Worsteling om Israël (1)

1993-10-08
  • Jaargang 37
  • nummer 21
In onze gemeente in Emmeloord heb ik onlangs in twee preken aandacht gevraagd voor de plaats van de Joden ten opzichte van het Evangelie van Jezus Christus. Hoewel wat daarbij naar voren kwam op zichzelf zeker niet spectaculair te noemen is, was het op een rij zetten van een aantal Schriftgegevens voor mijzelf toch een dusdanig verrassende bezigheid, dat ik het erop waag u in dit en het volgende nummer van Opbouw de (licht aangepaste) tekst van deze beide preken aan te bieden. Deze eerste keer gaat het over:

Jezus en Israël volgens de gelijkenissen
Wij zijn geneigd gelijkenissen als het ware per stuk te lezen, los van elkaar, en ze dan in de regel nogal direct op onszelf te betrekken. De gelijkenis van de verloren zoon bijvoorbeeld: dat vinden we een prachtige gelijkenis, omdat we geweldig blij worden van de verkondiging van de Here Jezus dat je als kind altijd bij Vader terug mag komen, wat er ook gebeurd is. Wat hebben wij een machtige Vader in de hemel! Is het verkeerd om gelijkenissen z6 te lezen? Nee. Maar voor een keer is het stellig ook de moeite waard om meerdere gelijkenissen op een rij te zetten, en dan eens een andere vraag te stellen; niet direct: Wat betekent het voor ons, maar: wat betekende het toen? Hoe kwam zo'n gelijkenis over bij die mensen die daar op dát moment naar Jezus stonden te luisteren? Want de gelijkenissen zijn natuurlijk in eerste instantie door Jezus gesproken tot zeer concrete mensen die daar en toen naar Hem luisterden.
Wat hebben dié gehoord?

Met het oog op hen gesproken
Ik begin bij dat zinnetje uit Lukas 20, dat u hierboven ziet staan: "Zij begrepen dat Hij deze gelijkenis met het oog op hen gesproken had". Zij, dat zijn de overpriesters en de Schriftgeleerden; de mensen die aan het begin van het hoofdstuk (vers 2) Jezus' legitimatie in twijfel hadden getrokken, Zijn bevoegdheid om zulke dingen te doen als het reinigen van de tempel (19:45-48).Jezus is een charlatan, een kwakzalver; waar haalt zo'n man de lef vandaan om net te doen alsof Hij de waarheid in pacht heeft? "Zeg ons: krachtens welke bevoegdheid doet Gij deze dingen?"
Op die vraag heeft Jezus geen antwoord gegeven; althans: niet rechtstreeks.
Want als zij Zijn vraag over de doop van Johannes niet willen beantwoorden, dan zal Hij ook hun vraag naar Zijn bevoegdheid niet beantwoorden. Maar vervolgens vertelt Hij een gelijkenis. Nee, niet rechtstreeks aan hén, maar: "Hij begon tot het volk deze gelijkenis te spreken" (vers 9). Maar pas als je luistert" met de oren van de Joodse leiders, hoor je wat Jezus hier werkelijk zegt: de wijngaard is Israël, de pachters zijn de leiders van het volk. En heel de geschiedenis van het volk van God tot Jezus' dagen toe wordt samengevat in die paar penseelstreken: knechten van God worden geslagen en met lege handen weggestuurd. Israël, de wijngaard des HEREN, brengt geen vrucht voort voor de grote Heer van de wijngaard. En tenslotte is daar Jezus; Hij die als laatste gezonden is, om nog één maal te proberen de vrucht van de wijngaard in ontvangst te nemen. Maar Hém grijpen de pachters, en ze maken het nog gruwelijker dan eerder: want deze gezant van Zijn Vader wordt door hen vermoord. En dan kan er maar één ding gebeuren: dan moet de Heer van de wijngaard tenslotte wel ingrijpen; naar Zijn knechten hebben ze niet geluisterd, Zijn Zoon hebben ze gedood - "Wat zal dan de Heer van de wijngaard met hen doen? Hij zal komen en die pachters ombrengen en de wijngaard aan anderen geven ".

Waarschuwing
Is dit een definitieve veroordeling? Geeft Jezus hier een koele analyse van de stand van zaken; en is dit het onafwendbaar lot van deze pachters? Maar wie dat denkt heeft het nog niet begrepen. Een gelijkenis heeft altijd ook tot doel om mensen tot bekering te brengen. Het is nooit zo dat Jezus zegt: "Zo zal het gaan en daar kun je niks meer aan veranderen", nee, 't is omgekeerd; Hij zegt: "Als jullie er niks aan veranderen, dan zal het zo gaan".
Alsjeblieft mensen: laat het niet zover komen, maar bekeer je. Nu de Zoon gekomen is: laat nu je verzet varen; en pas op: vergrijp je niet aan deze Zoon! Jezus waarschuwt. Jezus roept tot bekering. Nu het nog kan. Straks is het te laat.
En dan hun reactie; daar merk je al aan dat ze't heel goed hebben begrepen.
Ze vliegen op, en ze roepen het uit: "Dat nooit. Onmogelijk, dat de wijngaard van ons zou worden afgenomen.
Aan óns heeft God de zorg toevertrouwd voor Zijn erfdeel. En dat zal nooit van ons worden weggenomen, in der eeuwigheid niet!" Er zijn nogal wat mensen vandaag de dag, die hen dat nazeggen: "Dat nooit! Het is onmogelijk dat de wijngaard aan andere pachters wordt gegeven. Israël is en blijft de wijngaard des HEREN. En wat er ook gebeurt, Gods trouw is zo groot dat Hij Israël nooit zal laten vallen!" De Schriftgeleerden en overpriesters begrepen dat Hij deze gelijkenis met het oog op hen gesproken had. Ja, inderdaad: met het oog op hen. Hier wordt geworsteld om Israël. Hier wordt diep ernstig gewaarschuwd: "Israël, pachters van het oude verbond: denk erom: de wijngaard kan van jullie worden weggenomen. God de Here is niet verplicht om Zijn wijngaard voor altijd in jullie handen te laten! Bekeer je; nu het nog kan!”

De redding van Israël
Wat doet Jezus in deze gelijkenis? Nu, Hij probeert uit alle macht van Zijn liefde om het hart van Israël te winnen; en Hij doet dat door een zeer intense waarschuwing. Die twee dingen moet u vasthouden: 't gaat om de redding van Israël – want dat is altijd het doel van Jezus: het redden van mensen - maar dat gaat in de relatie met Israël langs de weg van een wel heel dreigende waarschuwing.

Zeven gelijkenissen
Nu ga ik, veel korter, nog zeven andere gelijkenissen noemen, waarin ook diezelfde worsteling om Israël plaatsvindt. En telkens weer wil Jezus dat ene doel bereiken: dat Israël zichzelf zal herkennen in de spiegel die Hij het voorhoudt; Israël, dat zo tevreden is over zichzelf, dat vanuit de hoogte neerziet op andere volkeren - dat Israël wil Jezus ontdekken aan z'n zonde - om het te kunnen redden van de ondergang. Ik loop ze met u door in de volgorde waarin ze in de bijbel staan; twee uit Matteüs, vijf uit Lukas.

De arbeiders in de wijngaard
In Matteüs 20:1-16 vertelt Jezus over die heer van de wijngaard die over de hele dag verspreid arbeiders aanneemt voor het werk in zijn wijngaard. En bij de uitbetaling verwachten zij die de hele dag hebben gezwoegd dat ze meer zullen krijgen dan de werkers van het elfde uur, die immers maar één uurtje zijn bezig geweest, in de avondkoelte. van 5 tot 6. Maar ze krijgen allemaal evenveel. Herkent u Israël? Zij zijn degenen die de hele dag gezwoegd hebben in Gods wijngaard - dat erkent Jezus dus royaal! Zij hébben veel gedaan! Maar juist dat ze zoveel hebben gedaan in dienst van de Here kan een onoverkomelijke hindernis worden om vrijuit blij te zijn als de Heer van de wijngaard in Zijn goedheid ook aan anderen, uit genade, loon wil geven.
Als er heidenen bijkomen, die God niet gekend hebben; als de muur tussen Jood en heiden door de komst van Christus wordt afgebroken: Jood, werker Aanbid je dan die genade? Of word je jaloers, afgunstig? Buig toch alsjeblieft voor de goedheid van de Here!

De twee zonen
Matteüs 21:28-32: "Wil jij vandaag in mijn wijngaard werken?" vraagt de vader aan beide zonen. De eerste zegt Ja, maar doet het niet; de tweede zegt Nee, maar doet het tenslotte wel. Israël en de heidenen; het vrome Israël, en de hoeren en tollenaars. Israël zegt Ja: "Wij dienen de HERE". Maar als het erop aankomt - en in Jezus k6mt het erop aan! - dan doen ze 't niet!
Heidenen hebben eeuwenlang Nee gezegd. Op hoeren en tollenaars keek de vrome Jood diep neer. Maar als Jezus komt, dan zijn zij het, die hun knieën voor Hem buigen, en hun heil zoeken bij Hem.

De barmhartige Samaritaan
Lukas 10:25-37; daar geldt niet helemaal hetzelfde voor als voor de tot nu toe behandelde gelijkenissen. Maar met de keus voor eerst een priester en vervolgens een Leviet kiest Jezus toch stellig heel bewust de twee meest nadrukkelijke vertegenwoordigers van de godsdienst van Israël; dat wil zeggen van datgene waarin Israël zich nu juist het meest verheven voelde boven alle andere volken.
De HEER heeft Jakob uitverkoren om naar Zijn heilig Woord te horen. Zo deed Hij aan geen andre volken.
Die woorden uit Psalm 147: Israël zong ze zelfbewust; want zij waren dan toch maar Gods volk; dat waren ze niet voor niks; en dat wilden ze weten ook. Maar de priester en de Leviet, de symbolen van Israëls religieuze superioriteit, falen in het herkennen van hun naaste. Van de wet weten ze alles af; de offers brengen ze keurig volgens het voorschrift - maar als de vervuIling van Gods wil aan de kant van de weg op hen ligt te wachten, dan lopen ze er voorbij. In hun opvatting van godsdienst komt de naaste niet voor.

De onvruchtbare vijgenboom
Lukas 13:6-9: weer een gelijkenis over een wijngaard. Is dat toevallig: dat het daar zo vaak over gaat? Nee. Door heel de bijbel heen is de wijngaard immers een standaardsymbool voor het volk Israël. Dat hoefde je ook eigenlijk niet uit te leggen: de wijngaard is: Israël. Nu, in deze wijngaard in Lukas 13 staat een vijgenboom die onvruchtbaar is. En de eigenaar zegt: "Nu zit er al voor het derde jaar geen vrucht aan die boom. Tuinman, hak hem maar om, dan kan ik er wat nuttigers voor in de plaats zetten". Maar de tuinman zegt: "Nee meneer, dat niet; nog niet. Laat ik er eerst nog een keer alles aan doen, misschien zijn er dan volgend jaar vruchten. En als er ook dan nog niks te vinden is, goed, dan moet het maar; hak 'm dán maar om".
Israël: je krijgt nog uitstel; het is nog genadetijd. Maar weet dit wel: er komt een eind aan; er is een moment waarop de vijgenboom wordt omgehakt. Als niets helpt; als zelfs de grootste genade van God, door Zijn eigen Zoon, nog niet bewerkt dat Israël vrucht draagt voor God, dan komt er een eind aan Gods genadetijd.

De verontschuldigingen
Lukas 14:15-24: de eerstgenodigden, de gasten die al lang, geleden hun uitnodiging voor het feest hadden ontvangen, laten het afweten. Ze hebben het te druk met andere dingen. Belangrijke dingen, zeker; maar tegelijk dingen die hen van het allerbelangrijkste afhouden. Maar als zij het af laten weten, dan komt de nodiging tot 'de mensen die je er nooit zou verwachten, op zo'n feest: bedelaars, misvormden, lammen, blinden. En die komen wel.
U herkent het nu: de eerstgenodigden, dat zijn de mensen die horen bij het volk van Israël; zo lang geleden al door God geroepen tot Zijn dienst. ' Maar als eindelijk het feest begint; als - om het met een andere gelijkenis te zeggen - als de Bruidegom er is, dan hebben zij andere dingen aan hun hoofd. En Jezus zegt: "Niemand van die mannen die genodigd waren, zal van Mijn, maaltijd proeven".

De verloren zoon "
In Lukas 15 staan de gelijkenissen van het verloren schaap, de verloren penning, en de verloren zoon. Gelijkenissen die Jezus vertelt (vers 2), omdat de Farizeeën en schriftgeleerden het maar niks vinden dat' Jezus omgaat met tollenaars en zondaars.
In de laatste van die drie gelijkenissen, die van de verloren zoon, komt aan het eind opeens de oudste zoon opduiken.
Feitelijk zou hij voor het grote verhaal van de verloren zoon ook wel gemist kunnen worden. Toch haalt Jezus hem erbij. Waarom? Omdat déze jongen, deze zoon van zijn vader, model staat voor Israël. Zoals de religieuze leiders van Israël het niks vinden dat Jezus met dat minderwaardige volk omgaat, zo vindt de oudste zoon het knap waardeloos dat dip losbol van een broer van 'm zó wordt ontvangen door zijn vader. En let dan op met welk woord die gelijkenis eindigt; dat is de meest indringende nodiging die je je maar kunt denken: "Kind", zeqt de vader, "gij zijt altijd bij Mij, en al het mijne is het uwe. Wij moesten feestvieren en vrolijk zijn, want uw broer hier was dood en is levend geworden, hij was verloren en is gevonden".

De Farizeeër en de tollenaar
In Lukas 18:9-14 vertelt Jezus over de Farizeeër en de tollenaar, die beiden naar de tempel gaan om te bidden. En weer zoekt Hij, met alle macht van Zijn liefde, het hart van het oude Godsvolk: Israël, herken jezelf in die Farizeeër; die man die doet alsof hij met God spreekt, maar die in werkelijkheid alleen een gesprek met zichzelf voert.
Israël, bekeer je! Kom tot Hem, de levende steen, door de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en kostbaar!

"Want zij begrepen, dat Hij deze gelijkenis –
en maak daar nu maar meervoud van:
dat Hij deze gelijkenissén met het oog op hen gesproken had".

De Messias van Israël
Wat leren we hier nu van? Wat levert ons deze zoektocht op? Ik denk in elk geval twee dingen. In de eerste plaats dat we er weer met onze neus op gedrukt worden hoe intens Jezus probeert om Gods oude volk te bewegen tot het geloof in Hem, de beloofde Messias. "Israël, hoor toch! Hier is uw heil! Hier is de verlossing!"
Maar dan in de tweede plaats ook, hoezeer alles dan ook hangt aan Hem, Jezus Christus, de Zoon van God.
Is Israël vandaag nog het volk van God? Dat is de grote vraag; die zeer verschillend beantwoord wordt. Als je nu al deze gelijkenissen bij elkaar neemt, dan moet je zeggen: het middelpunt ervan, degene om Wie alles draait, dat is de Here Jezus; of dat nu met zoveel woorden gezegd wordt of niet, maar Hij die de gelijkenis vertelt, Hij is er ook het middelpunt van. En wat elk van die gelijkenissen wil bereiken, dat is dat Israël zich zal bekeren, en z'n knieën zal buigen voor deze Messias die door God gezonden is. Dat is de worsteling die hier gaande is. Is lsraël vandaag nog het volk van God? Wie die vraag wil beantwoorden, buiten het geloof in deze zelfde Messias Jezus om, die komt verkeerd uit. Aan Hem hangt ook Israëls heil. Israël is het volk van God: alieen door het geloof in Jezus Christus.
Zonder dat geloof is Israël ook vandaag nog de zoon die Ja zegt en Nee doet, de pachter die de vrucht niet opbrengt, de vijgeboom die ondanks alle goede zorg teleurstelt, de oudste zoon die weigert het feest te vieren.
Hoor het intense verdriet van Jezus, als Hij het uitroept, vlak voor Zijn lijden en sterven: "Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt, en stenigt wie tot u gezonden zijn, hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen vergaderen, gelijk een hen haar kuikens onder haar vleugels vergadert, en gij hebt niet gewild" (Matteüs 23:37).
Gij hebt niet gewild...Laat ons gebed voor Israël tot de Here komen.

En laat onze levenswandel zo zijn, dat niet eens van ons hetzelfde gezegd moet worden. Laten wij onze knieën werkelijk, elke dag van ons leven, buigen voor Hem, onze Heer en Heiland. En laten we, kon het zijn, op deze manier tot een getuigenis zijn voor Israël en het oude volk van God brengen tot jaloersheid. Ach, wat blijven we daar ver onder!
Heer, schenk ons allen Uw genade!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief