Genesis 1 (3)

1994-12-30
  • Jaargang 38
  • nummer 26
Stof
Als de duisternis en de geweldige wateren van Genesis 1 geen boze machten zijn waartegen de Here God het bij de schepping op moest nemen, waarin bestaat hun dreiging dan wél? Een uitstapje naar Genesis 2 kan dat verhelderen. Daar is sprake van de schepping van de mens uit het stof der aarde, vs 7. Nu wordt daarmee niet slechts de herkomst van het materiaal aangeduid waaruit de mens gevormd is; het is hier nadrukkelijk de bedoeling om de mens te karakteriseren als een stoffelijk wezen. De zinsbouw in Genesis 2:7 is dezelfde als in I Koningen 7:15. Gaat het daar over de vorming van twee koperen zuilen, hier wordt de vorming van een stoffelijk mens bericht. Zo kan de HERE dan ook na de zondeval tot de mens zeggen: "Stof zijt gij ..." (Genesis 3:19) Daarmee wordt de nietigheid van de mens aangeduid. Zo brengt Abraham als volgt het besef onder woorden, dat hij als gering mens geen enkel recht van spreken heeft bij God: "Ik heb mij verstout tot de HERE te spreken, hoewel ik stof en as ben." Zo ook duidt psalm 103:14aan dat God doordrongen is van de broosheid van het menselijk leven: "Hij weet wat maaksel wij zijn, gedachtig dat wij stof zijn." Die broosheid en nietigheid zijn niet pas gekomen na de zondeval, maar horen van meet af aan bij het schepsel mens.
In zichzelf stelt hij niets voor. Alleen wanneer de HERE hem de levensadem inblaast (Genesis 2:7), kan hij bestaan: "Wij leven op de adem van zijn stem!" (psalm 103:5 berijmd)

Schepsel zijn
Daarmee wordt de eigenlijke betekenis onthuld van de bijbelse boodschap, dat wij mensen schepselen zijn. Het gaat daarbij niet slechts om onze oorsprong, maar ook om onze aktuele bestaansgrond. Dat wil zeggen: als schepsel danken wij ons bestaan niet aan onszelf, maar zijn wij van dag tot dag aangewezen op God. Als Hij niet achter ons stond, zouden wij er niet zijn. Wij zouden geen ogenblik kunnen bestaan, als God ons leven geen bestand zou geven. Als Hij er zijn handen van af zou trekken, zou het onmiddellijk ophouden te bestaan. Ons leven staat of valt met de bereidheid van God, om het ons te geven. Zogezien leven wij als schepselen van Gods goedheid en ontferming. Omgekeerd houdt de dood in, dat God niet langer genegen is ons bestaan in stand te houden. 'Leven' en 'dood' verwijzen in de bijbel dan ook ten diepste naar de houding die de Here ten opzichte van ons aanneemt. Een mens leeft, wanneer de Schepper hem goedgezind is; een mens sterft, wanneer Hij zich vertoornd van hem afwendt. Daarom wordt in het Nieuwe Testament Gods genade in Christus aangewezen als beslissend voor het leven. Wanneer God in de vergeving van onze zonden vóór ons is, heeft de dood geen vat op ons (vgl. het slot van Romeinen 8). Maar wanneer God ons afwijst en veroordeelt, gaat het leven verloren.
In die zin kan Paulus zeggen dat de dood door de zonde de wereld is binnengekomen (Romeinen 5:12). Na de zondeval gebeurde er niet iets met de mens zelfs, als veranderde hij op dat moment van een onsterfelijke 'ijzeren hein' in een kwetsbaar, vergankelijk wezen. De grote verandering had enkel en alleen te maken met zijn gewijzigde relatie tot God. Altijd al was de mens een stoffelijk, dat wil zeggen een nietig en broos wezen. Hij had daarvan niets te vrezen zolang hij leefde van Gods ontferming. De dood deed zijn intrede, doordat de mens zich onttrok aan die ontferming in zijn besluit om zich te verzelfstandigen ten opzichte van zijn Schepper.

De schepping en Christus
Van hieruit valt licht op de dreiging van de duisternis en de wateren waarvoor de Schepper de mens behoed!.
Ook Genesis 1 wil zeggen, dat de mens van dag tot dag is aangewezen op Gods ontferming. Dat het in de kosmos veilig wonen is, is enkel en alleen te danken aan zijn goedheid. Het zou een misvatting zijn, om de oorspronkelijke goedheid van de schepping te zien als een kwaliteit die de wereld in zichzelf had. Dan zou geen recht worden gedaan aan de geschapenheid van de wereld. Zij zou dan in zichzelf veiligheid hebben, en zich op die manier verzelfstandigen ten opzichte van de Schepper. Maar de boodschap van de schepping is juist, dat alleen God de bron van het leven is: veiligheid komt enkel en alleen bij Hem vandaan. Hier reeds geldt: "Niemand is goed dan God alleen!" (Lukas 18:19) De wereld kon, juist omdat zij schepping is, in den beginne alleen maar goed zijn doordat de goede Schepper haar toelachte. In de geschiedenis van de zondvloed wordt dat bevestigd. Hoe kon het gebeuren, dat de veilige kosmos veranderde in een geweldige chaos waarin niet langer plaats was voor het leven?
Doordat Gods relatie tot de schepping verstoord werd: de mensheid riep zijn toorn op, en plaatste zich daardoor buiten zijn ontferming. In den beginne kon de mens onbedreigd wonen in de wereld, niet doordat het leven toen nog niet stuk kon, maar doordat de HEREzijn aangezicht liet lichten over alle dingen - óók over de wateren, óók over de duisternis.
Zo is de dreiging die van hen uitgaat niet toe te schrijven aan de presentie van een boze macht, naast en tegenover de Schepper, maar vertegenwoordigt zij het onheil dat opgeroepen wordt wanneer de mens aan de Schepper voorbij denkt te kunnen leven. De werkelijke bedreiging van ons bestaan ligt daarin, dat de Schepper zijn aangezicht voor ons zou verbergen.
De wereld is slechts dan een veilige kosmos, wanneer en voorzover Hij er in zijn goedheid over waakt. Dat is de boodschap van Genesis 1. Het Nieuwe Testament neemt die boodschap op, als het verklaart dat de schepping niet buiten onze Here Jezus Christus is omgegaan, I Korinthiërs 8:6; vgl. Johannes 1:1-3; Kolossenzen 1:16; Hebreeën 1:2. Wij raken hier aan een zo diep geheimenis, dat het door ons mensen niet te peilen is. In elk geval wordt erin aangegeven, dat God reeds bij de schepping zijn Zoon heeft aangewezen als degene, in wie alle dingen hun bestand hebben. In Genesis 1 gloort reeds de verkondiging van dit evangelie, dat er geen leven is buiten de goedheid van God, die Hij ons bewijst in onze Heer, Jezus Christus.

Oneigenlijk bijbelgebruik
Het is duidelijk dat deze prachtige doorkijkjes in het openingshoofdstuk van de bijbelonontdekt blijven, zolang het vanuit natuurwetenschappelijke interesse gelezen wordt. Pas wanneer wij ons helemaal los maken van de verwachting, dat ons hier geologische en biologische informatie wordt aangereikt, zullen wij in staat zijn deze diepe en warme klanken in het scheppingsbericht op te vangen. Het zou aantrekkelijk zijn, om met dáárop gespitste oren nu ook nog het verslag van de overige scheppingswerken te beluisteren. Maar gezien de beperkte ruimte die mij in deze kolommen nog rest, zal ik daartoe nu geen poging ondernemen. Er moet immers nog worden ingegaan op de vraag, of er dan helemaal geen raakpunten meer zijn tussen deze bijbelse evangelieverkondiging over de schepping, en de natuurwetenschappelijke benadering van het ontstaan van deze wereld. Als Genesis 1 zó ver uit de buurt komt te liggen van onze geologische en biologische leerboeken, betekent dat dan niet dat er vanuit Genesis 1 niets te zeggen valt over de inhoud van die leerboeken? Als het waar is dat het bijbelse scheppingsbericht niet beoogt natuurwetenschappelijke informatie te verstrekken, heeft dat dan niet als konsekwentie dat niet op bijbelse gronden beslist kan worden over de waarheid van natuurwetenschappelijke theorieën over het ontstaan van de dingen? Naar het mij voorkomt moeten wij als christenen die konsekwentie inderdaad voor onze rekening nemen. Ik zie niet dat er aan Genesis 1 argumenten te ontlenen zijn om bijvoorbeeld evolutietheorieën, zoals die binnen het vakgebied van de biologie zijn opgesteld, af te wijzen. Dat betekent niet dat ik beweer dat de juistheid van die theorieën nu eindelijk maar eens door ons erkend moet worden. Zo'n bewering uit de mond van een volslagen ondeskundige op het gebied van de biologie zou een slag in de lucht zijn, Of theorieën over de evolutie in planten- en dierenrijk houdbaar zijn of niet, daarover moeten biologen zich uitspreken, op grond van eerlijk en zorgvuldig onderzoek. Als leek vang ik wel eens geluiden op die erop wijzen, dat het geding over deze theorieën nog lang niet beslist is. Wat mij betreft nemen mensen die er verstand van hebben, daarover in Opbouw maar eens het woord. Er zijn wellicht genoeg geïnteresseerde leken - al waren het alleen maar de middelbare scholieren onder ons - die bij deskundige informatie gebaat zijn. Maar laat dan niet Genesis 1 fungeren als als een wapen om de strijd te beslechten. Dat zou naar mijn mening een oneigenlijk bijbelgebruik zijn.

Grensoverschrijding
Wellicht slaat sommige lezers nu de schrik om het hart. Want wordt in de bovenstaande regels het gevaar van het evolutiedenken niet zwaar onderschat? Het is natuurlijk niet voor niets, dat de naam van Darwin onder ons zo'n slechte klank heeft. Bij hem gingen de biologische theorieën over evolutie immers functioneren als een ernstige bedreiging voor het geloof in God, de Schepper. Het begrip 'evolutie' ontwikkelde zich tot een alternatief voor het begrip 'schepping': de gedachte, dat God de wereld geschapen heeft, is in de ogen van velen overbodig geworden nu de wetenschap het ontstaan van de dingen zou hebben verklaard vanuit evolutie. En zo worden we vandaag de dag overspoeld door een vloedgolf van populairwetenschappelijke boeken en televisieprogramma's, waarin de eer aan de Schepper ontnomen wordt.
Dat is ook mij een ergernis. Ik deel de verontwaardiging over de arrogante uitstraling van natuurwetenschappers, als zou het scheppingsgeloof achterhaald zijn. Als christenen hebben we in dezen op te komen voor de grote naam van onze God. Maar, zo zou een lezer kunnen vragen, wordt het verweer tegen het hoogmoedige evolutiedenken niet verzwakt door de opvatting, dat wij in Genesis 1 niet met natuurwetenschappelijke informatie maar met evangelieverkondiging te maken hebben? Naar mijn mening is dat niet het geval. Want het is één ding om te bepleiten, het bijbelse scheppingsbericht buiten het debat te houden over de juistheid van biologische theorieën inzake evolutie in plantenen dierenrijk. Het is iets heel anders, om het geloof in de Schepper te laten wegdrukken door natuurwetenschappers, die de pretentie hebben een wetenschappelijk alternatief te hebben voor dat geloof. In dat laatste geval maakt de natuurwetenschap zich schuldig aan grensoverschrijding. Zij blaast zichzelf dan op tot een soort natuurfilosofie, die onder het mom van wetenschap een geloof, een levensbeschouwing aanbiedt. Het gaat dan al lang niet meer om een biologische of geologische theorievorming, maar om een verklarend principe waarmee men heel de werkelijkheid wil vatten. Zolang de natuurwetenschap zich tevreden stelt met het onderzoek van natuurlijke aspecten van de schepping, zal zij van het scheppingsbericht niet zo heel veel wijzer worden, omdat de belangstelling van de bijbel naar dat veld van onderzoek niet uitgaat. Maar op het moment dat zij de grenzen van dat beperkte gebied overschrijdt en zich op het vlak begeeft van de metafysica, dat wil zeggen van de geheimenissen áchter de natuurlijke werkelijkheid, praat zij over dingen waar zij geen verstand van heeft en komt zij in conflict met het bijbels evangelie. Dat gebeurt bijvoorbeeld, wanneer met een beroep op de natuurwetenschap verkondigd wordt, dat het begrip 'schepping' z'n tijd heeft gehad omdat de werkelijkheid haar bestand in zichzelf heeft.

Geloofskader
Juist dit motief van grensoverschrijding kan duidelijk maken, dat het bijbelse scheppingsbericht en de natuurwetenschap niet geheel los van elkaar staan. Zeker, zij richten zich elk op een heel verschillend terrein, en mogen dan ook niet met elkaar verward worden. Zo is het even heilloos om Genesis 1 op natuurwetenschappelijke wijze te willen lezen, als om een debat van biologen over evolutie te willen beslissen met bijbelse machtswoorden. Maar er gebeuren ongelukken wanneer men, staande op het terrein van de natuurwetenschap, dat van de bijbelse verkondiging over de schepping uit het oog verliest. Christenwetenschappers die het ontstaan van de wereld naspeuren, hebben op een of andere manier toch een boodschap aan Genesis 1, en een christelijk biologieleerboek zal niet kunnen zwijgen over de Schepper. De Reformatorische Wijsbegeerte heeft waardevolle inzichten aangereikt, die ik als volgt zou willen toepassen op de relatie tussen het geloof in de Schepper en en het natuurwetenschappelijk onderzoek naar het ontstaan van de dingen. Uitgangspunt daarbij is, dat alle wetenschappelijke theorievorming plaats vindt binnen een geloofskader. Dat betekent, dat het wetenschappelijk bezig zijn altijd gevoed wordt door een levensbeschouwing, die dus niet gebaseerd is op het wetenschappelijk ambacht maar daaraan ten grondslag ligt. Op ons onderwerp toegepast, zou je kunnen zeggen dat elke natuurwetenschapper zijn werk doet vanuit een bepaalde geloofsovertuiging: als hij er niet op vertrouwt dat alle dingen hun bestand hebben in Christus, zal hij wellicht geloven dat de natuur in zichzelf rust. Maar hoe dan ook - hij zal zijn wetenschappelijke activiteit alleen maar kunnen verrichten binnen het kader van zo'n diep gewortelde overtuiging. Welnu, voor de christennatuurwetenschapper wordt dat kader gevormd door het geloof in de Schepper, waartoe wij in Genesis 1 opgeroepen worden. Hij zal zijn ontdekkingen plaatsen in de context van zijn vertrouwen, dat God de wereld bedoeld heeft als een veilige kosmos voor wie van zijn ontferming willen leven, en dat er in de verzoening van onze zonden uitzicht is op de veiligheid van de nieuwe schepping. Hij zal waarschijnlijk flink stoeien met theorieën over de Big Bang en trachten het geheimschrift van fossielen te ontraadselen. Hij zal daarbij niet bang zijn om nieuwe inzichten te ontwikkelen, ook als die afwijken van wat eeuwenlang onder natuurwetenschappers gemeengoed was. Hij zal daarbij als het goed is vrijmoedig het debat aan de universiteit aangaan. Hij zal in dat debat zijn geloofsovertuiging niet binnensmokkelen, als beschikte hij over een zijn gesprekspartners onbekend wetenschappelijk argument. Maar hij zal ook waken voor grensoverschrijdingen in tegenovergestelde richting, en ieder terugwijzen die op grond van wetenschappelijke ontdekkingen afbreuk zou willen doen aan het geheimenis van het evangelie. En bovenal zal hij er zichzelf steeds weer tot zijn vreugde aan herinneren, dat hij bij alles wat hem in de natuur fascineert of verschrikt, staat voor het aangezicht van Hem die ons in Christus de weg van het leven wijst. Want dat is de boodschap van Genesis 1.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief