Bladeren in de literatuur

1993-07-02
  • Jaargang 37
  • nummer 14
Kent u veel mensen die voor hun plezier, zonder aanleiding in woordenboeken, spoorgidsen, telefoonboeken, encyclopedieën en andere naslagwerken lezen? Ik niet. Toch kan dit belangeloze bladeren in dergelijke boeken zeer genoeglijk zijn. In het telefoonboek valt het oog soms op de meest bizarre namen en adressen, zoals ook het leggen van een bijna onmogelijke verbinding met behulp van het spoorboekje een intens gevoel van bevrediging kan geven en de nutteloze kennis uit een encyclopedie vaak meer genot verschaft dan de praktische kennis uit didactisch verantwoorde schoolboeken.
Op het gebied van de Nederlandse literatuur is onlangs een naslagwerk verschenen dat een groot bladergehalte bezit. Ik bedoel dat het een boek is waarin je voor je plezier gaat zitten bladeren, lezen en studeren. Bovendien verenigt dit boek het nuttige Op verantwoorde wijze met het aangename. Ik heb het over Nederlandse Literatuur, een geschiedenis, een lijvig standaardwerk dat ruim negenhonderd pagina's rijk is.

Vechtpartij
Eén van de aardige dingen van dit boek is dat het niet alleen zeer bruikbaar is voor studenten en literatuurvorsers, maar ook voor de 'gewone' liefhebber van de vaderlandse literatuur. De opzet van het boek is opmerkelijk, zelfs gewaagd. Zoals in de inleiding staat, is de geschiedenis van de Nederlandse literatuur gereconstrueerd met behulp van ongeveer 150 data. Deze data zijn gekoppeld aan 'losse', niet altijd literaire gebeurtenissen. Zo vinden we op pagina 164 als hoofdstuktitel 2 december 1567: De liedjesventer Cornelis Pieterz. wordt te Harlingen gearresteerd. Geuzenliederen en op pagina 642: 15 december 1931: E. du Perron en M. Nijhoff gaan op de vuist. Vorm of Vent, terwijl op bladzijde 769 de aankondiging 5 augustus 1964: Heila Heesse brengt een bezoek aan de tuinen van Bomarzo onze nieuwsgierigheid prikkelt. Het laatste hoofdstuk heet 17 februari 1992: De redactie van Nederlandse literatuur, een geschiedenis komt tot de ontdekking dat in het boek mèt geen woord over Beatrijs gerept wordt. De titels van de hoofdstukken alleen al stimuleren tot lezen. Zo is de vechtpartij tussen de schrijvers Du Perron en Nijhoff voor de literatuur natuurlijk een onbelangrijk incident, maar de klappen die destijds vielen, symboliseren wel heel aardig de letterkundige controverse van die dagen.
Die ging over de vraag wat in de literatuur het belangrijkste is: de vorm van een literair werk of de schrijver van dat werk.
U ziet wat ik met losse gebeurtenissen bedoel: literaire - en soms ook niet-literaire - gebeurtenissen worden als vertrekpunt genomen voor een korte verhandeling van vijf, zes, pagina's. Het aardige is dat die verhandelingen lang niet altijd gaan over een schrijver, maar vaak ook over uitgevers, kranten, literatuurgeschiedenissen (!), ruzies (bijvoorbeeld: de vijftigers die een kort geding aanspanden tegen Gerrit Komrij omdat hij te weinig en dan ook nog eens de verkeerde gedichten van hen opnam in zijn beroemde poëziebloemlezing) en televisie (Adriaan van Dis). De 151 stukken zijn geschreven door bijna evenveel neerlandici. Alle vormen ze een afgerond, afzonderlijk te lezen verhaal over een historisch aspect van de Nederlandse literatuur.

Indrukwekkend
Deze aanpak is niet uniek. Uit het voorwoord blijkt dat de redactie hem heeft afgekeken van de Brit Denis Hollier, die met behulp van een dergelijke aanpak de Franse literatuur te lijf gegaan is. Deze aanpak is wel een verademing. In de eerste plaats - ik berijd weer mijn stokpaardje - is het opvallend dat bijna alle bijdragen zo goed geschreven en daardoor zo leesbaar zijn. Hoewel veel neerlandici in het dagelijks leven niet uitmunten door hun vlotte pen, hebben ze voor deze gelegenheid kennelijk alle dikdoenerij en geleerdigheid van zich afgeschud. Slechts af en toe stuit je op woorden als 'polyperspectivistisch', 'uitmiddelpuntig', 'dermate' en 'postmodern'-woorden die eigenlijk alleen gebruikt worden door slechte schrijvers. Maar ondanks dit soort incidentele uitwassen is het resultaat indrukwekkend. In de tweede plaats is het een groot voordeel dat je het boek op verschillende manieren kunt lezen en gebruiken. Hoe je dit boek ook benadert, of je het nu van kaft tot kaft wilt doorlezen of van stuk naar stuk voortbladert, wegleggen vergt wilskracht. In de derde plaats is het boek zeer bij de tijd. Maarten 't Harts neiging zich te manifesteren in vrouwenkleren, die pas in 1992 openbaar werd, wordt in dit boek al aan de kaak gesteld.

Favoriete schrijvers
Iedere llteratuurliefbebber wil natuurlijk weten wat de plaats is van zijn favoriete schrijvers. Wat is er met Nijhoff, Feith, Multatuli, Arends, Kellendonk, en Nesoio gebeurd. Zo kijk ik in iedere literatuurgeschiedenis altijd even wat er van Marsman geworden is. In dit boek komen we hem voor het eerst tegen in het hoofdstuk A. Roland Holst probeert de jonge generatie onder te brengen in De Gids. Daaruit blijkt dat Roland Holst al zijn overredingskracht in de strijd moet gooien om de gedichten van Marsman in zijn blad af te drukken: zijn mederedacteuren zien er eigenlijk niets in. Vooral de historicus Huizinga verzet zich met hand en tand. Hij gebruikt grote woorden om plaatsing in De Gids te verhinderen: "Ik acht deze poëzie een schennis van het heilige wonder van de taal" en (tegen Roland Holst) Laat U toch niet langer door dezen would-be poëet en criticus in de luren leggen. Zie toch in, dat dit alles in den grond volkomen onbeduidend is." Vermakelijke woorden als je weet hoe Marsman tegenwoordig wordt beoordeeld.

Nadelen
Natuurlijk kleven aan de gekozen werkwijze ook nadelen. Eén daarvan zou de gefragmenteerdheid van het historische verhaal genoemd kunnen worden. Een andere en belangrijker consequentie is het buiten de boot vallen van veel eenlingen. Zo kwamen Jan Arends, De Schoolmeester ('Hier ligt Poot/Hij is dood'), Adriaan Morriën en Terborgh om onduidelijke redenen niet voor behandeling in aanmerking. Aanvankelijk meende ik dat ook Nescio ontbrak, maar na goed zoeken bleek hij bij de jaren zeventig te staan en niet in de jaren rond 1910, waar je hem zou verwachten. De redactie verantwoordt dit door erop te wijzen dat het werk van Nescio pas rond 1970 ten volle op waarde werd geschat. Nu staat hij daar als een schitterende diamant tussen wat fletse aquamarijnen als Peter Andriesse, Arie B. Hiddema en George Kool, van wie we al meer dan twintig jaar niets meer vernomen hebben. Op een ander minpunt van dit boek heeft Hans Werkman in het Nederlands Dagblad gewezen: de christelijke literatuur komt er nogal bekaaid vanaf. Misschien doordat er aan die literatuur niet zoveel saillante data te koppelen zijn? Maar ook in de christelijke literatuur zijn interessante boeken verschenen en aardige ruzies gemaakt. Denk maar aan de levendige discussie van een paar jaar geleden tussen Hans Werkman en de Trouwrecensent Tom van Deel, over het doel en de taak van de christelijke literatuurkritiek. Zou het niet aardig zijn als in een volgende druk van dit boek een hoofdstuk werd opgenomen: 8 juni 1993: Hans Werkman rijdt de auto van Tom van Deel klem in de Amersfoortse Hendrik van Viandenstraat. Literatuurkritiek in Trouwen het NO? Een heel genre blijkt trouwens in het - ongemotiveerd - niets te zijn verdwenen: het korte verhaal en dat terwijl het korte verhaal een bloeiend genre is in de Nederlandse literatuur, denk maar aan Maarten Biesheuvel, Harry Mulisch en vele anderen; resultaat: geen Bomans, geen Belcampo, en Bordewijk wordt alleen behandeld met zijn romans. Bovendien, waarom wordt Annie M.G. Schmidt alleen bij de jeugdliteratuur behandeld?

Knuvelder
Ik merkte eerder op dat dit boek een goed boek voor studiedoeleinden is. Toch is het de vraag of het de reeds bestaande literatuurgeschiedenissen zomaar kan vervangen. Waarschijnlijk vinden veel universiteiten en hogescholen het te fragmentarisch en te weinig historisch. Immers, er wordt niet een doorlopend geschiedenisverhaal verteld. Het boek bestaat uit losse opstellen, die door hun beknoptheid en leesbaarheid zéér toegankelijk zijn, maar die wellicht niet zo geschikt zijn voor wetenschappelijke studie. Dat betekent dat voor de academische neerlandicus de 'dikke Knuvelder' nog wel enige tijd hèt handboek voor de vaderlandse literatuurgeschiedenis blijft. Maar daar staat tegenover dat de gewone literatuurliefhebber met dit boek een juweeltje in huis haalt. Ook de vormgeving van het boek is mooi.
Het is stevig uitgevoerd: zeer geschikt voor veelvuldig bladeren en snuffelen. Ook de index, waar bij dergelijke boeken vaak op bezuinigd wordt, is uitstekend. Bovendien wordt het plaatsen van gebeurtenissen en personen vergemakkelijkt door een tweetal kaarten van de Nederlanden en een leeslint je. Voor deze mooie uitvoering moet echter wel betaald worden: het boek van 938 pagina's kost f 125, maar voor de ware liefhebber van onze literatuur mag dat eigenlijk geen beletsel zijn.

Nederlandse Literatuur, een geschiedenis, onder hoofdredactie van M.A. Schenkeveld- Van der Dussen, Groningen, Martinus Nijhoff, 938 pagina's, prijs: f 125,00

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief