In de gemeente gedijt de lof
1993-07-16
De lof des Heren- Jaargang 37
- nummer 15
Daar moet het met ons, mensen, naar toe: dat wij de Here loven. Daar moet het met ons naar toe en daar moet het met alle dingen naar toe. Daar moeten hemel en aarde naar toe. Daartoe heeft God alles gemaakt: tot Zijn lof. In Israël leefde het besef daarvan, dat is te merken in de psalmen vooral. In Psalm 6 is een doodzieke man aan het woord die God bijna chanteert met Zijn eis om Hem te loven: "Wie zal U loven in het dodenrijk?" Daarmee zegt hij eigenlijk: U kunt mij wel laten sterven, maar dan is er wel een Godlover minder. Mensen moeten de Here loven, maar de dingen moeten dat ook. De mensen zijn natuurlijk meer dan de dingen. Het is de bedoeling dat wij mensen de dingen de baas zijn. Maar wanneer het om de lof van God gaat staan de dingen niet zo erg ver beneden ons: De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt het werk van Zijn handen. Toch is het feit dat de dingen de Here loven niet zo verbazingwekkend. Ze loven Hem gewoon door hun bestaan, zoals een brug in het landschap kan liggen en zijn ontwerper loven door zijn schoonheid. En van die kant bezien staat de mens weer ver boven de dingen: de mens heeft een mond en een hart en het gaat er om dat hij gewillig met' hart en ziel willens en wetens de Here' looft.
Je moet maar kunnen!
Wij weten dat in de psalmen heel wat mensen voorkomen die de lof van de Here in de keel blijft steken. Het is nogal rumoerig in de psalmen: protesten, verwijten, gebalde vuisten naar de hemel, vragen aan God, op het brutale af. Of God soms slaapt? vraagt een dichter. Toch krijgt wie niet aan de lof toe is niet meteen een verwijt te horen.
Dat valt op. Hoe vaak de mens in de psalmen niet wordt opgewekt om God te loven! Halleluja! Het komt 22 keer in de psalmen voor. Maar wie er niet aan toe is wordt niet meteen onder druk gezet. Je moet het kunnen. Je moet er aan toe zijn. Daarom schreef ik in het begin van dit stukje dat het daar met ons mensen naar toe moet. We moeten bij de lof van de Here uitkomen en we krijgen ook gelegenheid om er naar toe te groeien. Je mag er eerst over nadenken. Dat maakt nu juist dat de lof van God zoiets verbazingwekkends is.
Loven is verbazingwekkend
Ik moet duidelijk maken wat aan het loven van de Here zo verbazingwekkend is. Dat dringt het best tot ons door als we bedenken dat de lof van de Here onze bestemming is en niet de berusting. Als dat zo was, als berusting ons einddoel was zou ik mij niet zo verbazen. Door de gedachte dat berusting onze bestemming is wordt ons geloof telkens weer bescha- .
digd. Dat is waarschijnlijk onze germaanse afkomst, zei iemand, want berusting is heidens. De heiden kent geen andere omgang met zijn goden dan de berusting. Berusting bij voorbaat. Want tegen de goden kun je toch niet op.
Loven is meer dan berusting
Maar loven gaat een steek dieper. Als de Here God in ons leven komt laat Hij alle knoppen van ons mens-zijn op 'aan' staan. Ook de knop van ons denken wordt niet op nul gezet. Ook niet als Hij van ons vraagt dat wij Hem loven. En daar ligt nu dat verbazingwekkende. Lofprijzen heeft een heleboel kanten, maar ook deze zijde dat wij de Here nadenkend, weloverwogen loven. Dat wij het met God eens zijn en dat dan ook zeggen, lovend zeggen.
En het verbazingwekkende is dat de Here God dan niet in de lach schiet als wij Hem prijzen en ons dan in zekere zin een oordeel aanmatigen over Zijn doen. God zegt zelfs dat Hij ons daarvoor het leven gaf en dat het onze bestemming is om Godlovers te zijn. Ook het gebed is niet onze eindbestemming. Ook biddend zijn we op weg naar de lof van de Here. De lof ligt zelfs voorbij de aanbidding. Want ook de aanbidding heeft iets onmondigs, iets berustends. De lof gaat dieper.
In de grote gemeente
Maar een mens is aan de lof van God vaak niet toe. Er zijn zondagochtenden geweest - en welke collega kent die ervaring niet? - dat er een loflied in de liturgie stond en dat ik vlak voor de dienst bedacht: dat kan eigenlijk helemaal niet. Ik kan er z~een paar opnoemen die daar niet aan toe zijn. Hun harten zijn nog vol van weerwoorden tegen God en als de Here zijn kinderen nu zelf de tijd geeft moet ik dat toch ook doen? Later heb ik geleerd dat je de lofzang niet te snel moet schrappen en eigenlijk maar nooit moet schrappen. Want loven dat doe je het best met elkaar. Ik denk dat de dichter van deze psalm dat ook heeft ondervonden en dat hij daarom zei: Ik zal U loven in de grote gemeente. Wat je thuis nog in de keel blijft steken dat kun je samen met de anderen vaak wel zingen. Zingend tillen we elkaar op. In de oude berijming hadden we de mooie regel: "ik zal mijn stem met aller lofzang paren". Daarom schreef ik boven dit stukje: In de gemeente gedijt de lofzang. Daar is de lof op zijn plaats. Dat komt natuurlijk ook omdat we hoe dan ook Hem loven om Zijn grote daden en het allermeest om wat Hij triumferend deed in onze Here, Gods Zoon.
Het loflied 'nochtans'
En als Gods daden zo verborgen zijn dat we er werkelijk niet toe kunnen komen Hem nadenkend, weloverwogen te prijzen? Dat kan. De psalmen kennen ook het loflied dat met 'nochtans' begint. Maar ook het woordje 'nochtans' bevestigt dat loven een weloverwogen loven is, want met nochtans begin je niet, maar je neemt er je toevlucht toe als je uitgedacht bent.