Reis door Turkije II

1993-07-30
  • Jaargang 37
  • nummer 16
Van Troas naar Pergamum II
Als Paulus onverwacht naar Troas gaat, is hij bezig aan zijn tweede zendingsreis.
Het is de moeite waard om met behulp van een goede kaart eens na te gaan, hoe Paulus door Turkije is getrokken.
In Troas krijgt Paulus een gezicht. Hij ziet een man aan de overkant in Macedonië (de zee is hier duizenden kilometers breed). Die man roept "Steek over naar Macedonië en help ons". Toen zal Paulus hebben begrepen, waarom hij, tegen zijn bedoeling in, niet naar het Oosten, maar naar het Westen moest gaan. Paulus en Silas twijfelen niet. Ze zoeken een boot en varen in een paar dagen naar Griekenland en komen aan in Neapolis. Maar daarover vertel ik later nog wel eens.
Wij kwamen dus ook in Troas. Reisorganisaties vinden het niet nodig om toeristen de overblijfselen van het oude Troas te laten zien. Vanuit Troje laten ze de bussen snel naar het Zuiden rijden. Toch moet Troas vroeger een belangrijke plaats zijn geweest. Nu zie je er tussen de bomen een prachtige oude boog, waarschijnlijk van een badhuis en allerlei stukken muur. En tussen de ruïnes door kun je de zee zien. En ergens, een paar honderd meter lager, moet eens een haventje zijn geweest, van waaruit Paulus naar Europa ging. En ook terugkwam. Hierover lezen we in Handelingen 20.
Paulus is tijdens zijn derde reis in Efeze geweest en gaat dan naar Macedonië. Hij is dus weer overgevaren.
Daar is hij dan drie maanden, waarna de terugreis wordt aangevangen. De reis over zee duurt vijf dagen. Blijkbaar was er tegenwind, want de eerste 'oversteek' duurde slechts twee dagen. En zo komt hij weer in Troas. In vers 4 wordt verteld, dat een aantal personen hem reeds vooruitgereisd zijn, o.a. Timotheüs. Zeven dagen is Paulus met de anderen in Troas en verkondigt er het evangelie. Hier heeft hijook Eutychus uit de dood opgewekt (Hand. 20:9 e.v.). Later schreef hij aan de gemeente van Korinthe (112:12), dat in deze plaats een deur voor hem geopend werd. Waarschijnlijk is er een flinke christelijke gemeente geweest. Maar na het verblijf in Troas moet er weer verder gereisd worden. Hij moet naar het zuiden, naar Assus, maar bij zijn vertrek vergeet Paulus het een en ander. Aan Timotheüs schrijft hij (11 4:13): "Als gij komt (naar Rome), breng dan de mantel mee, die ik te Troas bij Karpus liet liggen, en ook de boeken, vooral de perkamenten."
Lucas schrijft, dat hij met de anderen van Troas naar Assus voer, maar dat Paulus de afstand lopend wilde afleggen.
Vanuit Assus gingen ze samen verder naar Milete (Hand. 20:14 e.v.). In Assus is best wat te zien. De weg van Troas naar Assus is mooi. Je rijdt er tussen de bomen door en van tijd tot tijd zie je de zee. De oude stad ligt 'hoog'. Er staan nog enkele zuilen van een oude tempel en resten van stadsmuren liggen bijna verborgen tussen het groen. En als je dan naar beneden rijdt, kom je aan zee bij een klein plaatsje, dat nog steeds Assus heet. Bij de haven hebben we wat gegeten. Enkele ezels keken ons vriendelijk aan. En dan bedenk je opeens, dat Paulus hier aan boord is gegaan. Je kunt je afvragen waarom Paulus de afstand tussen Troas en Assus (ongeveer 50 km) lopend wilde afleggen. In zijn boek schrijft Van der Waal hier ook over. Er wordt van Paulus wel eens gezegd, dat hij weinig oog had voor de natuur om zich heen. Van der Waal bestrijdt dit en wijst er op, dat Paulus tijdens zijn verblijf in Lystra (Hand. 14) sprak over de regen en vruchtbare tijden, die ons van de hemel worden gegeven. Van der Waal schrijft dan:
"Daarom zullen we het expres gekozen traject Troas-Assus hiermee in verband mogen brengen. Zeker, Paulus heeft deze tocht willen gebruiken om zich te bezinnen, biddend te bezinnen op het lijden dat hem wachtte. Maar dit geschiedde temidden van een liefdelijke wereld die hem van zijn Vader sprak, "die de hemel en de aarde, de zee en al wat erin is gemaakt heeft", die "van de hemel regen en vruchtbare tijden" geeft."

Vanuit Assus gaat de reis verder naar het Zuiden. Verschillende eilanden worden aangedaan: Mitylene, Chios, Samos en tenslotte komt men in MiIete. Samos ligt vlakbij Patmos, waar Johannes later was.

Over het verblijf in Milete hoop ik later te schrijven. Vanuit Assus reden we langs de kust naar het Oosten, op weg naar
Bergama, waar eens Pergamum lag. We reden tussen de wijngaarden door. De olijfboomgaarden zijn er uitgebreid en na een tocht van zo'n 200 km kwamen we in Edremit, het oude Adramyttium, dat in Handelingen 27 wordt genoemd. Nadat Paulus gevangen was genomen, voer hij op een schip uit deze plaats vanuit Caesarea naar Sidon, daarna langs Cyprus, vervolgens naar het vaste land van Cilicië en Pamfylië en tenslotte langs de kust naar Myra, waar later bisschop Nicolaas zou wonen. En toen kwamen we in Pergamum.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief