artikel 36-politiek versta en waarom ik het GPV en meer nog de RPFop een zodanige politiek blijf aankijken.
Helaas, dat is een regie-foutje geweest dat ik aan mezelf te wijten heb. Ik heb geluisterd naar een verkeerde raad. Een tijdje geleden namelijk uitte iemand zijn misnoegen over het tegenkomen van vervolgartikelen in ons blad, u weet wel, stukken genummerd als I, II, III en IV. Uiterst vermoeiend en demotiverend vond hij dat. Ik dacht, daar zit wat in. Laat ik dat voortaan proberen te vermijden door eiK artikel een eigen titel te geven.
Maar het nadeel daarvan is weer dat je met één enkel artikel over dit of dat de indruk wekt over het onderwerp dat je aansneed uitgepraat te zijn. Bij artikelen met nummers zie je de mensen wachten met reageren, totdat het laatste nummer verschenen is, zo heeft de ervaring mij geleerd. Zo zie je maar hoe je jezelf te snel onder de indruk kunt laten brengen door kritiek.
Je moet gewoon jezelf blijven en je eigen stijl volgen en - inderdaad! - uitersten van te lange reeksen uit de weg gaan (wat ik trouwens toch al deed).
Christelijke barmhartigheid
Niet natuurlijk als zou ik nu voor mijn antwoord op boven genoemde bestrijding met een verwijzing naar dat tweede artikel van mij kunnen volstaan.
Daarvoor zijn er, behalve artikel 36, teveel andere zaken ter tafel gekomen. Ook daarop wil ik reageren.
Laat ik, de volgorde van de heer Schutte aanhoudend, eerst maar eens iets naders zeggen over de christelijke barmhartigheid. Ik had gezegd dat ik op dat punt in toenemende mate naar het CDA standpunt overhel. De heer Schutte vindt nu dat ik de barmhartigheid niet mag uitspelen tegen het gebod van God en is vervolgens van mening dat op het punt van de euthanasiewetgeving het beroep op de christelijke barmhartigheid niet ter zake is. Ik zal me als niet-politikus op het eerste bezwaar koncentreren. Zijn wij op het punt van de euthanasie wel zo zeker van het gebod van God?, wil ik vragen. Ik wil deze vraag trouwens in een veel breder kader zetten. Brengen we in het algemeen het gebod van God niet te gauw in stelling? Ik heb het te vaak meegemaakt dat mensen erg principiëel deden over allerlei zaken die vandaag aan de orde komen, totdat 't hun eigen wereld binnenkwam en toen was het uit met het principe. Of dat nu de homofilie van hun zoon betrof, of de abortus van hun dochter, de zelfdoding van oom of het zachtjes laten inslapen van oma, - steeds trof me dat. Onwelwillend zou je daaruit de konklusie kunnen trekken dat veel van die principiëeldoenerij gebakken lucht is. Beter evenwel is de opmerking dat wij allemaal door de nieuwe tijd verrast zijn. Er is geen mens of hij moet bij zichzelf bijstellingen noteren van vroeger te fors ingenomen standpunten.
En de oorzaak? Mijns inziens een te kras biblicisme dat meende in de bijbel voor elk gat een spijker te vinden.
Vandaar mijn pleidooi, al veel langer dan vandaag, voor 'een stapje terug' wat het bijbelgezag en het bijbelgeloof betreft. Vooral wat het normatieve betreft de bijbel een noodzakelijk funktieverlies laten ondergaan.
Meer rekening houden met het feit dat de Heilige Schrift een boek is uit een andere kultuur dan de onze.
Schaamtekultuur en pijnkultuur
Laat ik dit wat betreft de euthanasie en de abortus eens wat nader uitwerken.
Eerst iets over de euthanasie. Ik maak even een omtrekkende beweging om bij dit onderwerp te komen. De bijbel, wil ik beginnen te stellen, is geschreven in een schaamtekultuur, terwijl wij meer deel uitmaken van een pijn- of leedkultuur. Spijkerhard kun je natuurlijk dat onderscheid tussen eergevoeligheid en leedgevoeligheid niet maken, maar het gaat toch duidelijk om een beduidend aksentverschil. Als bijvoorbeeld de Wetgever in Deuteronomium 25 : 1 - 4 bepaalt dat de tot stokslagen veroordeelde volksgenoot niet meer dan veertig slagen mag ondergaan, dan is het argument: '...opdat niet, wanneer men hem nog meer slagen zou toedienen, uw broeder in uw ogen verachtelijk zou worden'.
Sapperloot! 'Opdat niet uw broeder van pijn zou bezwijken', verwachten wij, maar nee, het gaat om de eer. Die telde meer dan de pijn. Zelfs van de kruisiging, die met onvoorstelbare pijnen gepaard ging, valt te zeggen dat die toch nog meer als een schande dan als een leedtoevoeging werd gezien.
Het kruis was het hout van de vloek, van de schande en van de pijndeze volgorde. Wel, als je je dit verschil voor ogen houdt dan merk je dat je in de bijbel vormen van euthanasie tegenkomt, die je niet direkt opvallen omdat ze op andere gronden staan dan bij ons, maar toch wel degelijk zo genoemd moeten worden. "Trek uw zwaard en dood mij", zegt koning Abimelech tegen zijn wapendrager als hij bij de belegering van de stad Tebez een door een vrouw van de muur af geworpen molensteen op zijn hoofd gekregen heeft, "opdat men niet van mij zegge: Een vrouw heeft hem gedood.
Toen doorstak zijn dienaar hem zodat hij stierf" (Richteren 9 : 54). Een geval van euthanasie, dunkt me, waarover de bijbel geen oordeel uitspreekt.
Bij Sauls dood heb je met iets dergelijks te maken. Euthanasie kwam in een schaamtekultuur vaker voor. De eer zat de mensen verschrikkelijk hoog en het verlies daarvan woog tegen dat van het leven ruimschoots op. Maar waar het mij nu vooral om gaat: De bijbel oordeelt daar niet over.
Euthanasie
Dit nu zo zijnde vind ik dat we voorzichtig moeten zijn met het in het veld brengen van een goddelijk verbod tot euthanasie. Waarom zou het verlies van de eer een reden tot euthanasie kunnen zijn en het vooruitzicht van ondragelijk lijden niet? Ik vind dat iemand die aan het begin of in het midden of aan het einde van een voorspelbaar, uitzichtloos en uiterst pijnlijk lichamelijk lijden staat, het recht moet hebben te zeggen dat hij dat niet aan kan en diensvolgens moet kunnen handelen. En dat alle wetgevende arbeid hieromtrent dit recht niet mag beknotten of dwarsbomen. Ja, maar dat hebben wij in vroeger tijd toch nooit zo gezien? Dat is juist. Ik denk dan ook dat het onze tijd is die ons bij dit standpunt brengt. Want een argument temeer hiervoor is dat die leedgevoeligheid van onze kultuur waarover ik het zoëven had, eigenlijk alleen maar toeneemt. Naarmate meer pijnen bestreden kunnen worden wegen de overblijvende zwaarder. Naarmate meer kwalen verholpen kunnen worden zijn de overblijvende rottiger van aard. We moeten ons niet vergissen: Deze dingen tasten ons draagvermogen aan. De medische wetenschap heeft verschillende natuurlijke doodsoorzaken weggenomen (bijvoorbeeld de longontsteking, ook wel de 'old rnan's killer' genoemd). Men kan daar dankbaar voor zijn en tegelijk vaststellen dat daardoor een aantal pijnlijker levensbeëindigingen hun kans krijgen.
En in veel gevallen in een zo slepende vorm dat de grens tussen dood en leven vervaagt. Ik denk dat er daardoor gevallen zijn en steeds meer zullen komen waarin die grens door een aktief menselijk handelen duidelijk getrokken moet kunnen worden. Hetlijkt mij de noodzakelijke keerzijde van de medische vorderingen van onze eeuw. Er zit in de totstandkoming en de instandhouding van het menselijk leven van haast wel een ieder van ons tegenwoordig zoveel menselijk maakwerk dat een onder nauwkeurig omschreven omstandigheden beëindigen ervan haast onvermijdelijk en in ieder geval akseptabel is geworden. Iets anders is dat een christen voor zichzelf mag overwegen of hij in zo'n geval met zijn dood die hij op zijn verschrikkelijke beloop laat, God verheerlijken kan (zoals dat van Petrus geschreven staat, Johannes 21 : 19). Er zijn er ook vandaag die hun lijden zozeer in en met Christus beleven dat zij er triomferend bovenuit komen.
Maar dit aan anderen dan jezelf op te leggen, is heel iets anders. Ik zou denken dat dat meer valt onder de 'evangelische raden of raadgevingen' (waar de rooms-katholieke moraal van weet) dan onder de geboden van God.
Abortus
En ten aanzien van abortus zou ik iets navenants willen opmerken. Onlangs was het voor het nieuws dat er vanuit de medische wereld op aangedrongen werd de wettelijk toegestane termijn van abortus te verlengen omdat in sommige gevallen pas na de sluitingsdatum gekonstateerd kan worden of de vrucht een menswaardige toekomst heeft of niet. Meteen kon je christenen horen zeggen dat hier maar weer eens blijkt hoe wij ons met de abortuswetgeving op een hellend vlak bevinden.
"Daar heb je ons weer", dacht ik toen ik dat hoorde. Altijd in de weer met het gebod van God. In plaats van nu eens te overwegen dat wij in omstandigheden gekomen zijn die vergeleken met vroeger volstrekt nieuw zijn. Het is nooit zo geweest dat wij wisten wat voor ellende wij kunnen veroorzaken door een beschadigde menselijke vrucht gewoon te laten geboren worden.
Nu wij het weten zijn wij belast met een 'toegenomen verantwoordelijkheid' (de trefzekere titel, destijds al weer, van een boek van de bekende hervormde ethikus Roscam Abbing).
Nu betekent dat in mijn ogen niet dat er in gevallen als deze geaborteerd moet worden (de minister Hirsch Ballin had gelijk dat hij tegen die mentaliteit waarschuwde), maar wel dat het moet kunnen. En dat het onbarmhartig is de mogelijkheid daartoe wettelijk af te grendelen. Het schermen met het gebod van God in zulke situaties irriteert mij al, terwijl ik toch van harte met Psalm 119 zing dat het Gods wet is waarin ik mij verblijd (vers 65, berijmd), laat staan de mensen die God niet meer in zijn genade kennen en zo van kerk en evangelie alleen maar de indruk krijgen dat het om iets strengs, om iets wreeds gaat. Gods gebod moeten wij, zeker in de politiek, alleen maar ter sprake brengen als het om voor ieder duidelijk herkenbare gevallen gaat. 'Gij zult niet doodslaan', het is een voorschrift dat duidelijk het leven van onze naaste in bescherming neemt. Als de Heiland dit gebod in de Bergrede (Matteüs 5 : 21-26) gaat uitdiepen dan begeeft Hij zich niet naar de marges die om het leven heenzitten (de periode van vóór de geboorte en de stervensfase, die wel bij het leven behoren maar niet het leven zelf zijn) om daar de puntjes op de i te zetten en duidelijk te maken dat, wil je nu echt, echt, echt naar Gods gebod leven, dóór de gehoorzaamheid moet worden waargemaakt, maar dan gaat Hij naar het midden van het leven om daar de banier van het liefdesgebod hoog op te richten. Zitten wij christenen met onze aandacht niet teveel in de schemerige randgebieden van het menselijke bestaan, daar waar over het behouden of laten verloren gaan van het leven te twisten valt - immers, "er is een tijd om te doden en een tijd om te helen (Prediker 3: 3)" -, terwijl wij over het zeer duidelijke van het gebod te weinig spreken, omdat wij vinden dat dat wel vanzelf spreekt? Terwijl dat in een tijd van toenemende kriminaliteit juist niet meer vanzelfsprekend is.
Is abortus moord?
"Abortus is moord", kun je van christelijke zijde horen. Ik denk dat die stelling op een aanvechtbare redenering berust: a) 'Gij zult uw naaste zijn leven niet wederrechtelijk afnemen, want dat is moord, b) de ongeboren menselijke vrucht is je naaste en dus c) is abortus moord. Maar zelfs de bijbel die zo op de kinderzegen gebrand is, is genuanceerder. Getuige het voorschrift van Exodus 21 : 22-25, dat weliswaar niet over onze abortus gaat, maar waaruit wel een reëel en voor ons bruikbaar verschil in fasewaardering van de menselijke vrucht valt op te maken. Het betreffende voorschrift is, zeker in de gebruikelijke vertaling, niet op het eerste gezicht duidelijk, maar alles overwegende zou ik het in eigen vertaling als volgt willen weergeven: "Wanneer mannen vechten en één van hen stoot een zwangere vrouw, zodat haar vrucht afgaat, maar zonder dat er sprake is van een dodelijk ongeval (wat het persoon geworden zijn van de vrucht impliceert), dan zal zeker een boete worden geëist, naardat de man van die vrouw hem oplegt, en hij zal het geven door bemiddeling van de rechters.
Is er echter sprake van een dodelijk ongeval (met bovenvermelde implikatie), dan zult gij geven leven voor leven, enz." "Ander letsel" zegt de gebruikelijke vertaling niet erg duidelijk en zij laat dat slaan op het leven van de vrouw, maar ik verkies de weergave 'dodelijk ongeval' en denk daarbij aan de vrucht. Zou je namelijk dat woord voor 'dodelijk ongeval' betrekken op de moeder dan zou de zin van de bepaling vervallen, omdat wat er in geval van doodslag of dood-doorschuld gebeuren moest al eerder, in vers 12en 13, geregeld was. Dat zal de reden zijn waarom de vertaling van het NBG koos voor 'ander letsel'. Maar nee, zoals wij onderscheid maken tussen een miskraam hebben en een dood geboren kindje krijgen, zo rekende de bijbelse Wetgever ook met dit verschil. Een miskraam viel geldelijk uit te drukken, maar dat hield op wanneer het een als naaste herkenbare menselijke vrucht betrof. Dan was er op z'n minst van dood-doorschuld sprake. Waar precies de grens tussen die beide lag, wordt niet uitgemaakt.
Israëls wet rekende hier kennelijk op het 'gesundes Volksempfinden'.
Daar zit in dit geval ook niets gevaarlijks aan. Je ziet aan deze bepaling dat je met de overdreven stelling 'abortus is moord' ook bijbels (voorzover die er zich over uitspreekt) niet ver komt, nog afgezien van wat daar in de moderne tijd verder tegenin gebracht kan worden.
Tot zover over de christelijke barmhartigheid. De heer Schutte vond dat ik de barmhartigheid uitspeelde tegen het goddelijke gebod, maar ik stel de vraag of wij het goddelijke gebod niet te gauw in stelling brengen.
Zijn we aan de randen van het leven wel zo zeker van wat de Here God wil?
En kun je wel zo snel als de heer Schutte dat doet, zeggen dat bij het versoepelen van de vroegere wetgeving op het punt van de euthanasie (en de abortus) het beroep op de barmhartigheid niet ter zake is? Genoeg daarover mijnerzijds. Resten nog de punten over het lidmaatschap van nietchristenen in een christelijke partij en de belijdenis van artikel 36 NGB. Daarover een volgende keer.