Overheid en kerkelijke huwelijksbevestiging (1)
1993-09-24
- Jaargang 37
- nummer 20
Een koerswijziging
Het is al vele jaren in Nederland aan een predikant verboden een huwelijk kerkelijk te bevestigen, dat niet eerst voor de burgerlijke stand is gesloten. Vandaar dat gewoonlijk een predikant aan het bruidspaar eerst het trouwboekje ter inzage vraagt voordat hij tot die huwelijksbevestiging overgaat.
Nu schreef ik vorig jaar in Opbouw (zie de nrs. van 25 september en 9 oktober 1992) dat dat verbod toen op de helling stond. De minister van Justitie had publiekelijk meegedeeld het verbod te willen afschaffen. In een bijeenkomst, waarin hem door de burgemeester van Beverwijk een petitie werd overhandigd, waarin gepleit werd voor opheffing van het onderscheid in verschillende 'samenlevingsvormen'. De minister achtte het verbod (toen) ook 'niet meer van deze tijd'. Het was overigens zeker niet het enige argument. Er werden er wel meer genoemd. Zo is zelfs wel betoogd, dat ook de vrijheid van godsdienst bij die afschaffing gebaat zou zijn. De vrijheid van de kerken zou dan immers alleen maar worden verruimd? Daar kun je als kerklid toch alleen maar vóór zijn? Of ligt het toch niet zo eenvoudig? Inmiddels is komen vast te staan, dat die voornemens om dat verbod af te schaffen van de baan zijn. En dat is iets, waar ik bepaald niet ongelukkig mee ben. De in dat geheel gebruikte argumenten blijven echter van direct belang. Voor de toekomstige wetgeving rondom huwelijk en 'andere leefvormen' én voor de in de kerken plaats vindende huwelijksbevestiging.
Twee verschillende taken
Een en ander hangt natuurlijk nauw samen met het antwoord op de vraag, wat m.b.t. dat huwelijk de taak is van de kerken en wat de taak is van de overheid. De visies daarop lopen sterk uiteen. Zowel bij de kerken als bij de overheden, om van de diverse politieke partijen nog maar niet te spreken. Wat de kérken betreft: voor de R.K. kerk is het huwelijk nog steeds een sacrament, voor de reformatorische kerken niet. En wat de overheid betreft zijn er ook nogal wat verschillen. Zelfs als we ons tot de westerse landen beperken. De in de wetgeving gekozen oplossingen variëren ook nogal. Een in Nederland voor de burgerlijke stand gesloten huwelijk dat niet kerkelijk is bevestigd, is (wel degelijk) een rechtsgeldig huwelijk. Een alleen in de kerk bevestigd huwelijk niet. Die dominee kan hier een huwelijk 'slechts' bevéstigen, hij kan en mag het niet sluiten. In andere landen is dat soms heel anders. Het is mogelijk dat een predikant of pastoor daar wel de bevoegdheid heeft een huwelijk te sluiten. Met alle daaraan door de wet verbonden rechtsgevolgen. Soms heeft of had zelfs alleen een geestelijke de bevoegdheid om een huwelijk te sluiten. Bekend is dat protestanten in landen, waarin de rooms-katholieke kerk domineert, daardoor soms in grote problemen terecht kwamen. Doordat ze dan voor de keus stonden om of ongehuwd te gaan samenwonen of zich toch te voegen onder het regiem van de r.k. kerk. Een voor een protestants christen niet zo aantrekkelijk dilemma.
Een plurale samenleving
Nu zijn er in Nederland niet alleen protestanten en rooms-katholieken. De secularisatie versloeg zijn duizenden en het aantal kerken en secten breidde zich alsmaar uit. De samenstelling van de bevolking veranderde ook in ander opzicht. De gevarieerdheid nam eveneens toe door de import van vele groepen buitenlanders, die vaak hun eigen godsdienstige of religieuze overtuiging meebrachten. Het leidde mevr. A.C.M. van der Hoeven - vroeger de echtgenote van de bekende en thans overleden schrijver Simon Vestdijkin 1991 in haar proefschrift 'Religieus recht en minderheden' er toe te pleiten voor een zgn. rechtspluralisme m.b.t. de huwelijkswetgeving. Allerlei religieuze minderheden zouden dan zo hun eigen stempel op die huwelijkswetgeving mogen zetten. Dat zou dan leiden tot grote verschillen in de aan het huwelijk te verbinden gevolgen.
Denk maar aan de alimentatieplicht, de persoonlijke rechten en verplichtingen van de echtgenoten, het huwelijksvermogensregime, de naamgeving, de positie van de kinderen etc.
Haar niet zo bijzonder doordachte voorstellen vonden trouwens niet zo'n erg gunstig onthaal. O.a. omdat ze veel meer problemen oproepen dan oplossen. Niet alleen voor het Nederlandse recht maar ook in het licht van het internationale huwelijksrecht.
Een kritisch advies
Maar nu eerst terug naar het aanvankelijke voornemen van de minister. Daarover werd nl. advies ingewonnen bij de zgn. Permanente Commissie. Die voorzag het geheel van een vrij kritisch commentaar. In een advies van 3 november 1992.
De commissie benadrukt nog eens, dat het burgerlijk huwelijk duidelijk verschilt van hetgeen mogelijkerwijs in de kerk gebeurt. Hier in Nederland wordt door die kérkelijke plechtigheid in ieder geval, zo wordt nog eens expliciet vermeld, géén rechtsgéldig huwelijk tot stand gebracht. De wéttelijke gevolgen van een huwelijk gelden alleen als dat huwelijk hier voor de burgerlijke stand is gesloten. De commissie wijst er in haar advies ook op, dat wanneer Nederland zou kiezen voor opheffing van dat strafrechtelijke verbod het zich in een uitzonderingspositie zou plaatsen. Een uitzonderingspositie met duidelijk riskante aspecten. De ervaring van de laatste jaren maakt dat duidelijk. Zo kwamen er met enige regelmaat gevallen voor, waarin, wanneer een 'religieuze huwelijksplechtigheid' werd .
voltrokken in strijd met het verbod, de betrokkenen toch in de veronderstelling leefden dat zij dan gehuwd waren.
Het betrof dan vooral mensen, afkomstig uit minderheidsgroepen. Dat bracht voor hen dan soms zeer ingrijpende gevolgen met zich mee. Het leidde er soms ook toe, dat in het buitenland dan op grond van een Nederlandse kérkelijke akte werd aangenomen dat de betrokkenen hier wel gehuwd waren. Ten onrechte. Met allerlei nare gevolgen, ook voor de positie van de kinderen. Dergelijke ingrijpende misverstanden moet je met je wetgeving, aldus de commissie, niet in de hand werken. Met andere woorden: weet wel wat je doet.
Het verbod: norm of symbool?
In dat advies wordt nog een geheel ander aspect aangeroerd. Het verbod staat in de wet. Nog steeds. Niettemin worden predikanten die het verbod overtreden, slechts uiterst zelden vervolgd. Zo zelden zelfs, dat er in feite sprake is van een 'beleid' om niet te vervolgen. Dat roept dan de vraag op, of het nog wel zinvol is het artikel in de wet te laten staan. Kun je het dan niet beter toch schrappen? Dat is trouwens een vraag, die steeds vaker en m.b.t. veel meer artikelen of zelfs complete wetten wordt en kan worden gesteld. Denk maar aan de abortuswetgeving, de drugswetgeving of de milieuwetgeving. We spreken dan tegenwoordig o.a. al van mentaliteitswetten en illusiewetten. Wetten, die wel als geldend recht zijn afgekondigd, maar waarbij je meteen al kunt vermoeden, dat het niet eenvoudig zal zijn ze te handhaven. Het verschijnsel is overigens niet nieuw. Denk maar aan de voorschriften in het Oude Testament inzake het zgn. jubeljaar, waarin wordt voorgeschreven dat in elk vijftigste jaar een ieder in Israël zijn oorspronkelijke bezittingen moest terugkrijgen. Hoe vaak zou dat echt gebeurd zijn? Maar wetgeving kan zelfs nog in sterkere mate tot (alleen maar) symbool (ver)worden. Je krijgt soms zelfs de indruk, dat regering en parlement uitgaan van de veronderstelling dat je moeilijke problemen kunt 'oplossen' door maar een regel 'af te kondigen' en daarmee dan te volstaan. Zonder zelfs ook maar het plan en de intentie te hebben die te handhaven.
Is het dan verwonderlijk, dat je als burger er dan niets meer van snapt en dat het respect voor de overheid, voor de wetgever daalt? In dit opzicht was de desbetreffende commissie verdeeld over het plan het verbod af te schaften. Handhaving van het artikel heeft, aldus een aantal leden van de commissie, toch in ieder geval een 'symbolische waarde'. Andere leden hadden een tegenovergestelde mening en gaven dus de voorkeur aan afschaffen.
Nogmaals: de minister heeft het plan het artikel af te schaften inmiddels laten vallen. Dat laatste betekent echter nog niet dat we nu van een stringente handhaving kunnen uitgaan.
(wordt vervolgd)