Over onherstelbaar leed

1993-09-24
  • Jaargang 37
  • nummer 20
De genezingswonderen van de Here Jezus kunnen agressie en zelfs cynisme oproepen bij ongeneeslijk zieken en blijvend invaliden: "Mooie verhalen, maar wat heb ik er aan in mijn rolstoel?" De hoofdstukken 8 en 9 van het Matteüsevangelie zitten vol wonderen. Jezus geneest een melaatse, de verlamde slaaf van de hoofdman, Petrus' schoonmoeder, veel bezetenen, twee bezetenen in Gadara, de verlamde die door het dak wordt neergelaten, en tenslotte op één dag een bloedvloeiende vrouw, het dochtertje van Jaïrus (uit de dood teruggeroepen!), twee blinden en last not least een dove bezetene. Wat moeten we er mee bij de jonge vrouw die een dwarslaesie opliep en haar leven lang tot de rolstoel veroordeeld is?

Deze vragen dringen nog meer, als we er op letten dat Jezus in 9 vers 15 (Kunnen de bruidsjonkers vasten als de bruidegom bij hen is?) de enorme pretentie voert, dat het in zijn nabijheid altijd feest wordt, zodat waar Hij komt niemand ooit hoeft te vasten of rouw te bedrijven. ,,0 ja?" vraagt satan? En hij gooit er een stervend meisje tussen van 12 jaar en zegt: "Maak dat dan eens waar Jezus? Kijk eens, wat een verdriet!" Als Jezus onderweg gaat naar Jaïrus' huis, verzwaart satan de proef door er een hardnekkig geval tussen te schuiven: een vrouw die al twaalf jaar aan vloeiingen leed. Tegelijk zorgt het oponthoud voor verzwaring van de proef, want het meisje sterft. Waarom zou Jaïrus de Meester nog lastig vallen?
Jezus hoort het. Hij keert zich tot Jaïrus en zegt: "Niet bang zijn! Alleen geloven!" Het wonderbaarlijke is dat Jaïrus niet huilend wegloopt, maar bij Jezus blijft, omdat Jezus bij hem blijft, op weg naar zijn dochtertje, die immers geholpen moet worden. Daardoor wordt zijn vraag om genezing van zijn stervend dochtertje, nu een vraag om opwekking van zijn dode dochtertje (zie de lezing van Matteüs). Ongelooflijk dat Jezus (hoe machtig is Hij!) het geloof oproept, dat Hij dat kan. Nog ongelooflijker, dat Hij dan ook nog zo vriendelijk is, dat geloof 'uw geloof' te noemen, alsof Jaïrus en de bloedvloeiende vrouw hun geloof zelf hadden opgebracht (9,22). Intussen vervolgt Jezus zijn weg naar het dode meisje. Hij doet dat zonder sirenes en zwaailichten. De dood is voor Hem geen emergency. In de sterfkamer aangekomen, doorbreekt Hij eenvoudig de slaapwand tussen Zich en de dood door een woord: Talitha koem! En vanaf die dag - merkt Van Bruggen fijnzinnig op - speelde er in de straatjes van Kapernaüm een meisje dat dood geweest was en weer leefde. En niemand van ons vermoedt in ernst dat Jaïrus en zijn vrouw toen zijn gaan vasten. Ze hebben een goede kruik opengebroken en feest gemaakt. Net als de vrouw die onderweg genezen was. Waar Jezus komt wordt het feest. Waar Hij kwam is nergens en nooit een zieke ziek gebleven (die tot Hem kwam om hulp) of een dode dood. Maar de satan geeft zich zo maar niet gewonnen. Straks lopen twee blinden achter Jezus aan te schreeuwen: "Zoon van David heb medelijden met ons!" En dan is daar weer de uitdaging: "Maak eens waar dat u het feest brengt?" Het wordt een schokkend verhaal, omdat Jezus Zich niets van de blindemannen aantrekt en verdwijnt achter een dichte deur. Intussen roept Hij bij hen een taai geloof op, dat zich niet zo maar laat afwijzen. De blinden worden zo brutaal in het geloof dat ze achter Jezus aan dat huis binnenstappen.
Dan voelen ze de hand die hen geneest op hun ogen en hun geschiedt naar hun geloof: ze zien. De conclusie wordt eentonig: Denk maar niet dat die twee kerels toen zijn gaan vasten en rouwen. Ze hebben een enorm feest gebouwd. Waar Jezus komt, wordt alles feest. Het laatste verhaal doet de deur dicht, want een doofstomme bezetene is een menselijk wrak. Toen ik eens zo'n stakker zag, keerde alles in me zich om. Die arme mens verging van angst en ging te keer als een krankzinnige.
Wie zal zeggen hoeveel hersencellen de demon kapot gemaakt had? Een hulpverlener zei: "We hebben voor zoéén maar één remedie: Dumpen die zaak!" En dan komen de tranquilizers! De arme stakker die tot Jezus kwam, kon niet geloven. Maar zijn familieleden konden het: "Jezus kan hem genezen! En Hij wil het ook!" Nog één keer op die dag maakte Jezus zijn preek waar: Waar Ik kom wordt het feest! Geloof maar dat de genezen man en zijn familie ervan genoten hebben!

Nogmaals: wat moeten wij met het feit dat Jezus het wel kan maar soms niet doet? Wat doen we met onherstelbaar leed?
Er ligt een simpel (stukje van een) antwoord in wat Jezus zegt: Bruiloftskinderen kunnen niet vasten terwijl de Bruidegom bij hen is. Maar er komt een tijd dat de Bruidegom van hen weggenomen wordt (9,15). Dan zul/en ze vasten, omdat hun situatie (soms!) meer dan ellendig wordt. De Here Jezus is niet meer bij ons. Was Hij dat wel, dan zouden duivel, ziekte, natuurramp en dood wel anders piepen. Dat is een stukje diepteverklaring van het lijden dat overgebleven is. Tot onze beschaming moeten we intussen erkennen, dat we soms net als die bloedvloeiende vrouw, een stukje genezing van Jezus willen pakken zonder persoonlijke ontmoeting met Hem. Zij had daarvoor haar redenen. Was het schaamte om ten overstaan van al die mannen met haar kwaal voor de dag te komen? Maar meer nog de angst voor de heftige reactie van de orthodoxen die haar zouden wegscheIden omdat ze onrein was, Lev. 15. Onze motieven zijn allicht materialistischer: Ww zouden de geschenken van Jezus willen, terwijl Hij zelf nog niet bij ons is. Wat hebben we een moeite met onze vreemdelingschap in onze fantastische wereld.
Zou het niet zo zijn dat de Heer leed dat onherstelbaar is (en daar krijgen we wat van!) gebruikt om de Bruidsgemeente het diepe verlangen bij te brengen naar de Bruidegom? (Opb. 22,17). Professor Veen hof vertelde ons op college het verhaaltje van een Engels meisje op zondagsschool. De juf had verteld van de opwekking van het dochtertje van Jaïrus. Het meisje stak haar vinger op en vroeg: "Juf, zal de Heer ook mijn zusje beter maken? Ze is heel erg ziek". De juf wist niets anders te antwoorden dan: "Natuurlijk, de Heer is machtig. Als we bidden zal Hij je zusje beter maken". Maar het zusje stierf. Toen werd het tere geloof van het meisje de grond in geboord. Ze is één van de leidende figuren geworden in het Engelse communisme. Ze zei: "De kerk liegt". Had die juf nu maar gezegd: "De Here Jezus heeft laten zien dat Hij het kon.
Nu weten wij hoe we Hem verwachten mogen".

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief