Verzocht in de woestijn (Matth. 4:1-11)

1993-09-10
  • Jaargang 37
  • nummer 19
Vervullen
Ik ben niet gekomen om de wet of de profeten te ontbinden maar om die te vervullen, zegt Jezus in Matth. 5:17. Meestal denken wij bij dat woord wet alleen maar aan de oudtestamentische voorschriften en regels. Maar dat is een willekeurige beperking. De wet omvat de vijf boeken van Mozes in hun totaliteit. Ook het boek Genesis behoort ertoe en de geschiedenis van de uittocht. Ook die geschiedenissen worden door en in Christus vervuld.

Mattheüs laat dat in zijn evangelie duidelijk zien. Zoals de israëlitische kinderen in de Nijl verdronken werden maar Mozes, de verlosser, gered werd (Ex.1-2), zo werden de kinderen van Bethlehem vermoord maar Jezus, de Verlosser, gered (Matth. 2). Zoals, naar de woorden van Hos. 11:1, God zijn zoon Israël uit Egypte riep, zo riep Hij na de dood van Herodes zijn Zoon Jezus uit Egypte. Zoals Israël na het vertrek uit Egypte door de Schelfzee trok en zo, naar Paulus woorden in 1 Cor. 10:2, gedoopt werd in de zee, zo werd Christus gedoopt in de Jordaan (Matth. 3:13-17). En zoals Israël na de doop in de zee veertig jaar in de woestijn verbleef, zo was Christus na zijn doop veertig dagen en nachten in de woestijn. Zie je wel, zegt Mattheüs.
Christus kwam om de wet te vervullen, ook de geschiedenis van de uittocht. Hij is om zo te zeggen Israël in optima forma.

Verzoeking
In de woestijn werd Christus verzocht door de duivel. Dat het daar gebeurde, was overigens geen toevallige samenloop van omstandigheden. Er zat opzet achter, zegt Mattheüs. Christus werd door de Geest naar de woestijn geleid om verzocht te worden door de duivel. De Geest leidt Hem in verzoeking.
Dat is niet iets waarnaar je hoeft te verlangen en nieuwsgierig te zijn om het ook eens mee te maken. Christus heeft het meegemaakt. Hij wist wat het was en heeft ons niet voor niets leren bidden: leid ons niet in verzoeking. Dat mag je afbidden.
God en zijn Geest kunnen dus wel in verzoeking leiden. Maar God verzoekt zelf niemand, schrijft Jacobus (1:13).
Verzoeken is proberen iemand tot zonde te brengen. En dat past niet bij God. Hij probeert nooit de mensen zover te krijgen, dat ze in zonde vallen. Dat doet God niet. Natuurlijk niet. Neen, gaat Jacobus verder, de verzoeking komt voort uit de zuiging en verlokking van onze eigen begeerte. Ze steekt de kop op in onszelf. Ze komt niet van buitenaf maar van binnenuit.
De verzoeking zit niet in de omstandigheden, niet in de mensen of gebeurtenissen om ons heen. Daar gooien wij wel vaak de schuld op. Toen Adam van de boom der kennis van goed en kwaad gegeten had, kwam God naar hem toe en vroeg: wat heb je gedaan? Op die vraag had hij alleen maar schuld kunnen bekennen, maar hij schoof de schuld af: de vrouw die U me gegeven hebt, heeft me te eten gegeven. En Eva zei op haar beurt: U moet niet bij mij zijn. De slang heeft me verleid. Dat is de manier waarop wij altijd weer onszelf buiten schot proberen te houden. Als die slang er maar niet geweest was. Als die vrouw er maar niet geweest was. Als ik die verkeerde vriend of vriendin maar niet ontmoet had. Als dat geld toen maar niet voor het grijpen gelegen had. Als mijn man me toen maar niet zo vernederd had. Als mijn vrouw toen maar niet ziek geworden was. Als dit maar niet en als dat maar niet. Dan was er niets gebeurd. Dan was alles wel goed blijven gaan en was het niet verkeerd gelopen.

Uitvluchten, zegt Jacobus. Als je eigen hart niet ja gezegd had en in je eigen binnenste de begeerte niet naar boven geborreld was, hadden de omstandigheden nog wel tien keer verleidelijker kunnen zijn en dan zou er toch niets gebeurd zijn. De verzoeking ligt niet in de omstandigheden, zelfs niet in de zwaarste en moeilijkste, maar in onszelf.

Uit het hart
De Here Jezus heeft dat ook gezegd. Uit het hart, van binnenuit, komen de kwade overleggingen, hoererij, diefstal, moord, echtbreuk, hebzucht, boosheid en wat er verder nog maar genoemd kan worden aan slechte dingen (Marc. 7:21-23). Dat alles komt van binnenuit naar buiten. Echtbreuk komt niet voort uit het feit dat je op een fuifje zo'n aardige vrouw of zo'n boeiende man ontmoet hebt, maar uit je hart. Niet de gelegenheid maakt de dief, maar iemands hart. Niet de omstandigheden zijn de schuld, maar jij staat schuldig. Niet anderen brengen jou tot zonde, maar je eigen begeerte.
Die in jou levende begeerte, zegt Jacobus, maakt je als het ware tot een soort prostituée die op de hoek van de straat staat en zichzelf aanbiedt aan elke voorbijganger. Natuurlijk heb je ook vroeger wel kansen en gelegenheden gehad om geld te verduisteren. Toen liet je die achteloos aan je voorbijgaan. Maar sinds de begeerte in jou de kop opstak en steeds sterker werd, heb je de eerste de beste gelegenheid aangegrepen. Toen zat je gewoon op een gelegenheid, op een klant, te wachten.

Zo liggen de zaken, zegt Jacobus. De verzoeking is niet het werk van God, maar komt uit jezelf voort. Pas als we ons dat goed realiseren en vasthouden, kunnen we het ook nog anders zeggen, namelijk dat de verzoeking het werk is van de duivel. Dat mogen we alleen zeggen als we ons van die andere kant goed bewust blijven, want anders zouden we toch onze eigen verantwoordelijkheid weer onder de tafel werken en van ons afschuiven. Alleen als we onze eigen verantwoordelijkheid blijven zien, is de verwijzing naar de duivel terecht en bijbels.

Verzocht worden
Bij Adam en Eva kwam de verzoeking voort uit hun eigen begeerte. Ze staan dan ook persoonlijk schuldig. Maar de bijbel zegt ook dat ze verzocht werden door de satan. De slang wordt dan ook niet voor niets door God vervloekt.
In Matth. 4 ligt het accent op het verzocht worden door de duivel. Het staat er met zoveel woorden: Christus werd naar de woestijn geleid om verzocht te worden door de duivel. Die heet in vers 3 dan ook: de verzoeker. Want er is hem alles aan gelegen de mensen tot zonde te brengen. Daar is hij helemaal op uit, ook bij Christus.

Het is goed hier ook even aandacht te geven aan de naam duivel. In de grondtekst staat het woord diabolos. Ik noem dat griekse woord even, omdat het ook in het Nederlands is doorgedrongen in ons woord diabolisch. Het woord diabolos betekent: hij die alles uit elkaar gooit. Hij is degene die verwarring sticht en verwijdering brengt tussen mensen. Die naam is bijzonder toepasselijk, want dat is precies wat hij doet: mensen opzetten tegen God en tegen elkaar, hen uiteen drijven, een wig tussen hen drijven. De duivel is de grote splijtzwam. We hoeven maar om ons heen te kijken in de wereld, de kerk en ons eigen leven om te constateren hoe goed hij daar nog steeds in slaagt. Wat moeten we niet verbijsterend vaak constateren dat mensen uit elkaar groeien, dat er verwijdering ontstaat - tussen God en mens en ook tussen christenen onderling - en dat dat resulteert in vervreemding en vereenzaming. Want dat is altijd het gevolg.

Daar is hij bij Christus ook op uit. Jezus komt hier onder het spervuur te liggen van degene die een kloof wil slaan tussen Hem en God, die Hem in conflict wil brengen met God en die zo vervreemding en eenzaamheid in zijn leven wil brengen. Zo had hij dat ook gedaan bij Adam in het paradijs. Toen Adam in de verzoeking was gevallen, werd hij bang voor God. Hij verborg zich voor God. Daarin uitte zich de vervreemding van God. En hij begon de schuld op Eva te schuiven. Daarmee begon de vervreemding tussen de mensen onderling.

Laatste Adam
De vergelijking met Adam is niet willekeurig, want Christus is de nieuwe, de laatste Adam, zoals Hij in het Nieuwe Testament genoemd wordt (1 Cor. 15:45). Ze bekleedden allebei een sleutelpositie. Hun houding zou vergaande consequenties hebben. Toen Adam in het paradijs gehoor gaf aan de duivel, veroorzaakte hij daardoor een uitzichtloze en eindeloze vervreemding tussen God en mensen. Maar Christus, dè laatste Adam, kwam om weer goed te maken wat de eerste Adam in het honderd had laten lopen. Daarom moest ook Hij verzocht worden door de duivel. In Hem en in zijn optreden moest zichtbaar worden, dat de eerste Adam een andere keuze had kunnen maken en niet in de verzoeking had hoeven te bezwijken.
Om dat te kunnen aantonen moest Christus wel verzocht worden en moest de verzoeker op Hem afkomen als een wesp op een pot honing. Hij moest aan dezelfde vuurproef onderworpen worden als de eerste Adam.
Daarom werd Hij door de Geest in de woestijn geleid om verzocht te worden door de duivel. De omstandigheden waaronder de laatste Adam aan deze aanval bloot stond, waren heel wat ongunstiger dan bij de eerste Adam. De eerste Adam was goed geschapen. Zijn bestaan en omgeving waren nog niet aangetast door de zonde en haar gevolgen. Heel de entourage waarin hij verkeerde (het paradijs). sprak van Gods liefde en nabijheid. Maar bij Christus lag dat heel anders. Zijn menselijk bestaan was onderhevig aan de gevolgen van de zonde. Jes. 53 zegt van Hem: Hij was mismaakt, afschuwwekkend, geteisterd door ziekten. Kortom, hij had een verzwakte menselijke natuur, terwijl de eerste Adam een toonbeeld van kracht en van ongebreideld leven was, dat nog door niets was verzwakt. Het contrast was nog groter. De eerste Adam had aan niets gebrek. Hij was goed doorvoed en hoefde niet vanwege een hongerige maag een greep te doen naar de verboden vrucht. Maar de laatste Adam had veertig dagen en veertig nachten gevast. De honger knaagde aan Hem. En dat betekende een extra handicap.
Tenslotte bevond de laatste Adam zich niet, zoals de eerste, in het paradijs waar alles sprak van Gods zegenende goedheid, maar in de woestijn, met andere woorden: in een plaats waar Gods vloek over de aardbodem (Gen. 3:17) het duidelijkst gestalte gekregen heeft en zichtbaar geworden is. De woestijn is de plaats waar alles spreekt van Gods verzengend oordeel, van Godverlatenheid. Daarom moest ook de zondebok, beladen met de zonden van het volk, de woestijn ingestuurd worden (Lev. 16:10). De woestijn was als het ware een vuilstortplaats, waar de zonden van het volk werden
gedumpt.

In de woestijn
Het is dan ook geen wonder dat de woestijn ook gold als de woon- en verblijfplaats van de boze geesten. In Matth. 12:43 spreekt Jezus over een boze geest die is uitgedreven en die dan door dorre plaatsen, door een woestijn, trekt om rust te zoeken. En in Luc. 8:29 wordt verteld dat de bezetene van Gadara door de boze geesten naar de graven en naar eenzame streken, woestijnen, gedreven werd om daar te verblijven. De woestijn is om zo te zeggen de plaats waar de macht van de boze, de vloek over de zonde en de Godverlatenheid in de meest tastbare en zichtbare vorm geconcentreerd zijn. En het is dan ook niet bevreemdend dat de satan juist daar Jezus aanvalt. Uiteraard hoeft iemand in de woestijn niet zelf door God verlaten te zijn. Door God verlaten is er alleen wie zelf God verlaten heeft. En dat was bij Jezus natuurlijk niet het geval. Hij was daar al die veertig dagen en nachten niet door God verlaten. Middenin die wereld waar alles sprak van Gods verzengend oordeel, leefde Hij in gemeenschap met zijn Vader. Daarom voelde Hij zich ook niet alleen en was hij niet bang voor de eenzaamheid en de absolute stilte. Want eenzaam was het er natuurlijk wel. En er heerste een doodse stilte.
Denk het u even in: veertig dagen en veertig nachten in die woestijn. Je beschikt niet over een transistorradiootje of een zendertje om het contact met de mensenwereld te onderhouden. Je kunt niet iets aanpakken en hebt geen afleiding. Je bent helemaal alleen met jezelf, met je gedachten en met God.

Stilte
Zouden wij dat nog aankunnen, dat alleen zijn nog kunnen verdragen? Ik denk het niet. De moderne mens is bang voor de stilte, voor het niets doen en voor het alleen zijn. Wij verdrijven de stilte met onze geluidsmachines die onafgebroken lawaai produceren. We kluisteren ons vast aan de beeldbuis om toch vooral niet met onszelf geconfronteerd te worden. We verliezen onszelf in een lawine van activiteiten. En we duiken weg in de massa om maar niet alleen te zijn.

Jezus kende die angst voor de eenzaamheid en de stilte niet, want middenin de woestijn was Hij niet door God verlaten. Het was goed tussen God en Hem. De stilte en het vasten concentreerden en verdiepten juist de gemeenschap met God. Zou de oorzaak van onze angst niet liggen in de Godverlatenheid, in een gestoorde gemeenschap met God? Zou daarom de mens van onze tijd - wijzelf! - zich niet hullen in een ondoordringbare wolk van vele decibellen geluid, zo "dicht en zo luid dat Gods stem die ons roept, er niet meer doorheen en bovenuit kan komen? Zouden al dat lawaai en die angst om alleen te zijn, geen vlucht voor God zijn? Vormen ze geen aanwijzing dat we de confrontatie met God niet aandurven?
Jezus had geen angst voor de eenzaamheid van de woestijn. Want het zat helemaal goed tussen Hem en God. En dankzij Hem mag het ook weer goed zijn tussen God en ons. We zouden dan ook niet meer zo'n angst moeten hebben voor eenzaamheid en stilte. Als we uit zijn kracht leven, ontspringt er zelfs in de woestijn een heldere fontein.

Honger
Jezus had honger. In onze tijd worden we via de televisie bijna dagelijks met honger geconfronteerd. Maar in ons eigen leven kennen we het niet meer. In de Hongerwinter van 1944/45 zijn er in ons land mensen gestorven van de honger. Maar sinds die tijd is honger in ons eigen land een onbekend verschijnsel geworden. We kennen het niet meer aan den lijve en hebben er alleen nog weet van via televisiebeelden en hulpacties. Het gaat ons allemaal eigenlijk een beetje als Marie Antoinette. Kort voor het uitbreken van de Franse revolutie kwamen de volksmassa's in beweging. Ze dromden samen in een betoging, schreeuwend en slagzinnen scanderend. Flarden van het rumoer drongen door tot in het paleis en de koningin vroeg aan iemand van haar hofhouding: wat hebben die mensen toch? Ze hebben geen brood, werd haar geantwoord.
Marie Antoinette haalde haar schouders op en zei: laten ze dan gebak eten! Ze had er geen flauw benul van wat honger betekende. Dat geldt ook van ons. Vuilnisbakken vol eten worden er weggegooid in het rijke Westen. We kunnen ons niet meer voorstellen wat het is, zó hongerig te zijn dat je vuilnisbakken gaat nasnuffelen op zoek naar iets eetbaars. Wij kennen het verschijnsel honger alleen nog op afstand.

Jezus kende het uit ondervinding. Bij Hem was er na veertig dagen en nachten vasten, sprake van echte, reële honger. Zijn maag schreeuwde om eten. Wat doen mensen om in zo'n situatie een stuk brood te bemachtigen en aan eten te komen? Daar bestaan gruwelijke verhalen over. Diefstal behoort nog tot de meest onschuldige.
Soms vervallen mensen tot kannibalisme om zelf te kunnen overleven. En ook de concentratiekampen in de tweede wereldoorlog hebben afschuwelijke dingen te zien gegeven van mensen die met elkaar vechten, elkaar verraden en de dood injagen om een hap eten te bemachtigen. Zo reageren mensen om hun eigen hachje te redden.
De satan weet dat. Hij weet dat een naar eten schreeuwende maag een geweldige invalspoort vormt om mensen in conflict te brengen met God. Hij weet dat mensen alles wel willen doen en overal wel voor te krijgen zijn, als ze daardoor van hun honger af kunnen komen. Daarom opent hij zijn aanval op Jezus juist op dit punt, op de zwakke plek die Jezus kwetsbaar maakt.

Aan de ketting van de consequentie
De manier waarop de satan dat doet, vraagt onze aandacht. Hij zegt tot Jezus: indien Ge de Zoon van God zijt, zeg dan tot deze stenen dat ze broden worden. De satan provoceert. Hij daagt uit, zoals hij dat vandaag nog steeds doet. U herkent deze manier van spreken toch? Als God bestaat, moet Hij dat maar eens bewijzen door een eind te maken aan de ellende, de honger en het zinloze bloedvergieten in de wereld. Als God liefde is, moet Hij eindelijk maar eens ingrijpen en een eind maken aan zoveel mateloos lijden en pijn in ziekenhuizen en psychiatrische inrichtingen. Als God een Vader is, laat Hij zich dan ook zo gedragen. Hoe kan Hij dan toelaten dat mijn huwelijk is stuk gelopen, dat mijn hele leven ontwricht is en dat mijn man of vrouw of kind me ontnomen wordt? Hoe kan Hij me de keel dan zo dichtknijpen? Als Ge de Zoon van God zijt, toon dat dan. Maak dan brood uit deze stenen. Ziet u wel dat dit dezelfde benadering is? God wordt zo aan de ketting van de consequenties gelegd. Dat probeert de satan bij Christus ook. Op provocerende wijze probeert hij Hem te onderwerpen aan de consequenties van het feit dat Hij Gods Zoon is. Hij wil Christus' reacties reduceren tot een wetmatigheid en ze voorspelbaar maken door een ijzeren logica. Hij wil er een rekensom van maken: uit het Zoon van God zijn volgt dat dit of dat wel of niet gebeuren moet.
Dat was ook de manier waarop de vrienden van Job tot hem spraken: uit God volgt dat jij een groot zondaar moet zijn, want God zegent de rechtvaardige maar wederstaat de hoogmoedige. Zo was God, ondanks hun mooie en dure woorden over Hem, voor hen niet meer dan een factor in een rekensom. Dat neemt God hen terdege kwalijk. Aan het slot van het boek moet Job voor zijn vrienden bidden.
Alleen Jobs voorbede redt hun leven. Want, zegt God, ze hebben niet recht van Mij gesproken. Wie God of Gods Zoon ziet als een berekenbare en dus manipuleerbare grootheid, zit er faliekant naast. Dat gold ook van de satan toen Hij Christus verzocht.

Erkenning
Er zit trouwens nog een addertje onder het gras van deze benadering. Jezus is nog maar net door Johannes de Doper gedoopt in de Jordaan. Dat is nog maar anderhalve maand geleden. Voor de mensen die om Johannes heen dromden en zich ook lieten dopen, was Jezus gewoon een van hen, een van de velen die met een verslagen hart bij Johannes kwamen, hun zonden beleden en gedoopt werden. Niets wees erop dat Hij anders was. Dat was nergens aan te zien. Maar dan, als Jezus uit het water komt, klinkt een stem uit de hemelen: deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welgevallen heb. Waar de mensen alleen maar een mens zagen, maakte God Hem bekend als zijn Zoon Daar haakt de satan op in. Wat op dat moment nog door geen mens tot Jezus gezegd was, wordt door de satan erkend. Ik heb er geen moeite mee U als Zoon van God te erkennen, zegt hij, maar dan moet U natuurlijk Uzelf wel als zodanig waarmaken en uw goddelijke macht gebruiken om aan uw honger een eind te maken. Erkend worden als Zoon van God was iets waar Jezus blij mee kon zijn.
Denkt u maar aan het moment waarop Petrus, mede namens de andere discipelen, beleed: u bent de Christus, de Zoon van de levende God (Matth. 16:16). Dat deed Jezus goed. Trouwens, we weten allemaal hoe belangrijk het voor iemand is erkenning te vinden. Die erkenning wordt Jezus door de satan aangeboden: U bent de Zoon van God. Nou dan! Dan kunt U toch geen honger blijven lijden? Maak dan brood van deze stenen hier.

Hulpmotor?
Jezus reageert op deze suggestie met een citaat uit het Oude Testament: niet alleen van brood zal de mens leven.
Let wel: de mens. De satan appelleert op het feit dat Jezus Gods Zoon is. Juist daarin ligt voor Jezus de verzoeking. Want Hij moet zijn taak niet volbrengen uit kracht van zijn godheid maar als mens.
Het is goed daaraan iets meer aandacht te geven. Er wordt vaak gedacht dat Jezus op allerlei momenten in zijn leven, in moeilijke situaties bijvoorbeeld of als Hij wonderen deed, zijn goddelijkheid even inschakelde om bepaalde dingen tot stand te brengen. Maar zo was het niet. Om dat te verduidelijken een voorbeeld. Stel u hebt een rijwiel met hulpmotor.
Daarmee wilt u een fietstocht maken, maar u bent niet van plan de motor te gebruiken. U wilt de tocht namelijk op eigen kracht maken. Dat gaat ook voortreffelijk, totdat u in een wel erg heuvelachtig terrein belandt. Daar wordt u erg moe van de soms wel heel steile hellingen. En dan denkt u: weet je wat? Alleen tegen de hellingen op schakel ik de motor in. Dat ding zit er tenslotte niet voor niets op. Veel mensen denken dat Christus op een dergelijke manier tewerk ging. Als het voor Hem als mens te moeilijk en te zwaar werd, maakte Hij even gebruik van de hulpmotor van zijn goddelijkheid.
Maar dat is niet juist. Jezus was wel de Zoon van God en bleef dat ook. Maar zijn opdracht heeft Hij vervuld als mens. Dat kon ook niet anders. Hij moest immers als laatste Adam goedmaken wat de eerste in het honderd geschopt had. Dat moest Hij juist als mens doen. Paulus schrijft in Filippenzen 2 dan ook dat Christus zichzelf ontledigd heeft. Hij heeft zijn godheid opzij gezet en er geen gebruik van gemaakt. Als mens Jezus zegt dan ook tot de satan: Ik ben Gods Zoon. Dat is waar. Maar ik moet hier als mens doorheen. Ik moet mijn loop volbrengen als mens, zonder gebruik te maken van mijn God-zijn.
Als Zoon des mensen moet Ik alle gerechtigheid vervullen. Wanneer Ik daarbij gebruik zou maken van mijn goddelijkheid, zou Ik mislukken in de uitvoering van mijn opdracht. Als mens, in de gestalte van een slaaf, moet Ik mijn taak volbrengen in gehoorzaamheid en onderworpenheid. En voor een mens geldt dat hij niet alleen bij brood zal leven. Zijn ware leven ligt in de afhankelijkheid van God en in de gehoorzame betrokkenheid op zijn Woord.
De satan gebruikt de honger van Jezus als een invalspoort. Hij appelleert daarbij op Jezus' behoefte aan erkenning.
En de verzoeking voor Jezus ligt in de suggestie, dat het probleem van de honger zomaar opgelost kon worden, heel simpel, door gebruik te maken van zijn goddelijke macht. Als Hij dat gedaan had, zou Hij direct aan het begin van zijn publieke optreden in dezelfde zonde gevallen zijn als de eerste Adam. Die nam er geen genoegen mee mens te zijn. Hij wilde als God zijn. Als Jezus op de suggestie van de satan was ingegaan, zou ook Hij een greep gedaan hebben naar zijn goddelijkheid.
Maar gelukkig heeft Jezus het Gode gelijk zijn niet als een roof geacht (Fil.
2:7). Hij heeft dat niet naar zich toegegrist, maar hield de satan voor: Ik ben hier als mens. Als mens heb Ik mijn opdracht te vervullen. Daarom geldt ook voor Mij de regel die God voor de mens gesteld heeft: hij zal niet alleen van brood leven, maar van alle woord dat uit Gods mond uitgaat. Dat is een citaat uit Deut. 8:3. Daar wordt het gezegd ter herinnering aan het manna in de woestijn. Het normale levensonderhoud was toen voor Israël niet beschikbaar, want er kon immers geen graan verbouwd worden. De gebruikelijke levensmiddelen ontbraken. En volgens het gangbare gedachtepatroon kan zoiets alleen maar leiden tot de hongerdood. Maar toen liet God zien dat normaal brood niet het enige middel is om een mens in leven te houden, maar dat Hij dat door zijn spreken, door zijn machtswoord, ook op een andere manier kan doen. Aan dat bijbelwoord grijpt Christus zich vast. Daarmee zegt Hij tot de satan: het gewone brood is hier wel weggevallen, maar als Ik daardoor in paniek raak en zelf naar mijn goddelijkheid grijp, omdat Ik bang ben dat het anders helemaal fout loopt, ben Ik mijn afhankelijkheid van God en van zijn spreken kwijtgeraakt. Dan ben Ik in feite op zijn stoel gaan zitten. Maar afhankelijk willen zijn van God en van zijn levengevende woord is nu juist voor de mens de enige levensvoorwaarde.

Op Gods stoel
Christus raakt hier een heel wezenlijk punt. Vaak zit het juist hier fout. Volstrekt afhankelijk willen zijn van God en van zijn spreken is voor een mens een van de zwaarste opgaven. Dat geldt ten aanzien van heel ons leven in al zijn aspecten. Wanneer brood en andere middelen van bestaan schaars worden, raken we in paniek. Dan proberen we op alle mogelijke manieren ons leven veilig te stellen. Wat in die paniek naar boven en naar buiten komt, is een houding, een instelling, die Jezus in Matth. 6 typeert als heidens. Het is het volkomen geabsorbeerd worden door de gedachte: wat zullen we morgen eten en drinken en waarmee zullen we ons kleden? Daarbij gaat men helemaal uit van de overtuiging: als we zélf onze maatregelen niet treffen en zo ons leven niet veilig stelen, loopt het morgen fout. Deze gedachte dat wijzelf ons leven veilig moeten en kunnen stellen, komt overigens niet alleen voort uit angst en paniek maar ook uit hoogmoed, alsof wij op Gods stoel zouden zitten.
Deze instelling speelt ons niet alleen parten met betrekking tot ons dagelijkse levensonderhoud maar ook met betrekking tot het voortbestaan van de kerk. Ook daar spelen de angst dat God het erbij laat zitten en de neiging om de touwtjes van God over te nemen, steeds weer een rol. Dan gedragen we ons alsof het voortbestaan van de kerk afhangt van onze inspanningen, van ons enthousiasme, van onze maatregelen en van onze organisatiestructuren.
De angst dat we aan het Woord van God niet genoeg hebben en met dat Woord op de koffie komen en de mist ingaan, is heel diep geworteld. En we beginnen verwoed allerlei dingen op poten te zetten en zekeringen en veiligheidsgordels aan te brengen. En als we al die zekeringen hebben aangebracht, halen we opgelucht adem en zeggen we: nu kunnen we de toekomst met vertrouwen tegemoet zien. Nu kunnen we tegen een stootje en kan ons niets gebeuren. Maar zo hebben we onze afhankelijkheid van de HERE verspeeld en gedragen we ons alsof wij God zijn. Tot die instelling probeert de satan Jezus te verleiden. Hij probeert Hem zover te krijgen, dat Hij zijn afhankelijkheid van God prijsgeeft en met behulp van zijn goddelijkheid als mens voor God gaat spelen. Toe dan, zegt hij. Neem uw maatregelen. Als U het nu niet doet, gaat het fout. Wacht niet langer. Help Uzelf.

Maar Jezus zegt: Neen, als mens moet Ik afhankelijk blijven, Me zonder reserves aan God toevertrouwen en het van zijn Woord alleen verwachten. Zo bleef de laatste Adam als mens overeind waar de eerste Adam bezweek. Die afhankelijkheid wordt vandaag ook nog van ons verwacht, zowel op het persoonlijke als op het kerkelijke vlak.
Ook voor ons geldt: we kunnen alleen maar leven in steile afhankelijkheid van God en Christus. Laten we ophouden met zelf de touwtjes in handen te nemen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief