Assertiviteit en zelfverloochening (1)

1993-10-22
  • Jaargang 37
  • nummer 22
Over voordringen en een caravan
Stel, lezer(es), u staat op zaterdagmorgen om een uur of half elf bij de bakker. Het is behoorlijk druk en het nummertjesapparaat is kapot. U houdt dan ook nauwlettend in de gaten, wie na u de winkel betreedt. Maar als u het niet dacht: op het moment dat u aan de beurt bent, begint de dame met de gifgroene schoenen, die zich pontificaal pal voor de toonbank had opgesteld, met schelle stem haar boodschappenbriefje voor te lezen. En dat, terwijl zij niet alleen na u, maar ook nog na de meneer met die dikke brilleglazen binnenkwam! U werpt haar zijdelings een woedende blik toe, en mompelt praktisch onverstaanbaar iets van 'de brutalen hebben de halve wereld', en wacht gelaten af tot de voordringster met een tas vol brood en gebak de zaak verlaat.
Bij thuiskomst wacht u een onaangename verrassing. Uw buurman blijkt een nieuwe caravan te hebben gekocht.
Het gevaarte staat voor uw' huis geparkeerd. Joviaal als altijd, beent uw buurman uw tuinpad op en vertelt in geuren en kleuren over zijn vakantieplannen. Hij verzekert u, dat u gerust ook eens een weekend met het ding op stap mag, en nodigt u uit om gelijk even de aanwinst van binnen te bekijken. En ja, vervelend misschien dat de caravan u het uitzicht beneemt, maar het is slechts voor een paar dagen. En het kan nou eenmaal niet anders, want met zijn eigen auto en die van zijn vrouw voor de deur, kan de caravan helaas niet meer voor zijn raam staan. U vindt het wel goed, dacht hij zo. En u? U vindt het helemaal niet goed. Maar zeg dat nou eens. De buurman is zo kwaad niet. En het is maar voor een paar dagen. Met een zuur lachje zegt u iets van "Er zit niets anders op, hè?" De volgende dag, 's morgens na kerktijd, moet u de lamp aandoen omdat het in de kamer te donker is om Opbouw te lezen. Een week later - u bent weer naar de bakker geweest, maar het nummertjesapparaat deed nu gelukkig dienst - rijdt de buurman eindelijk, driftig zwaaiend, met de caravan achter zijn auto weg.
Geërgerd kijkt u hem na.

Toverwoord
Het is duidelijk dat u die zaterdagmorgen anders had moeten reageren. Maar hoe? U wilde vooral geen ruzie maken. Wat restte u anders dan het maar pikken? Het is met het oog op zulk soort situaties dat er een soort toverwoord gesproken wordt: u moet leren ASSERTIEF te zijn. Dat wil zeggen: er is wel äegelijk een derde weg. U hoeft helemaal geen ruzie te maken om toch duidelijk te maken dat u het niet pikt: dat voordringen, en die caravan voor uw raam. U mag voor uzelf opkomen. U moet leren NEE zeggen op een vriendelijke, maar besliste manier. U bent er ook nog! Doe geen dingen voor een ander, als u er zelf eigenlijk geen zin in hebt. Laat niet over u lopen. Luister naar jezelf; verdring je gevoelens niet. Doe eindelijk eens iets wat je zélf leuk vindt. Eis de ruimte opdie je toekomt. Dat heeft niets te maken met egoïsme. Dat is gewoon: een beetje assertiever worden.

Zelfverloochening
Onmiskenbaar zit hier heel wat in. Want dat vaste voornemen om het niet op ruzie aan te laten komen met de voordringster en de buurman, is heel wat minder grootmoedig dan het lijkt. Immers, door zo'n houding van 'toe dan maar' roept men bij zichzelf behoorlijk wat ergernis op. Dat wijst erop, dat men de 'ander zijn of haar gedrag diep in zijn hart zeer kwalijk neemt. Is het dan niet beter om je eerlijk uit te spreken? Je kunt niet ongestraft altijd maar over jezelf heen laten walsen. Daarmee bouw je een enorme innerlijke onvrede op. Op den duur wreekt het zich, als je altijd je eigen gevoelens verdringt en JA zegt terwijl je NEE denkt. Inderdaad: IK ben er ook nog! Niettemin ligt hier voor christenen een probleem', Want er is toch ook nog zoiets als zelfverloochening? De Here Jezus is ons voorgegaan in het brengen van offers voor de naaste. Zelf is Hij daarbij tot het uiterste gegaan: Hij heeft zijn leven prijsgegeven om dat van anderen te redden. Van ons verwacht Hij dezelfde levensstijl, vgl. I Johannes 3:16. Maar wie durft er dan nog te praten over "voor jezelf opkomen"?
Zo gezien lijkt er voor dat aankweken van een houding van assertiviteit in het Koninkrijk van God geen plaats te zijn. Hier geldt niet het principe: "IK ben er ook nog!", maar: "Hebt uw vijanden lief en bidt voor wie u vervolgen" (Matt. 5:44). Het is vooral de bergrede - waaruit dit woord van de Here Jezus afkomstig is - die geen spaan heel lijkt te laten van die veelgeroemde assertiviteit. Slaat iemand je op de rechterwang? Keer hem ook de andere toe. Prest iemand je voor één mijl? Ga er twee met hem. Wie zou in het licht van deze woorden nog durven sputteren als er iemand voordringt of zijn caravan voor je huis parkeert?

Twee evangeliën?
Het is dan ook geen wonder dat veel christenen niet goed raad weten met dat advies, om wat assertiever te worden.
Aan de ene kant klinkt het ze als muziek in de oren, omdat ze ondervinden dat altijd maar wijken voor de ander hun gaat opbreken. Maar aan de andere kant hebben ze het gevoel, dat assertiviteit haaks staat op de leefregels van Gods Koninkrijk. Dat gevoel wordt alleen maar versterkt, wanneer dat 'opkomen voor jezelf' openlijk in verband gebracht wordt met bedenkingen tegen het christelijk geloof. Niemand minder dan de negentiende eeuwse wijsgeer Friedrich Nietzsche heeft in dit verband zeer vijandige woorden aan het adres van de Here Jezus gesproken. Voor hem is Jezus door niets anders zó gekarakteriseerd als door zijn uitspraak "Ik zeg u, de boze niet te weerstaan" (Matt.5:39).
Volgens Nietzsche kon Jezus het conflict met zijn omgeving niet aan, en is zijn ethiek van zachtmoedigheid daaruit te verklaren. En zo is het christendom een weke godsdienst geworden, waarin zwakheid en lijden verheerlijkt worden.1 Alom is erkend, dat Nietzsche een enorme invloed heeft gehad en nog heeft. Het is dan ook zeker niet gezocht, om in de hartstocht waarmee de assertiviteit gepredikt wordt, iets van zijn anti-christelijke geest terug te vinden. Maar ook wanneer dat agressieve verzet tegen het christendom afwezig is, is er onmiskenbaar een spanning tussen een levensstijl van zelfverloochening en een houding van 'IK ben er ook nog'. In zijn prachtige boek A place for you 2 verzucht Paul Tournier, dat er in de ogen van veel mensen twee evangeliën zijn. Aan de ene kant is er het evangelie van Jezus Christus, dat ons de weg van offerende en verdragende liefde wijst. Aan de andere kant is er het evangelie van de psychologie, dat ons leert voor onszelf op te komen en onszelf uit te spreken. En inderdaad zie je dat velen hier een keuze maken. Of men kiest er bewust voor Christus te volgen, en koestert van daaruit een diep wantrouwen ten opzichte van het overal om ons heen klinkende appel om toch wat assertiever te worden. Of men doet de pijnlijke ontdekking, dat men in de kerk nooit geleerd heeft zichzelf de noodzakelijke ruimte te geven, zodat men therapieën waarbij men dat wél leert pas als werkelijk heilzaam ervaart.

“Waarom moet ik altijd helpen?”
De grote vraag is echter, of christenen zich dit dilemma moeten laten opdringen. Tournier meent van niet, en recent is een boekje verschenen waarin eveneens met kracht wordt ontkend dat er een tegenstelling zou bestaan tussen het christelijk geloof en een assertieve levenshouding. De schrijver, Nico van der Voet, heeft het de veelzeggende titel meegegeven Waarom moet ik altijd helpen? Over zelfhandhaving en zelfverloochening'? 3
Hij benadrukt dat zowel zelfhandhaving als zelfverloochening binnen een christelijke levenshouding een plaats hebben. Die stelling onderbouwt en verdedigt hij in een viertal hoofdstukken, nadat hij eerst in drie inleidende hoofdstukken zorgvuldig heeft nagegaan wat nu precies onder 'assertiviteit' is te verstaan. Vooral dat eerste deel van Waarom moet ik altijd helpen?
is zeer verhelderend. Van der Voet omschrijft assertiviteit als het gedrag van mensen, die voor zichzelf kunnen opkomen op een psychisch evenwichtige manier (7). Met 'psychisch evenwichtig' is bedoeld, dat zij hun IK niet zo groot maken dat zij over anderen heenwalsen, en tegelijk hun IK niet zo klein maken dat zij over zich laten lopen. Zo staat assertiviteit in tussen agressief gedrag en subassertief gedrag. Subassertief zijn die mensen die zich meegevend opstellen, terwijl zij daar innerlijk onvrede mee hebben. Ze passen zich voortdurend aan hun omgeving aan, en het is hun tweede natuur geworden om zichzelf weg te cijferen, maar diep in hun hart protesteren ze daartegen en beklagen ze zich erover, dat er met hun wensen en rechten geen rekening wordt gehouden. Ze kunnen geen 'Nee' zeggen, maar zeggen allerminst van harte 'Ja'. Van der Voet trekt dan ook de harde maar juiste conclusie, dat subassertieve mensen in zekere zin oneerlijk zijn: hun binnen- en buitenkant zijn niet met elkaar in overeenstemming (16). Wanneer zulke mensen worden aangemoedigd om wat assertiever te worden, betekent dat echter niet een pleidooi om met anderen geen rekening meer te houden (116).
Zeker, onze samenleving wemelt van mensen die verbeten in de weer zijn om hun eigen belangen veilig te stellen en daarbij de ander ervaren als een bedreiging van hun eigen vrijheid.
Zij hebben de uitstraling van een door prikkeldraad omheinde villa. Maar, zegt Van der Voet, vergis je niet: zo'n houding wijst niet op assertiviteit, maar op agressiviteit! Met 'agressief' bedoelt hij, dat zij hun eigen mening, verlangens en plannen doordrukken (16) De manier waarop zij zichzelf handhaven is sterk ik-gericht (7) en heeft vaak iets aanvallends (24-26).
Dat is niet echt een aantrekkelijk alternatief voor die meegevendheid die met een stilzwijgend innerlijk protest gepaard gaat. Assertiviteit is wezenlijk iets anders dan 'Opzij! Opzij! Opzij!' roepen. Assertieve mensen kunnen heel inschikkelijk en dienstvaardig zijn. Waar het bij assertiviteit om gaat, is eerlijkheid: jezelf eerlijk uitspreken, en alleen dingen voor een ander doen of laten wanneer je daar van harte achter kunt staan (23,41). Deze eerlijkheid houdt in, dat je ruimte opeist voor je eigen gevoelens en ideeën, maar dat hoeft helemaal niet met lompheid of een grote mond gepaard te gaan. De kunst van een assertieve levenshouding is, om vriendelijk duidelijk te maken wat je wilt en wat je denkt (24).

Angst
Dat klinkt alleszins redelijk, zo redelijk, dat men zich kan afvragen hoe het komt dat veel mensen zich die assertieve levenshouding slechts met grote moeite eigen kunnen maken. Van der Voet wijst erop, dat angst hier een centrale rol speelt. Wat belet mensen om eerlijk te zijn en om 'Nee' te zeggen?
Wat drijft hen om zich altijd maar aan te passen aan hun medemens, ook als ze daar diep in hun hart geen vrede mee hebben? Dat is de angst voor de ander (15). De drijfveer van subassertieve mensen is hun vrees, dat anderen hen niet aardig zullen vinden, of zelfs gek. Zij doen of zeggen niet wat ze ten diepste zouden willen doen of zeggen, omdat ze bang zijn voor afkeuring (25). Van der Voet laat zien, dat deze angst vooral voorkomt bij mensen die in feite afhankelijk zijn van anderen. Met 'afhankelijk' bedoelt hij niet dat zij zichzelf niet kunnen redden en voor van alles en nog wat een beroep moeten doen op een ander. Nee, hij denkt aan innerlijke onzekerheid, aan een gebrek aan zelfvertrouwen.
Wie daar last van heeft, leunt onwillekeurig aan tegen anderen, om van hen bevestiging te ontvangen. Het is die afhankelijkheid die zo vreesachtig maakt: als je de goedkeuring van anderen nodig hebt omdat je van jezelf niet zeker bent, moet je er niet aan denken dat de ander boos op je zou worden of je gek zou vinden. Een afhankelijk mens heeft "één fundamentele angst: dat anderen hen in de steek laten en hij eenzaam in de kou komt te staan" (72). En zo wijst subassertief gedrag op fundamentele onvrijheid: afhankelijk als men is van het oordeel van anderen, doet men niet meer wat men zelf wil, maar wat de ander wil.
Wat is dat anders dan een vorm van slavernij?

Praktisch
Dit klinkt allemaal heel zwaarwichtig en alarmerend: er schijnt met mensen die niet zo assertief zijn heel wat mis te zijn! Nu, Van der Voet wijdt inderdaad een bladzijde van zijn boekje aan een zo ernstige mate van die innerlijke afhankelijkheid, dat hij over de noodzaak van psychotherapie komt te spreken (74, vgl. 13).) Maar dat is slechts een enkele bladzijde! Voor het overige wemelt het boekje van beschrijvingen van situaties, waarin massa's mensen zich grijnzend zullen herkennen. Daardoor is het heel praktisch en zullen er maar zeer weinigen zijn die er hun winst niet mee zullen kunnen doen. Het gaat hier over dingen waar iedereen van tijd tot tijd tegenaan botst.
Want wie zou durven beweren, dat hij of zij altijd op psychisch evenwichtige wijze voor zichzelf opkomt als de caravan van de buurman een kleine zonsverduistering teweeg brengt?!

Noten
1. Zie Friedrich Nietzsche, Der antichrist, Fluch au' das Christenthum, Nachgelassene Schriften 1888, par. 5,7,29,35
2. Het boek verscheen oorspronkelijk (in 1966) in het Frans onder de rirel Lomme et Son Lieu.
De engelse vertaling verscheen voor het eerst in 1968. Men vindt de desbetreffende passage in het zesde hoofdstuk. dt getiteld is Two Gospels.
3. Het boekje verscheen in 1992 bij uitgeverij Boekencentrum te Zoetermeer (ISBN 90 239 1764 2); in datzelfde jaar kwam reeds een tweede druk uit.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief