Persschouw

1993-01-15
  • Jaargang 37
  • nummer 2
Als kerkratten in de val
Ze zaten als ratten in de val. Ze waren met hun bisschop de kerk binnengegaan om hem tegen de keizer te beschermen.
Maar de soldaten van de keizer hadden de basiliek omsingeld, zodat niemand er meer uit kon. De mensen waren bereid om samen met hun bisschop te sterven. Zo brachten ze de nacht in de kerk door: met de dood voor ogen en niets omhanden om de tijd mee te doden.
Toen begon de bisschop, Ambrosius, de mensen liederen te leren. Dat was iets nieuws, want in de kerken in het Westen was het niet de gewoonte dat het volk in de kerk zong. In de Oosterse landen gebeurde dat wél. Maar de bisschop van Milaan was een bijzondere man. Hij begreep dat, als je de waarheid van de bijbel bij de mensen levend wilt houden, je niet alleen maar uit de bijbel moet voorlezen en preken, maar ze het levende woord op .de lippen moet leggen. Daarom was hij liederen gaan dichten. Geen ingewikkeld geconstrueerde gezangen, maar verzen met een eenvoudige structuur: coupletten van vier regels, elk couplet op dezelfde melodie, zodat ze gemakkelijk te onthouden waren.
De verzen werden uit het hoofd gezongen, niet van blad. En het volk daar in die basiliek in Milaan begon te zingen: eerst aarzelend, allengs voller, tot het aanzwol tot een geweldig gezang.
En toen gebeurde het wonder: de soldaten die de kerk hadden moeten bestormen, kregen dat niet voor elkaar.
Ze werden zo ontroerd door de zang van de gemeente dat de tranen hen over de wangen begonnen te lopen.
En tenslotte zongen ze zelfs met de mensen in de kerk mee.

Jezus en de Vader
Zo had het gezang het leven van een groot aantal kerkgangers gered. Wat was de aanleiding van het conflict met de keizer? De keizer had de basiliek aan de aanhangers van Arius willen geven, en toen bisschop Ambrosius zich daartegen verzette, zette hij daarmee zijn leven op het spel. Arius was een dwaalleraar die beweerde dat Jezus niet God was. Om te zorgen dat zijn ideeën onder de mensen bekend werden, goot hij ze in de vorm van ...
geestelijke liederen. Die liederen leerde hij aan mensen die veel op pad waren en overal kwamen: schippers, marskramers en ezeldrijvers. Zo werd Arius' leer onder de mensen populair.
Wat bisschop Ambrosius daar in die kerk in Milaan deed, was dus eigenlijk niet origineel: hij had de kunst van een dwaalleraar afgekeken. Maar hij vond dat je de kunst niet aan de Satan moet overlaten, maar in dienst van Christus moet gebruiken. En tegenover de dwaalleer van Arius benadrukte Ambrosius in zijn liederen dat Christus en de Vader één zijn, zoals de Heer Jezus dat zei: "Ik en de Vader zijn één."

De macht van het lied
De tegenstanders van Ambrosius verweten hem dat hij het volk met zijn liederen betoverde. Zijn antwoord was: "Dat ontken ik helemaal niet. Er is geen machtiger bezwering dan het gezang. Wat is machtiger dan de belijdenis van de Drieënige God die dagelijks door de mond van het hele volk wordt gevierd? Als in een wedstrijd spant iedereen zich in om zijn geloof te belijden: ze hebben geleerd de Vader, de Zoon en de Heilige Geest in verzen te prijzen. Dus zijn nu allen meesters die eerst nauwelijks leerlingen konden zijn. Door het zingen heeft ieder medezeggenschap in de kerk (ook de vrouwen die de apostel had opgedragen verder te zwijgen), de jeugd leert op de heerlijkste wijze de waarheden van het geloof, er groeit een eenheid tussen jong en oud, arm en rijk, en keizer en volk zingen samen."

Opwekkingsbundel
Het verhaal dat ik hierboven vertelde, speelt in het jaar 386. Ambrosius was de eerste dichter in de Westerse kerk die liederen voor de gemeentezang schreef. Maar hij heeft veel navolgers gehad; in veel kerken werd het gewoon dat de gemeente zong. Ook andere dichters begonnen te zingen van de eenheid van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. AI die liederen werden 'Ambrosiaanse lofzangen' genoemd.
Misschien ken je lied 7 uit de bundel Opwekkingsliederen:

Heer God, U loven wij,
Heer, U belijden wij.
Vader, in eeuwigheid
zingt 't gans heelal uw naam.
Aarde en hemel, Heer,
zingen uwe naam ter eer,
heel uw schepping door,
eeuwig met het engelenkoor:
Heilig, Heilig! Heilig is
onze God, de Heer Zebaoth!
Hemel en aarde
is van uw grootheid vol.
Halleluja.

Het is een vertaling van een van die Ambrosiaanse lofliederen: Te Deum laudamus. Een volledige vertaling vind je in het Liedboek (Lied 399): "Wij loven U, 0 God, belijden U als Heer."
In dit lied zie je hoe het werk van de Vader en de Zoon één is: namelijk om mensen voor eeuwig te redden. Ook het bekende 'Grote God, wij loven U' (gezang 444 in het Liedboek) is een vertaling van het Te deum.
Misschien denk je nog eens aan dit verhaal terug als je één van die liederen zingt.

Dit informerende en instruerende artikel knipten wij uit het NG Jeugdblad: 'VERKENNING'. Het is van de hand van Johan Klein en verdient onze hartelijke waardering!

Enschede O. Mooiweer

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief