Gaven getest?

1993-09-24
  • Jaargang 37
  • nummer 20
'Ontdek uw gaven' - dat is sinds een aantal jaren de benadering waarmee onder meer de Evangelische Alliantie kerken, groepen en individuele christenen stimuleert. De bedoeling ervan is, dat we meer oog zullen krijgen voor de charismata, de geestelijke gaven die de Here aan zijn gemeente schenkt. We kunnen dit inderdaad een stimulans noemen voor de gemeente van Christus. Teveel zijn de kerken gefixeerd op de ambten van predikant, ouderling en diaken, alsof die alles zouden moeten doen en vooral: alsof die ambten alles zijn wat Christus aan de gemeente geeft. Terwijl de Bijbel leert, dat Christus vanuit de hemel een rijkdom aan gaven uitdeelt aan de leden, die zijn lichaam vormen. Het is verademend, als er meer oog komt voor deze rijkdom, die we in Christus hebben. En de gemeente zal er veel baat bij hebben, als ze niet denkt vanuit de functies (hebben we alle vacatures vervuld?), maar vanuit de gaven (doen we iets met de rijkdom, die Christus geeft?).

Maar het valt me op, dat deze waardevolle inbreng de laatste jaren begint te stollen tot een leer, waarin vooral het werk van Chr. A. Schwarz centraal staat. Het werk van hem en zijn 'Ökumenisches Gemeinde-Institut' wordt gepresenteerd als een nuchtere en niet dogmatische hulp bij gemeenteopbouw voor gemeenten van allerlel signatuur. De nadruk ligt op efficiëntie, zakelijkheid en meetbaar resultaat. Na publikaties over gemeente-opbouwen -groei verscheen dit jaar van de hand van Schwarz 'De Gaventest' , een boek over '30 geestelijke gaven: beschrijvingen, tips, tests'. Bij gelegenheid van de presentatie van deze uitgave heeft de Evangelische Alllantie aan Schwarz de eerste 'Gemeentegroei Helix' toegekend. De in het Engels gestelde 'Proclamation' zegt erover: "The Evangelical Alliance of the Netherlands have instituted 'The Church-Growth Helix' as an award of excellence for accomplishments in the field of Church-Growth". Ik ga er maar van uit dat dit een geintje was, want als de E.A. deze prijs toekent aan Chr. A. Schwarz, dan doet dat mij denken aan leem, dat de pottenbakker een prijs toekent. Het wachten is dan alleen nog op een groot warenhuis, dat voortaan als sponsor van de prijs wil optreden.

De gaventest
Het boek 'De gaventest', mooi uitgegeven door Gideon, valt uiteen in 5 delen. Na algemene informatie over geestelijke gaven volgt het hoofdstuk over 'Hoe u uw gaven kunt ontdekken'. Na een deel over het omgaan met je gaven volgt een uitvoerige beschrijving van de 30 geestelijke gaven. Vragen uit de praktijk sluiten het boek af.
De hoofdlijn van het boek is: "God roept u niet voor een taak waarvoor Hij u geen gaven heeft gegeven". Elders heeft Schwarz dit uitgewerkt in de inmiddels bekende fabel van' de dieren, die een school gingen oprichten met een leerplan waar lopen! vliegen en zwemmen in voorkwamen. En niemand kwam er goed uit: de vis kon niet lopen of vliegen, het konijn probeerde te vliegen en kon toen niet meer lopen, enz. Gaat het zo niet vaak onder christenen? Ze halen de een na de andere blessure en frustratie op hun hals, door dingen te willen doen waarvoor God hun de gaven niet gaf.' Dat is de reden, waarom je eerst je gaven moet ontdekken, voordat je aan de gang gaat met wat je als je roeping opvat. Dit werkt 'ontkrampend' voor de leden van de gemeente en het werkt positief uit op de gemeentegroei. Mooi vind ik, dat Schwarz in zijn inleidend hoofdstuk opmerkt, dat we niet zo gefixeerd moeten zijn op de 'gavenlijsten', die we in de Bijbel tegenkomen (Romeinen 12, 1 Corinthe 12 en Efeze 4). "Niet in elke gemeente hoeven alle gaven aanwezig te zijn - maar elke gemeente moet proberen de gaven die er zijn in hun situatie zo te gebruiken, dat ze op de meest effectieve manier de opbouw van een levende gemeente dienen" (pag. 17). Ik denk dat Schwarz de eerste zal zijn om te erkennen, dat ook zijn lijst van 30 gaven niet als een soort nieuwe richtlijn moet dienen. God kan andere gaven geven en Hij hoeft niet juist deze gaven te geven.

Met plezier iets doen
Maar hoe vind je dan, volgens Schwarz, de gaven die je hebt? Daar gaat het tweede deel over. Dat moet allereerst gepaard gaan met gebed. En dan komt wat blijkens het boek als geheel toch de meest doorslaggevende test is: "Ga na wat u fijn vindt".
Ten onrechte denken mensen vaak dat iets pas echt dienst aan God is, als je eronder gebukt gaat. Maar, zegt Schwarz, "ik denk dat Hij ons heel goed kent en weet dat, als we iets met plezier doen, we het veel beter doen. (...) Als u dus uw geestelijke gave wilt ontdekken, vraagt u zich dan af: waar heb ik plezier in; wat doe ik graag; wat vind ik fijn?" (pag. 26). Dit betekent niet dat je alleen doet waar je zin in hebt, maar het moet je wel liggen. Toegegeven, daar sta je wel even met je ogen bij te knipperen. Het sterke eraan vind ik, dat Schwarz hiermee iets doorprikt wat inderdaad een mythe is: dat je gebukt zou moeten gaan onder je roeping, wil het echt zijn. Ik vond het ook altijd vreemd als er, wanneer ambtsdragers afscheid nemen, alleen maar gesproken wordt over de last en de moeite en de zorgen die men gedragen heeft. Als het goed is valt er toch méér te zeggen? De brief aan de Hebreeën zegt in elk geval: laten de voorgangers hun werk met vreugde kunnen doen, en niet al zuchtende. Op zichzelf is dit dus een mooie invalshoek. Wat mij betreft trouwens nog eerder om daarmee te stimuleren tot dankbaarheid voor de ontvangen gaven dan omdat je op deze manier efficiënter zou werken. Maar waar ik bepaald bezwaar tegen heb, dat is dat deze verhelderende gedachte in de praktijk van het boek tot een alles beheersend principe wordt. Dat blijkt uit de test met 180 vragen, die verder volgt. Dat gaat als volgt. Je moet bijvoorbeeld invullen: ik geniet er veel!
weinig van om mensen met wie ik niet bevriend ben in tijden van crisis bij te staan. Even verderop staat: Ik zou graag/niet graag ook buiten mijn vriendenkring mensen in nood persoonlijk willen bijstaan, om ze te begeleiden en helpen. En je moet ook invullen' of je kunt zeggen: Als mensen mij van hun problemen vertellen, toon ik meer medeleven dan anderen. Een en ander wordt dan gecontroleerd door iemand anders te laten vertellen of hij deze eigenschap bij de persoon in kwestie herkent. Als dat positief uitvalt, dan geeft de test als resultaat: u hebt de gave van de zielzorg. Als het resultaat dubieus is, dan heb je de latente gave van zielzorg.

De pendel door geslagen
In alle nuchterheid: dit is een betrekkelijk eenvoudige vorm van psychologische test, die als resultaat geeft wat iemand graag wil en wat anderen in 'm zien. Maar test je daar nu iemands gaven mee of laat je iemand alleen nadenken over z'n eigenste zelf? Met andere woorden: zijn je geestelijke gaven nu echt de optelsom van wat je zelf fijn vindt en wat anderen in je zien? Ik geloof er niets van. Als gezegd: ik vind het best zinvol om er eens op te wijzen, dat iets heus niet pas het werk Gods is wanneer het je pijn en moeite kost. Maar hier is de pendel naar de andere kant door geslagen.
Hoeveel knechten van God hebben er niet dingen moeten doen waar ze niks voor voelden, en toch zijn ze gezegend. Denk aan Mozes, die de gave van het spreken niet had; aan Gideon die geen dappere held was van zichzelf; aan Jeremia die klaagde over zijn roeping, en aan zoveel anderen.
Schwarz bespreekt deze tegenwerping wel, pag. 135. Maar, zegt hij, "die zijn, volgens mij, meer uitzonderingen dan regel. Als wij leidraden voor ons geestelijk leven ontwikkelen, moeten wij ons richten op de regel en niet op de uitzonderingen". Dit is een erg willekeurige keuze. Paulus wist heel goed wat hij het beste kon en wat niet. "Want zijn brieven, zegt men, zijn wel gewichtig en krachtig, maar zijn persoonlijke verschijning is zwak en zijn spreken betekent niets" (2 Cor. 10:10). Als hij zich daardoor had laten leiden, dan had hij nooit op de Areopagus gesproken. God heeft hem willen gebruiken, ook als spreker in het openbaar, en zijn zwakke persoonlijke verschijning is juist tot zegen geweest.
Laat ik het persoonlijk toepassen: er zijn delen van mijn taak als predikant, die ik graag vervul en die me goed af gaan. Er zijn ook taken die me absoluut niet liggen en waar ik mezelf toe moet zetten omdat ik weet dat ik ertoe geroepen ben. Het sterkt me dan als ik merk, dat de Here mij daar toch in wil gebruiken en tot zegen stellen. Maar toch zou ik vooralsnog niet invullen 'ik geniet er erg van', hoewel ik voor een van die taken wel gemerkt heb dat ik er een gave voor ontving. Tenslotte zijn er ook taken die bij mijn roeping horen, maar die me niet liggen en waarin ik ook weinig bereik. In dat laatste geval kan ik inderdaad beter zoeken of er een ander is, die deze taken kan vervullen.
Maar ik wil hiermee zeggen: het is een kwestie van evenwicht. Je kunt niet praten en denken over de gaven die je zou hebben, los van de roeping waarmee je geroepen bent. En een gemeente zou niet alleen een gaventest moeten doen, maar vooral de opgaventest niet vergeten: welke opgaven geeft de Here ons in onze situatie als gemeente? Daarbij spelen de aanwezige gaven wel een rol, maar de Here kan ook gaven schenken die we nog nooit bespeurd hadden. Zelfs gaven die in de lijst van Schwarz niet voorkomen. Met die lijst is het trouwens toch een merkwaardige kwestie. Op pag. 100 wordt de gave van het martelaarschap beschreven: "een bijzondere bekwaamheid, die God aan sommige leden van het Lichaam van Christus geeft, waardoor ze in staat zijn om lijden en zelfs de dood terwille van het geloof te ondergaan, op zo'n blijde en zegevierende manier, dat God daardoor eer krijgt". Onder het kopje 'Tips om deze gaven te ontwikkelen' vinden we dan het advies: "Ga bewust op die situaties af die andere christenen als gevaarlijk beschouwen". Dit is echt te gek voor woorden. Het is waar, dat God christenen kan roepen om in een bepaalde situatie een martelaar voor het evangelie te worden. En het is ook waar, dat christenen die dit overkwam, hierover vaak als een gave en een eer gesproken hebben. Maar ze ontwikkelden deze gave niet door bewust op gevaarlijke situaties af te gaan! Integendeel, martelaren lieten in hun getuigenis juist vaak optekenen, dat ze deze eer onder geen beding zelf gezocht hadden. Terecht, want een zelf gezocht martelaarschap is psychisch al een hele vreemde zaak en voor de eer van God is het zeker geen bijdrage.

Een groot risico
Eerlijkheidshalve wil ik erbij zeggen, dat de pagina over het martelaarschap beslist niet typerend is voor de andere beschrijvingen. Er zitten heel nuchtere, zinvolle beschrijvingen tussen van gaven die Christus geeft. En toch heb ik met de benadering als geheel grote moeite. Ik heb mezelf kritisch afgevraagd hoe dat komt. Ben ik misschien teveel op kerktaal gesteld, zodat ik afhaak bij de zakelijke aanpak? Dat kan een rol spelen, hoewel ik me dat niet bewust ben.
Toch speelt er ook iets anders mee. Ik vind dat de gaven zo koel behandeld worden als positieve eigenschappen van mensen, die zo efficiënt mogelijk ingezet kunnen worden bij de gemeenteopbouw. De geestelijke gaven zijn echter méér. Ze zijn bovenal geschenken van Christus, die ons er blijken van zijn liefde in geeft. Paulus duidt ze dan ook kortweg aan als 'genade': "aan een ieder onzer afzonderlijk is de genade gegeven, naar de mate, waarin Christus haar schenkt" (Efeze 4:7). Midden in het echte leven, in de omgang met God en de mensen, moger'1we deze gaven dan ook opmerken. In verwondering over de koninklijke maat, waarin Christus vanuit de hemel gaven uitdeelt. Soms liggen die gaven in het verlengde van onze natuurlijke aanleg, soms juist niet. De tollenaar Mattheüs had voor zijn bekering al een grote kennis van de Griekse taal en hij wist wat schrijven was. Wat een gave van God, dat hij deze gaven nu in dienst van de Heer kon gebruiken om het evangelie te schrijven. Petrus daarentegen had de gaven van een leidersfiguur, maar het is de Here zelf geweest die hem dienen, lijden en navolging geleerd heeft. Zo werd het hem gegeven om juist over nederigheid en lijden onderwijs te geven, wat bepaald een Godswonder is.
Hoe dan ook: nèrgens vinden we in de Bijbel, dat mensen opgewekt worden om eerst hun gaven te onderzoeken, om op grond daarvan een takenpakket uit te zoeken. We vinden integendeel, dat mensen opgeroepen worden om te leven overeenkomstig hun roeping en daarbij de gemeente van Christus te dienen. In die dienst zullen ze dan, soms met verwondering, opmerken welke gaven van hoofd en hart de Here hun daarvoor geeft. Uiteindelijk zitten mijn bedenkingen hierin: ik vind het juist in onze tijd een groot risico om meer over de gaven dan over de Gever te spreken. We hebben toch al de neiging om meer te 'werken aan onszelf' dan anderen te dienen. Het lijkt me dan niet zo wijs om mensen met een puntenscore te laten zoeken naar de gaven die ze hebben. Veel mooier is het, als mensen zo vervuld zijn van de genade van Christus, dat ze het niet kunnen laten om daar iets mee te doen. In de praktijk beleef je dan de wisselwerking tussen gaven en opgaven, waarin de Here verrassingen kan laten zien, die geen tests of tips voor mogelijk hadden gehouden.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief