Jeugdwerk in een supermarktcultuur (3)

1993-09-10
  • Jaargang 37
  • nummer 19
"Ze vonden alles oké, en alles mocht. Meid, je ziet maar. Maar diep in mijn hart had ik gewoon een papa en een mama willen hebben, en niet een Tjits en een Frits" (Nynke in HP/De Tijd 1)

"Als je altijd zelf mag kiezen is het ook niet leuk meer. Als puber kreeg ik daardoor het gevoel dat mijn ouders niet in mij geïnteresseerd waren. Dat is misschien wel het ergste wat je als kind kan overkomen" (Els in 'Opbouw 2).

In de vorige aflevering uit deze serie werd het beeld geschetst van een samenleving die in verwording is. Het gezin slaagt er niet meer in om waarden en normen aan jongeren over te brengen. Binnen de kerken heeft men geen gemeenschappelijke levensstijl meer. De invloed van de media is allesbeheersend en doordringend. Het gevolg is een gefragmentariseerde samenleving, een supermarkt van waarden en normen, waarbij iedereen doet wat hem goeddunkt en steeds in een andere gedaante verschijnt. Opvallend was in dit verband een bijdrage in het N.D., waarin beschreven werd hoe een kern van de Engelse hooligans (= voetbalvandalen) in de eerste klas van trein en vliegtuig reist en gekleed gaat als fabrieksdirecteur 3).
De beschreven ontwikkelingen maken dat het moeilijker is geworden om de boodschap van de kerk door te geven aan een volgende generatie. Wil dat zeggen dat de opvoedende rol van het gezin en van de kerk is uitgespeeld?
Kan men maar beter zwijgen en alles maar goed vinden? Uit de aan het begin van dit artikel geciteerde uitspraken van jongeren blijkt dat dat laatste ook niet de oplossing is. De bijdrage 'Kinderen van de vrijheid' in het themanummer van HP/De Tijd laat (temidden van een aantal andere onthutsende bijdragen) zien hoezeer ouders die geen grenzen stellen hun kinderen soms in de kou laten staan. De auteurs van het in deze serie besproken boekje 'Jeugdwerk in een supermarktcultuur' gaan dan ook niet de kant uit van jongerenwerk waar alles kan en allesmag 4). Ze schetsen een somber beeld van de westerse samenleving, maar leggen zich daar niet bij neer.

Geen binding
"Maar het gaat toch veel beter dan een aantal jaren geleden?" zou men tegen dat sombere tijdsbeeld op kunnen werpen. Blanken e.a. delen niet in dat optimisme. Weliswaar zetten jongeren zich minder af tegen de kerk (waarom zouden ze ook?), dit betekent nog niet dat er een 'gestructureerd alternatief voor kerkelijke godsdienstigheid' zichtbaar wordt. M.a.w.: men houdt er wel een aantal vage ideeën op na, maar men zoekt het niet in een lidmaatschap van een kerk, afspraken binnen een bepaalde beweging enz. Ook ideeën uit de New Age vormen geen enkel alternatief voor de westerse kerkelijkheid. "Onkerkelijken en ongelovigen, halfkerkelijken en halfgelovigen; mensen die eigenlijk nergens bijhoren omdat ze voortdurend dingen doen en dingen denken die met geen enkele denominatie sporen; hun opvattingen zijn een amalgaan van christendom, humanisme, vrijdenkerij en agnosticisme. De belangrijkste conclusie moet luiden dat we op weg zijn naar een steeds verder individualiserende samenleving" (blz. 56, ontleend aan Jansen).

Confronteren of bevestigen?
In het 6e hoofdstuk (dat slechts 3 bladzijden telt) gaan de auteurs in op de vraag welke boodschap christenen hebben voor deze wereld, en hoe ze deze boodschap in 1993 over kunnen dragen aan anderen. Ze schrijven dat niet alleen Gods betrokkenheid op deze wereld verkondigd moet worden, maar dat ook de vinger gelegd moet worden bij het kwaad in de cultuur en in de mens zelf. Evangeliseren betekent dus ook: oproepen tot bekering en het vragen om de Heilige Geest.
Toch zijn we er daarbij niet. Wie geen vreemdeling is in de wereld van de evangelisatie, ziet dat mensen op een heel verschillende manier proberen om te getuigen en te overtuigen. De auteurs maken in dit verband onderscheid tussen confrontatie-evangelisatie en bevestigingsevangelisatie (blz. 61). Wanneer we 'confronterend evangeliseren' beginnen we met het leggen van de nadruk op de slechtheid van de mens en de samenleving. (Een persoonlijk intermezzo, zonder deze 'confronterende stroming' als zodanig te kort te willen doen: vanmorgen stonden er twee Jehovah-getuigen voor onze deur; hun betoog begon met: 'Vindt u ook niet dat het heel slecht gaat met de wereld?'). Hoewel de opstellers van het hier besproken boek van mening zijn dat de oproep tot bekering moet klinken, kiezen ze toch voor 'bevestigingsevangelisatie'. Het startpunt is daarbij de relatie. God maakte zich eerst aan Abraham bekend, maar stelde daarbij weinig eisen ('Ik wil alles voor je zijn, wandel voor mijn aangezicht'). Geleidelijk aan en gaandeweg werd toen voor Abraham duidelijk dat hij zich lo moest maken uit de cultuur van die dagen. Het confronterende en normerende aspekt (d.w.z.: het aanwijzen van de zonde) ziet men dus als een vervolg op de relatie. Eerst maak je bekend wie God is en vervolgens wijs je erop dat als God zoveel voor ons betekent, dat dat dan ook consequenties heeft voor onze eigen levensstijl.

Twee valkuilen
De bedoeling van de Blanken e.a. is vooral: vragen te stellen rond het jeugdwerk binnen de kerken. In het slothoofdstuk werken ze elementen uit de voorgaande hoofdstukken uit in een aantal beleidsaanbevingen. Ze schetsen daarbij twee valkuilen: jongeren niets in de weg durven leggen én onmiddellijk alles van jongeren willen eisen. Beide fouten zijn niet denkbeeldig in het pastoraat aan jongeren in onze kerken. De één durft geen grenzen aan te geven omdat hij bang is dat iemand dan niet meer in de kerk zal komen, de ander is heel bang dat normen zullen vervagen wanneer niet direct duidelijk wordt ingegrepen.

Beginnen met de relatie
Het voorgaande geldt dus niet alleen voor het jeugdwerk, we kunnen het ook toepassen op het pastoraat aan jongeren. Veel jongeren zijn erg onzeker en zoeken naar erkenning, herkenning en waardering. Ondanks het feit dat ouders en anderen zich inspannen om hen het gevoel te geven dat ze welkom zijn, overheerst bij hen toch vaak een gevoel van onzekerheid.
Mag ik er zijn? 5) Daarom zou een predikant of ouderling eerst moeten 'investeren' in de relatie, in het interesse tonen in de leefwereld van de jongere. Wie die behoefte aan erkenning en waardering niet voldoende onderkent en in het gesprek al heel snel over gaat op een kant-en-klaar pakket van waarden en normen loopt de kans dat hij het persoonlijke element in het gesprek mist. De 'bevestiging' ontbreekt. Pas wanneer die 'bevestiging' er is, is er ruimte om verder te gaan. Daarbij hoort ook: het duidelijk maken dat ook in deze gefragmentariseerde wereld het christen-zijn wel degelijk gevolgen heeft voor je levensstijl.

Beleidsaanbevelingen
De samenstellers van het boekje komen tot een aantal belangwekkende beleidsaanbevelingen. Ze worden hier niet allemaal overgenomen, de geïnteresseerde lezer doet er goed aan het boekje zelf aan te schaffen. Ik noem een paar aandachtspunten.
1) Christelijk jeugdwerk zal meer dan ooit prioriteit moeten geven aan het scheppen van plaatsen voor persoonlijke ontmoeting. Ter toelichting: het gaat niet om het aantal (20.000 jongeren op een jongerendag) maar om de kwaliteit, een plek waar je je steeds weer thuis voelt en waar je met iemand kunt praten.
2) Christelijk jeugdwerk zal een veel grotere zorgvuldigheid moeten betrachten bij het kiezen van haar methoden en media. Ter toelichting: men moet soms bewust juist niet aansluiten bij de jeugdcultuur. Dat gebeurt in de ogen van de auteurs namelijk wel eens te gemakkelijk en te weinig kritisch. Het wachten is dan ook momenteel -stellen de auteurs scherp- op christelijke 'house parties'.
3) Christelijk jeugdwerk zal zich meer en meer bewust moeten worden van haar plaats temidden van andere 'leefwerelden' van jongeren. Ter toelichting: dus niet als losstaand fragment, hier geloof je dit en op school geloof je dat. Opvallend is dat hierbij ook aandacht wordt gevraagd voor de positie van ouders: 'Christelijk jeugdwerk moet aandacht besteden aan het leggen van relaties met ouders' (blz. 66).

Nog eens: leefregels en relatie
De meest uitdagende conclusie van de auteurs luidt dat de jeugdbeweging 'pedagogischer' zal moeten zijn. Daarmee wordt bedoeld: het jeugdwerk zal moeten durven aan te geven wat de waarden en normen, de leefregels, van een christen zijn. Het geen grenzen durven stellen is in de opvoeding een doodlopende weg (het mag trouwens niet eens opvoeding heten).
Wat het landelijk georganiseerde jeugdwerk in onze kerken betreft mag gezegd worden dat het NGJ deze boodschap m.i. duidelijk verstaat. Vrijblijvendheid is hier allerminst troef. Dit komt o.a. tot uiting in de schetsen van 'Verkenning' die regelmatig verschijnen. Hoe deze 'normering' op plaatselijk niveau wordt uitgewerkt, is -vermoed ik- nog wel eens verschillend. Toch is het een thema dat niet uit het oog mag worden verloren. Hoe meer de samenleving 'fragmentariseert', hoe meer er 'geoefend' moet worden in de relatie tussen geloof en dagelijks leven. De andere opvallende conclusie van Blanken e.a. is dat een vertrouwensrelatie met en tussen elkaar een voorwaarde is voor dat 'pedagogische' jeugdwerk. Pas vanuit het je geborgen voelen kan een open gesprek op gang komen. Dit betekent dat er in het jeugdwerk ruimte moet zijn voor de relatie: voor ontmoeting. Jongeren moeten zich bij elkaar emotioneel veilig kunnen voelen, hun verhaal bij elkaar kwijt kunnen. Dat geldt trouwens niet alleen voor het jeugdwerk 'onder elkaar', maar ook in de relatie tot andere leden in de gemeente (predikant, ouderlingen, anderen).

Sociologie
Het is bekend dat er in veel (orthodoxe) kerken vragen worden gesteld bij een benadering van vraagstukken. in de samenleving met behulp van een methode vanuit de sociale wetenschappen.
Toch meen ik dat mensen die zo'n methode radicaal afwijzen zichzelf tekort doen en bepaalde ontwikkelingen over het hoofd zien. AI mag een sociologische analyse dan niet het laatste woord hebben, voor een goed begrip van datgene wat er in onze samenleving aan de hand kan deze werkwijze toch verhelderend werken. Een nadeel is in dit boekje wel het gebruik van vrij veel moeilijke woorden uit het vakjargon van (o.a.) de sociologie die voor menig goedwillend lezer onbekend zijn.

Tenslotte
Het boekje van Blanken e.a. is heel compact geschreven. In minder dan 70 bladzijden worden talloze onderzoeken geciteerd. Dat maakt dat dit boek af en toe meer weg heeft van een uittreksel dan van een eigen publicatie.
Uit de inhoud blijkt dat de leden van de werkgroep zich zorgen maken over de invloed van die ontwikkelingen op de jeugd van de kerken en zoeken naar manieren om aan jongeren duidelijk te maken hoe alomvattend het christelijk geloof is.
Opvallend is dat de beleidsaanbevelingen een klein deel van het boek beslaan Er wordt vooral aandacht besteed aan de 'sociologische diagnose' van onze tijd, maar veel minder aan de 'behandeling'. De beleidsaanbevelingen zijn maar weinig uitgewerkt en toegespitst. Toch vind ik dat niet helemaal ten onrechte. Laten we met die globale aanbevelingen zelf maar eens aan het werk gaan... Ondanks enkele bezwaren meen ik dat deze publicatie goede diensten kan bewijzen. Het is een prijzenswaardig initiatief van de Evangelische Alliantie om aan dit onderwerp in een werkgroep aandacht te besteden en het vervolgens ook nog voor een breder publiek toegankelijk te maken. Ik hoop dan ook dat leden van onze kerken er hun voordeel mee willen doen. Voor de zeer geïnteresseerde lezer is bovendien een uitgebreide literatuurlijst toegevoegd.

Noten
1 HP/De Tijd, Themanummer over 'de grenzeloze generatie'; 23 juli 1993.
2 In 'Thuis mocht alles', 'Opbouw', 16 juli 1993, Nederlands Dagblad, 16 augustus 1993
4 G.J. Blanken (red.): Jeugdwerk in een supermarktcultuur. Uitgever: Kok Voorhoeve, Kampen, 1993, 69 pagina's, f 15,90.
5 Vgl.: Drs. A.A. Ganzevoort, Mag ik er zijn? (Kok Voorhoeve, 1990.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief