Inleiding: 'Organiseren, hoe?'

1993-09-24
  • Jaargang 37
  • nummer 20
Wat ons als iets nieuws wordt gepresenteerd, is niet altijd nieuw. Dikwijls blijkt, dat onder de nieuwe naam een oude zaak schuil gaat. Zo had de generatie van mijn moeder een gootsteen en een gaskomfoor en heeft die van mijn dochter een spoelcentrum en een kookcentrum. Aan de doelgerichte activiteit veranderde niets: het was en bleef afwassen en koken. Of, om het eens met een variant op een bijbels beeld te zeggen: de zakken zijn nieuw, maar de wijn is oud.
Dat is zo slecht nog niet. Nieuwe zakken zijn goed en oude wijn is goed. Waar het om gaat is, dat de wijn behouden blijft.

Met het begrip 'gemeenteopbouw' is er, dunkt me, iets dergelijks aan de hand: een nieuw woord voor een oude zaak. De opbouw van de gemeente als doelstelling, vinden we reeds verwoord in de nieuwtestamentische brieven. Aan de gemeente te Efeze schrijft de apostel, dat de gemeente zichzelf opbouwt in liefde.
Hoe? Naar de kracht die elk lid op zijn wijze oefent. Hoe verder? Als een welsluitend geheel, bijeengehouden door de dienst van al haar geledingen. Hoe dat mogelijk is? Door Christus, haar hoofd. Zo lang de christelijke kerk bestaat, heeft zij aan 'gemeenteopbouw' gedaan. De groei van het lichaam, daar gaat het om. (Ef. 4,16).

Nu moeten we, als we nadenken over 'gemeenteopbouw', wel weten wat we bedoelen als we 'gemeente' zeggen.
Het is niet onmogelijk en zelfs aantrekkelijk, het begrip te laten uitdijen tot alles wat met het geestelijk leven van Gods kinderen te maken heeft. Als vader en moeder, samen met hun kinderen, na de maaltijd de bijbel lezen, kun je dat 'gemeenteopbouw' noemen. En terecht. We zullen nog zien, hoe essentieel het is voor de groei van de gemeente, dat zij haar leden bereikt in hun huizen. Want de kerk bestaat uit geslachten, en zij bestaat voort bij de gratie van de doopvont. "Voor u is het heil", zegt Petrus in zijn grote rede, "en voor uw kinderen". De gemeente die haar leden in hun huizen bereikt, bouwt niet een ander, maar zichzelf. Maar het is dan toch de kerk, de gemeente als zodanig, die bouwt en gebouwd wordt.

Als wij over 'gemeenteopbouw' spreken, kiezen we voor ons onderwerp ons uitgangspunt in de gemeente, zoals die op een bepaalde plaats in de tijd vergaderd wordt en samenkomt onder de regering van haar eigen oudsten. Ik kies expres het woord 'regering', omdat 'regeren' naar Gods Woord hetzelfde is als 'dienen'. Die regering door de eigen ambtsdragers is niet iets dat wijzelf uitgevonden hebben en vervolgens kerkordelijk vastgelegd. Die maakt deel uit van ons belijden, d.w.z. we lazen die uit Gods Woord (Ned. Gel. Bel. art. 30 tlm 32). Gemeenteopbouw veronderstelt communicatie.Communicatie tussen de ambtsdragers van de gemeente en haar leden en binnen de gemeenschapsbeoefening van alle leden met elkaar.

Nu is het mijn taak om iets te zeggen over de vraag, hoe je door te organiseren de gemeenteopbouwactiviteiten kunt ondersteunen. Anderen zullen het geestelijk karakter van de gemeenteopbouw en de toerusting daartoe inleiden.
Welnu, dan krijgen we te maken met de 'structuur' van de gemeente, zeg, hoe die in elkaar zit.
Het begrip 'structuur' duidt de wijze van opbouw. Het gaat dan over vragen als: "Welke zijn de verschillende geledingen", "hoe verhouden die zich tot elkaar", "hoe treden zij met elkaar in verbinding", e.d. Als we dat niet weten, weten we ook niet hoe we de gemeenteopbouwactiviteiten moeten organiseren.

Twee van zulke geledingen zijn we al tegengekomen: de kerkenraad en het huisgezin of de familie.
Een geleding is een gemeenschapsverband. 'Gemeenschap' betekent, dat we in het verband de 'personen' moeten zien. Elke echte gemeenschap bestaat uit personen, gemeenschapsverhoudingen zijn persoonlijke verhoudingen.
De verantwoordelijke persoon lost in het gemeenschapsverband niet op, maar komt daarin tot zijn recht.

Voor wat de kerkenraad betreft is het van betekenis voor ogen te houden, dat een ambtsdrager geen ambtsdrager is omdat hij lid van de kerkenraad is, maar hij is lid van de kerkenraad omdat hij ambtsdrager is. Het ambt is persoonlijk. Persoonlijk vertegenwoordigt de ambtsdrager Christus. Zoals het met de ambtsdragers gesteld is, zo met de gemeenteleden. leder gemeentelid doet en moet doen, wat een ambtsdrager in het bijzonder doet. Deelhebben aan Jezus Christus draagt een wezenlijk ambtelijk karakter. 'Het ambt aller gelovigen', noemden wij dat vroeger en u vindt het verwoord in Zd. 12 van de Heid. Catechismus: koninklijk, profetisch, priesterlijk. De wijze van opbouw moet dan ook niet alleen recht doen aan het gezag van de ambtsdragers van de kerk, maar niet minder aan de mondigheid van haar leden.

Om een aanzet te geven, heb ik een modelletje gemaakt van hoe het zou kunnen. Ik deed dat voor een grotere en voor een kleinere gemeente. De grootte van de gemeente, het zielental, is van betekenis voor de wijze van organiseren. In dit opzicht bevat de leuze: 'Small is beautiful', veel waars.
Binnen een kleinere gemeenschap bereiken mensen elkaar beter dan binnen een grotere, laat staan een massale. De massa is ongeleed. Het gaat er nu juist om, geledingen in te bouwen, die functioneren als persoonlijke omgangskringen en zo als tussenschakels in het geheel. Dergelijke geledingen noemen we 'gemeentekringen'.

Onze Nederlands Gereformeerde kerken zijn in overgrote meerderheld klein. Dat helpt. Van de 94 kerken zijn er 37 kleiner dan 200 zielen,'34 tussen de 200 en 400 zielen, 13 tussen de 400 en 600 zielen en 10 groter dan 600 zielen. Daarbij zijn de 4 kerken die samen met de plaatselijke Christelijke Gereformeerde kerk vergaderen, in die gezamenlijkheid geteld.
Een 'gemeentekring' moet gezien worden als een geleding van de gemeente, waarbinnen een beperkt aantal gemeenteleden elkaar ontmoet, met als doel gezamenlijke bijbelstudie, gezamenlijk gebed en onderlinge hulp.
In mijn voorbeeld verschijnt de gemeentekring als 'wijk'. Dat wil dus zeggen, dat het woongebied als uitgangspunt is genomen. Het kan natuurlijk ook anders, maar een indeling in wijken is duidelijk en biedt over het algemeen een goede doorsnee over de gemeente, zonder in eenzijdigheden te vervallen. Als grootte van een wijk is 20 huizen (adressen, huisgezinnen) aangenomen, wat gemiddeld overeenkomt met 60 zielen. Bij een grotere gemeente, van b.v. 480 zielen zijn er dus 8 wijken, bij een kleinere, van b.v. 180 zielen zijn het er 3.

In het schema voor een grotere gemeente heeft elke wijk een eigen 'wijkbroeder' en een eigen 'wijkzuster'. Zij worden uit het midden van de leden van de wijk, in overleg met hen, door de kerkenraad benoemd. Zij geven leiding aan het wijkwerk, zowel wat de samenkomsten als het bezoek aan de huizen betreft. Je zou ze als 'hulpouderlingen' en 'hulpdiakenen' kunnen zien. Ze zijn geen lid van de kerkenraad, maar een vergadering van de raad met de wijkbroeders en -zusters staat natuurlijk niets in de weg. Per 2 wijken is er een 'wijkouderling' en een 'wijkdiaken'. Zij zijn lid van de kerkenraad.
In een gemeente van 480 zielen bestaat de kerkenraad, naast de herder en leraar, dus uit 4 ouderlingen en 4 diakenen.
De wijkouderling en de wijkdiaken vormen nu samen met de wijkbroeder en de wijkzuster het 'wijkteam '. Dit wijkteam behartigt het contact van de kerkenraad met de betrokken gemeenteleden. Het ambtelijk huisbezoek ook diaconaal - kan op deze wijze in het wijkwerk worden geïntegreerd. De herder en leraar kan op elk niveau bij het werk worden betrokken en is daartoe van zichzelf uit ook gerechtigd.

In het model voor een kleinere gemeente is deze structuur gehandhaafd, maar nu is het praktisch goed mogelijk, dat de functies van de wijkouderlingen en -diakenen geheel of gedeeltelijk samenvallen met die van de wijkbroeders- en -zuster. Hier is per wijk aan de betrokken ambtsdrager een wijkzuster toegevoegd; gedrieën vormen zij het wijkteam. Bij een gemeente van b.v. 180zielen, bestaat de kerkenraad naast de herder en leraar uit 3 ouderlingen en 3 diakenen.
Uit de beide voorbeelden is wel duidelijk, dat bij een gemeente, kleiner dan 100zielen er organisatorisch gezien geen communicatieprobleem behoeft te bestaan.

Passen we het model toe op een gemeente van 1200 zielen, dan krijgen we een kerkenraad van 21 ambtsdragers.
Meestal zal een dergelijke gemeente twee predikanten hebben. In dat geval staat men voor de keus van één grote en vrij logge kerkenraad, of twee (deel)kerkenraden, ieder met hun eigen herder en leraar.

Voor wie creatief met het model omgaat, bestaan er veel goede mogelijkheden. De kern wordt gevormd door de gemeentekring of -wijk, samen met het wijkteam.

Noot
1. Toespraak gehouden op de Centrale Diakonale Conferentie te Spakenburg op 7 november 1992.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief