De kerk of Christus?

1993-01-08
  • Jaargang 37
  • nummer 1
Toen onlangs bij de katechismusbehandeling in onze gemeente Zondag 30 naderde kwam mij ter ore dat een katholieke mevrouw (een kennis van één van onze gemeenteleden) belangstelling had voor de wijze waarop in een gereformeerde kerk vandaag de dag over die vraag naar de 'paapse mis' gesproken werd. Ze zou ernaar komen luisteren. Reden voor mij om extra mijn best te doen. Het resultaat bied ik (met verandering van het al te preek matige) aan onze lezers aan.

On-verschillig
Er zijn genoeg dominees die vraag en antwoord 80 van de Heidelbergse katechismus bij de behandeling in de gemeente overslaan. "Niet meer van onze tijd", zeggen ze. Daar is dit van waar dat wij de dingen vandaag beslist anders zouden zeggen. Beter?
Waarschijnlijk wolliger. Wij houden niet van verschillen, wij zijn onverschillig geworden. En als we niet oppassen, echt onverschillig. Is het soms niet zo dat veel tolerantie vandaag berust op onverschilligheid? Het kan ons gewoon niets schelen wat een ander gelooft. Die ander mag van ons alles geloven. En wij prijzen daarbij onze eigen ruimhartigheid. Maar pas op, wat wij voor ruimdenkendheid houden is in veel gevallen inderdaad niet meer dan onverschilligheid. Nu zeg ik niet dat we weer terug moeten naar de tijd dat we de dingen recht voor z'n raap zeiden. Daar kleven ook bezwaren aan. Maar wat op z'n minst van ons gevraagd mag worden is dat we ophouden zo zelfvoldaan in onze eigen tolerantie te roemen en er zo prat op te gaan dat wij andersdenkenden naast ons kunnen velen. "Veel mensen roemen hun eigen welwillendheid", zegt de spreuken-dichter, "maar een betrouwbaar man, wie zal hem vinden?" (Spreuken 20 : 6). Inderdaad, wie is zo betrouwbaar dat hij de mening van anderen waar hij het niet mee eens is integer kan bestrijden?
Dat hij iets in de ander kan afwijzen zonder die ander zelf te laten vallen.
Dat is erg moeilijk. Ook de katechismus is daar niet helemaal in geslaagd.
Die had dat woord 'vervloekt' ('een vervloekte afgoderij') beslist achter z'n kiezen moeten houden. Op z'n minst.
Want dat is kwetsend.

Zet en tegenzet
"Ja, maar Rome is begonnen", zou een protestant kunnen zeggen. Dat zou niet eens onjuist zijn. De RK kerk heeft op het koncilie van Trente in 1563 de leer van Luther veroordeeld en deed dat met de woorden: "Si quis dixerit...Anathema sit" ("Als iemand beweert...dan zij hij vervloekt"). En toen Trente dat uitgesproken had namen de protestantse vaders vraag en antwoord 80 als tegenzet in de Katechismus op. Aanvankelijk ontbrak die.
Hij is er later bijgemaakt. In reactie dus op Rome. Lik op stuk, vervloeking tegenover vervloeking. Trente werd met gelijke munt betaald. Nu, dat is voor ons mensen uit welke tijd ook herkenbaar genoeg, dat leer om leer, maar daarom is het nog niet goed. En er is dan ook alle reden om wat er in deze Katechismuszondag staat in meer christelijke zin te herformuleren.
Dat zou toch beter zijn dan het (zoals velen willen) maar af te schaffen en of er zwijgend aan voorbij te gaan, want het gaat hier wel degelijk om een verschil dat de moeite waard is. Het slaat echt ergens op.

Het verschil
Wat is nu ten diepste dat verschil?
Wel, de kerk speelt bij Rome een veel grotere rol dan bij de Reformatie.
Christus gaat er zelfs een beetje achter schuil. Gereformeerden zien de kerk graag in de rol van Johannes de Doper. U weet, Johannes de Doper was de voorloper van de Here Jezus.
Hij verwees naar Hem: "Zie het lam Gods dat de zonden der wereld wegneemt".
En als de mensen naar hem toekwamen omdat ze dachten dat hij de messias was dan zei hij: nee, ik ben niet de bruidegom zelf, ik ben slechts de vriend van de bruidegom.
Je moet niet bij mij wezen maar bij Hem. Kijk, dat wil de kerk van de Reformatie nu ook zo graag zijn: vriend van de bruidegom die ten opzichte van de bruidegom zelf weet van een bescheiden terugtreden. Niet dat ze daarin nu zo wonderwel slaagt, maar ze ziet dat toch als ideaal. Over wat daar in de praktijk van terecht komt, zou ik heel terughoudend willen zijn.
Maar het gaat nu even over de gedachte, de leer. De leer dan van de Reformatie is dat de kerk verwijzend en verwachtend dient te zijn. Daartegenover is de RK kerk meer bezittend.
Dat bedoel ik niet in financiële zin. In die betekenis zijn er bezittende kerken aan beide kanten van de streep, roomse en protestantse. En zij zullen het voor God moeten verantwoorden dat ze in deze tijd van duizend noden nog zo stinkend rijk zijn. Daarover nu verder maar niet. Nee, als ik zeg dat de RK kerk een bezittende kerk is dan bedoel ik dat ze het heil bezit, dat ze Christus zelf als het ware in bezit en beheer neemt. De RK kerk ziet zichzelf als de voortzetting op aarde van de vleeswording des Woords. Dat wil zeggen dat het Christus-geheim dat in de persoon van Jezus begonnen is zich in de kerk voortzet. En dat geeft dan aan de kerk een gewicht dat wij aan protestantse zijde zo niet kennen.
Dus: een verwachtende en verwijzende kerk aan de ene kant en een bezittende kerk aan de andere kant, dat is eigenlijk het verschil.

Blikrichtingen
U herinnert zich dat ik het op de Avondmaalszondagen nog wel eens heb over een aantal blikrichtingen die als het goed is de viering van 's Heren tafel begeleiden. Ons geestesoog dwaalt aan de maaltijd terug naar Golgota waar onze Heer dat heel unieke verzoeningsoffer voor ons gebracht heeft. De Here heeft ons daartoe ook aangespoord met de woorden: "Doet dat tot mijn gedachtenis", ga met je gedachten terug naar dat grote en indrukwekkende gebeuren, daar in het Jeruzalem van onze beginnende jaartelling en laat datop je inwerken.
Maar er is meer; we kijken aan het avondmaal ook vooruit naar het ogenblik dat onze Here in levenden lijve vóór ons zal staan. Bij zijn wederkomst.
Ook dat volgens het woord van de Meester: "Doet dat totdat Ik kom".
En ook proberen we aan tafel ernst te maken met de oproep die de viering in de oude kerk al vergezelde: "Sursum corda", "De harten omhoog!" Denk maar aan de voorafspraak bij het breken van het brood dat wij met 'Onze harten niet blijven hangen aan de uiterlijke tekenen van brood en wijn, maar de harten opwaarts in de hemel verheffen, waar Christus is, aan de rechterhand Gods. Lichamelijk is Hij hier nu niet, is daarmee gezegd. Dat is dus de derde richting: omhoog. (Ik noem er dan in de regel nog een vierde blikrichting bij, dat we namelijk aan de tafel ook naar elkaar kijken om zo de ander naast ons te zien zitten.
Maar dat laat ik nu maar even voor wat het is. Daar kan ik in dit verband niet zoveel mee.)

Maar die drie blikrichtingen: achterwaarts, voorwaarts en opwaarts, ja, dat is heel typisch gereformeerd of reformatorisch om elkaar daarop te wijzen bij de avondmaalsviering. Het is gek gezegd maar eigenlijk is het zo dat je bij een gereformeerde avondmaalsviering op een drievoudige wijze geestelijk de kerk uit wordt gestuurd.
Slechts de laatste blikrichting, die naar opzij, naar de broeder en zuster naast ons, bepaalt ons bij de kerk zelf. Maar de andere halen ons juist weg bij de kerk. Ze trekken ons heen naar Golgota, waar de Heer buiten de legerplaats, buiten de kerk, geleden heeft; naar de hemel als de plaats waar Jezus nu verblijft en de kerk ook al niet is; en naar de toekomst of wederkomst van Christus die voor de kerk nog komen moet en een verborgenheid is.
De protestantse kerk verwijst en verwacht, zei ik, en dat krijgen we aan de hand van die drie blikrichtingen heel helder vóór ons.

Bij de kerk vandaan
Laten we met behulp hiervan nu vraag en antwoord 80 eens lezen. "Wat voor verschil is er tussen het avondmaal des Heren en de pauselijke mis?" In die vraagstelling zit al meteen een positiekeus opgesloten. Het avondmaal is van de Here en de mis is van de paus. Dat klinkt gelijkhebberig, maar toch stuiten we hier meteen al op de kern van het verschil. Is het avondmaal van de Heer of is het van de kerk? Wie is de eigenlijke gastheer: Christus of de priester? Staat Christus centraal of staat de kerk centraal? Je moet toegeven dat dat inderdaad de kernvraag is. In het antwoord op de gestelde vraag worden dan vervolgens een tweetal kenmerkende omschrijvingen van avondmaal en mis gegeven waarin dit verschil nader wordt uitgewerkt.
Eerst het avondmaal. "Het avondmaal des Heren betuigt ons dat wij volkomen vergeving van al onze zonden hebben door het unieke offer dat Jezus Christus zelf eenmaal aan het kruis heeft volbracht". Ziet u dat hier de aandacht helemaal gaat naar Jezus Christus zelf en het toen en daar van zijn offer op Golgota? We worden door deze zin inderdaad weggeleid uit de kerk vandaan naar Hem die door zijn offer de kerk gesticht heeft. Het gaat dan zo verder: "... en dat we door de Heilige Geest Christus worden ingelijfd, die nu naar zijn menselijke natuur niet meer op de aarde maar in de hemel is, ter rechterhand Gods zijns Vaders". Opnieuw wordt hier zeer duidelijk dat Christus en de kerk bepaald niet samenvallen. De kerk is op aarde maar Christus is in de hemel en het avondmaal trekt ons geestelijk naar de hemel. Niet in een wereldvlucht, dat is niet de bedoeling, maar wel in het besef dat de kerk op deze aarde haar rust niet vindt. "Niets is er waar ik in kan rusten", zingt ze dan ook met de psalm (73). En dan het derde zinnetje of zinsdeeltje: "... en (dat Christus) daar (in de hemel) door ons wil worden aangebeden". Ik had wel graag gewild dat de Katechismus op deze plaats nog even door gegaan was met de woorden: "... en vandaar in zijn wederkomst verwacht mag worden". Het aanbidden van de Christus is toch vóór alles het roepen om zijn komst: "Kom, Here Jezus!" Maar eigenaardig genoeg hebben de reformatorische vaders die eindverwachting en dat eindverlangen niet zo met het avondmaal in verband gebracht.
Kennelijk zat het avondmaal daarvoor tezeer gevangen in de strijd die juist rondom dit sakrament zo bitter gevoerd is. Dat is jammer. Maar goed, de Katechismus zegt toch zeer terecht dat de aanbidding (en de verwachting, vul ik dus aan) naar Christus uitgaat die nu (nog) niet bij ons is. "Doet dat totdat Ik kom", zei Jezus, dat wil zeggen: Vier het avondmaal in de verwachting van mijn wederkomst. En zo haalt ook dit woord over delaanbidding ons dus weg bij de kerk vandaan om ons te richten op onze Heer in de hemel en zijn wederkomst daarvandaan.

Naar de kerk toe
En nu de karakteristieke omschrijving van de mis. "Maar de Mis leert dat de levenden en de doden niet door het lijden van Christus vergeving der zonden hebben, tenzij dat Christus nog dagelijks voor hen door de mispriesters geofferd wordt". Hier in de Mis is dus ook sprake van het lijden van Christus als de bron van ons heil. Net als bij het avondmaal. Op dit gemeenschappelijke wil ik grote nadruk leggen.
Denk er wel om dat het verschil waar we het nu over hebben voor u niet zo zwaar gaat wegen dat u die diepe overeenstemming niet meer ziet! Christus' lijden, daar zijn we aan beide kanten van de streep vol van.
Maar merkt u dat dat lijden, dat offer van de Heer hier van buiten de kerk naar binnen getrokken wordt? Het is zelfs zo dat Golgota hier door de kerk in beheer wordt genomen. Het is immers de priester die in de eucharistieviering het offer áes Heren onbloedig herhaalt. En het is pas vanwege die herhaling dat dit offer zijn kracht en werkzaamheid heeft. We moeten zeggen dat de kerk zich op deze manier wel heel sterk op de voorgrond dringt.
Ze wordt hier echt tot een machtsinstituut, een instituut van geestelijke macht, bedoel ik te zeggen. Ik denk dus bij macht nu niet aan iets politieks.
(Ik ben hier helemaal niet politiek bezig.) Geestelijke macht, in die zin dat de gelovige slechts via de kerk bij Christus en zijn offer kan komen. Dit gaat te ver. Bijbels gezien staat de kerk niet tussen Christus en de gelovige in, ze houdt zich meer ter zijde op, zoals de vriend van de bruidegom betaamt. We lezen verder: "... en dat Christus lichamelijk onder de gestalte van brood en wijn is". Dit is de bekende transsubstantiatie-leer, de leer van de wezensverandering van het brood en de wijn in het lichaam en bloed des Heren. Daar gaan we het hier nu niet uitvoerig over hebben. Ik merk alleen op dat het krachtens deze leer is dat Christus zich weliswaar onzichtbaar maar toch lichamelijk binnen het kerkinstituut bevindt en zelfs binnenin het kerkgebouw, in het centrum daarvan, verblijf houdt. Een Rooms kerkgebouw is een waar Godshuis, een schelp rondom de oester die Christus heet. Ook hier dus dat kenmerkende dat onze geest niet uit de kerk opwaarts gestuurd wordt, naar daar waar Christus is, maar integendeel, Christus wordt van omhoog geestelijk neergetrokken in de kerk.
De kerk omvangt haar Heer. Het laatste stukje van de typerende omschrijving zegt: "... en (dat Christus) daarom ook daarin (dus in het brood en de wijn) moet worden aangebeden". Dat gaat dus weer over de gebedsrichting waaraan ik even eerder de richting van ons verlangen en onze verwachting heb gekoppeld. Welke kant kijken we uit als we Christus in het gebed zoeken en in verwachting naar Hem uitzien en vragen "Kom, Here Jezus!"?
Is onze blik dan gericht op de monstrans die Christus in zijn lichamelijke aanwezigheid ten toon stelt of zeggen we met de psalm "Tot U, die zetelt in de hemel hoog, richt ik vol hoop mijn oog...", (Psalm 123: 1)?
Pelgrimeert de kerk nog wel, mag je bij de Roomse opvatting vragen. Wordt de kracht van de wederkomstverwachting niet gebroken, als de Heer in het altaarsakrament toch al lichamelijk bij ons is?

Afgoderij
Nu is de RK kerk op het Tweede Vatikaanse Koncilie van de zestiger jaren van onze eeuw gaan spreken over de Kerk als 'Gods volk onderweg'. En dat is beter. Hier neemt de kerk namelijk de geestelijke gestalte van de armoedige pelgrim aan. Ze is in deze wereld nog niet bezittend. Ze verwijst en ze verwacht. Het is vurig te hopen dat deze lijn van denken zich in de RK kerk voort zal zetten. Dat ze het machtsdenken op zal geven. En moge het dan zo zijn dat de RK kerk op de plaats van die geestelijke armoede de kerken der reformatie zal aantreffen.
Want het is niet denkbeeldig dat wijzelf daar al lang en breed weer vandaan zijn. De reformatorische kerkleer is namelijk een zeer hoge greep. Het is een geestelijk standpunt dat zeer moeilijk is vol te houden. Alleen maar in een voortdurende afhankelijkheid van Christus. Wij uit onszelf, wij hebben immers altijd weer de neiging om van onze geloofszekerheid zelfverzekerdheid te maken en Christus door de kerk te vervangen. En dat leidt dan inderdaad tot een soort afgoderij, - dat scherpe woord dat de Katechismus hier bezigt. U hebt wel gemerkt dat ik wel dat scheldwoord 'vervloekt' uit vraag en antwoord 80 liet vallen, maar die waarschuwing tegen afgoderij, nee, laat die maar staan. En dan vooral als waarschuwing voor ons allemaal en niet als beschuldiging naar één kant. Als waarschuwing dus en dan met verwijzing naar het oude Israël dat afgoderij met de ark bedreef (we hebben dat gelezen in I Samuel 4).
Datzelfde kunnen wij ook doen met avondmaal en kerk. Dat we tegen de wereld die ons hatelijk vraagt: "Waar is uw God?" (nietwaar, Psalm 42: "Waar is God die gij verwacht?") - dat we tegen die vragende wereld willen kunnen zeggen: Waar onze God is?
Wel, hier! Zichtbaar en tastbaar! De kerk als Godsbewijs. Zou dat inderdaad geen afgoderij zijn? Gelukkig trouwens (dat zeg ik nog even tussen haakjes) formuleert de Katechismus voorzichtig: "... in de grond niet anders dan afgoderij". Dat laat ruimte voor de zeer integere bedoelingen waarmee ook een katholieke zo goed als een gereformeerde gelovige de maaltijd van de Heer kan gebruiken.
Daar wijs ik met nadruk op. Het kan er immers niet om gaan elkaar uit te schelden of te wonden en te kwetsen.
Daarvoor hebben we elkaar in deze godloze tijd tezeer nodig. En daarom, als er gewaarschuwd moet worden tegen afgoderij, en dat moet inderdaad!, dan gaan we als reformatorische christenen broederlijk naast de RK gelovigen staan. Want afgoderij, daar hebben we allemaal een handje van.

'Wir sind nur Bettler'
Christus achter ons: Golgota, Christus vóór ons: wederkomst, Christus boven ons: de hemel, - en we zouden zo graag zeggen: Christus bij ons, in ons.
En dat is Hij ook, maar nu alleen nog maar in Woord en Geest, alleen maar voor het geloof grijpbaar. "Ik hef mijn ogen op naar de bergen (dat wil zeggen naar het allerindrukwekkendste van de schepping, en dat wil dus ook zeggen: naar alle indrukwekkende aardse gestalten en instituten) - vanwaar zal mijn hulp komen?", zegt de psalm (121) en dat herkennen wij.
Maar het antwoord is dat alleen maar voor het geloof vatbare: "Mijn hulp is van de Heer alleen!", zoals we aan het begin van elke kerkdienst zeggen: "Onze hulp is in de naam des Heren die de hemel en de aarde gemaakt heeft". "wir sind nur Bettler", "wij zijn maar bedelaars", zei Luther op zijn sterfbed. Daarmee vatte hij heel het reformatorische geloof samen. Geen bezitters, maar bedelaars en pelgrims.
"Hoc verum est", zei hij er achteraan, "dat is waar". Alsof hij zich bewust was dat het een erg moeilijke waarheid was die hij daarmee uitsprak.
Laten we inderdaad maar niet te gauw denken dat we er mee klaar zijn. Laten we God bidden om de Heilige Geest om onze relatie met de onzichtbare Christus te voeden en te onderhouden - niet het minst door het avondmaal.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief