Man-en-Vrouw (2)

1993-10-22
  • Jaargang 37
  • nummer 22
Aan het slot van het vorige artikel heb ik gezegd duidelijk te willen maken, in welke richting ik voor mij geneigd ben de verklaring van 1 Cor. 11, 10 te zoeken.

De spiraal
Ik knoop dan opnieuw aan bij een opmerking van collega Van Bruggen. "Het betoog van de apostel", zo schrijft hij (blz. 65), "vertoont, zoals vaker, een spiraal-structuur. Na de thematische inzet in vers 3, begon de apostel op het niveau van de gevoelsrealiteit (vs. 4-6) om daarna door te stoten naar de normerende achtergrond van de schepping (vs. 7-9). Komt de apostel daarna in vers 10 weer terug bij de houding van de vrouw, dan stijgt hij uit boven de aanknoping bij de palla-dracht in vers 5 en komt tot een voor alle tijden geldende formulering: de vrouw is niet vrij om haar eigen hoofd te volgen en zij is geroepen om haar hoofd te beteugelen".
Ik zou me kunnen voorstellen, dat vBr. er moeite mee heeft dat vermeende hoogtepunt in v. 10 ("een voor alle tijden geldende formulering") zich nu te zien ontvallen. Laat het hem dan mogen troosten, dat ook volgens mij er wel degelijk een 'stijging' in Paulus' betoog valt op te merken. De eerste 'trap' daarvan blijkt m.i., als we wat in v. 3 over de vrouw gezegd werd vergelijken met wat in v. 7 van haar gesteld wordt. In v. 3 heette het: "de man is het hoofd van de vrouw", m.a.w. zij staat onder hem. Dat kan op het eerste horen vernederend klinken. (En zo komt het kennelijk ook bij vele hedendaagse lezers over.) Maar nu zegt v. 7: "de vrouw is de doxa (d.i. de luister) van den man". En als we dit op het spoor van wat voorafgaat ("de man is beeld en luister van God") duiden, dan is déze kwalificatie toch stellig een positieve; een zeer vererende zelfs; dan wordt de vrouw daarmee uitgetild boven het niveau waarop v. 3 haar scheen te zetten.

Luister
Want wat behelst dat woord 'luister' hier? Van Jezus Christus, Gods Zoon, zegt Johannes: "Wij hebben zijn luister aanschouwd, een luister zoals alleen een enig kind van zijn vader meekrijgt", Joh. 1, 14. En zelf zegt Jezus: "Wie Mij gezien heeft, heeft den Vader gezien", Joh. 14,9. Jezus bij uitstek is beeld en luister van God, vgl. 2 Cor. 4, 4. 'Beeld': in Hem zie je God voor je; 'luister': in Hem word je geconfronteerd met Gods majesteit; Hij is met Gods gezag bekleed 1. Van Hem geldt dit nog sterker dan van Adam. De eerste, maar vooral de tweede Adam regeert de aarde als Gods plaatsvervanger, vgl. Gen. 1, 26.
Nu, als dan van de vrouw gezegd wordt, dat zij de luister is van haar man, dan betekent dat m.i., dat zijn gezag en zijn aanzien op haar afstraalt; dat zij haar man vertegenwoordigt. Deze uitspraak van Paulus zou wel eens de sleutel kunnen zijn om het raadsel van v. 10 mee op te lossen. Ik zei al: 'exousia' is allereerst een door een hoger geplaatste verleende macht, volmacht. Nu, zoals Adam als gevolmachtigde van God in deze wereld optreedt, zo - aldus Paulustreedt Eva op als gevolmachtigde van Adam. Als mann-in is zij daarom niet een sloof, maar een koning-in. Ook de vrouw heeft dus wel degelijk 'exousia'!
En zo zijn we dan, door de kwalificatie "heerlijkheid van haar man" uit v. 7 voor de vrouw in rekening te brengen, van de moeilijkheid af die we ondervinden, als we bij .'exousia' in v. 10 denken aan de exousia van den man.
Een moeilijkheid die vBr. terecht onoverkomelijk acht: "Men moet in gedachten ongeoorloofd veel toevoegen aan Paulus' woorden om er in te kunnen leggen dat de vrouw een hoofdbedekking moet dragen als teken van háár onderwerping aan het gezag dat de mán over haar heeft" , blz. 63. Het gaat in v. 10 inderdaad niet over de exousia van den man (over zijn vrouw), maar over de exousia van de vrouw (die zij aan haar man ontleent).

Betekenisoverdracht
Wat zou het nu kunnen betekenen, als Paulus wil, dat ze die exousia op haar hoofd heeft? Zou het niet kunnen zijn, dat de apostel hier als 'exousia' betitelt het symbool, het teken van haar exousia?
Als ik een parallel-van dit type betekenisoverdracht zou-moeten noemen, dan denk ik aan de benaming 'Gods sterkte' voor 'de ark' in Ps. 78, 61. De ark symboliseerde Gods kracht; was voor Israël, als het ten strijde trok, het teken, dat hun machtige God vooropging. Daarom heet de ark elders (Ps. 132,8) 'de ark van Gods sterkte'. Maar die ark, die van Gods sterkte getuigt, wordt in Ps. 78, 61' met Gods sterkte vereenzelvigd.

Naar twee kanten
En zo komt in v. 10 die hoofdbedekking van de vrouw nog eens terug, maar nu onder een ander aspect. Die 'palla' (of wat het maar gewéest mag zijn) spreekt nu niet zozeer van het onderworpen zijn van de vrouw aan haar man, maar veeleer van haar gemachtigd zijn door haar man. Markeerde die hoofdbedekking in eerster instantie haar positie ten opzichte van haar meerdere, nu (na v. 7) markeert zij haar positie tegenover haar minderen. De vrouw is vergelijkbaar met de officier uit Mt. 8, 9, die van zichzelf weet: "ik ben een ondergeschikte", maar dan vervolgt: "met soldaten onder mij; en ik zeg tot den een: Ga heen, en hij gaat heen; en tot een ander: Kom, en hij komt; en tot mijn slaaf: Doe dit, en hij doet het". Welnu, een officier is kenbaar aan de sterren op zijn kraag. Die symboliseren het gezag, hem van hogerhand verleend. Maar wil hij dat gezag over zijn manschappen kunnen laten gelden, dan moet hij die tekenen van zijn rang ook dragen. Voor zijn ondergeschikten moet hij herkenbaar zijn als iemand aan wien gezag over hen is verleend. Wel, zo moet een vrouw laten zien, dat zij als gevolmachtigde in dit leven staat. Daarbij dient haar hoofdbedekking als de sterren op haar kraag. En ook zij moet het symbool van haar volmacht drágen, om voor haar ondergeschikten kenbaar te zijn als gezagsdraagster. Zo is de palla 'à double usaçe': naar boven toe betuigt de vrouw daarmee haar ontzag, naar onderen toe toont ze daarmee haar gezag.

Dienende geesten
En wie zijn nu volgens Paulus haar ondergeschikten? Ik denk: de door Paulus hier genoemde engelen. Van hen heet het immers: "Zijn zij niet allen dienende geesten, die uitgezonden worden ten dienste van hen die het heil beërven?", Hebr. 1, 14.
Hoe de dienstvaardigheid van de engelen aan het licht treedt als reactie op onze erkenning van het over ons gestelde gezag, zien we gedemonstreerd aan den tweeden Adam. Als Jezus in zijn antwoorden aan den duivel Gods gezag over Zich en zijn doen heeft hoog gehouden, dán komen engelen en dienen Hem, Mt. 4, 11.
Ik kom nog even terug op dien officier uit Mt. 8, 9. Deze man heeft vanuit zijn eigen positie die van Jezus verstaan.
Hij had een autoriteit boven zich (de stadhouder of de keizer zal dat geweest zijn; wij weten niet, wien hij precies op het oog heeft, als hij zichzelf 'ondergeschikte' noemt). Maar vanwege de volmacht, hem door zijn superieur verstrekt, behoeft hij zijn opdracht niet op z'n eentje uit te voeren.
Hij krijgt, juist vanwege zijn positie als gevolmachtigde, mannetjes onder zich. "Zo is het ook met U", zegt hij tegen Jezus. "God uit de hemel heeft U gemachtigd en belast met een taak op aarde. Maar dan kan het niet anders, of Hij heeft U een aantal van zijn 'manschappen' ter beschikking gesteld. U staan vast wel engelen ten dienste. Nu, een daarvan kunt U er wel op uit sturen om mijn knecht te genezen. Dat behoeft U niet zélf te doen". Het verrast Jezus, dat deze man door heeft, waarop Hij eens Nathanael heeft moeten attent maken. Als deze verbaasd is over het feit, dat Jezus op zo grote afstand kan zien, dan zegt Jezus: "Je zult verbazingwekkender dingen te zien krijgen. Je zult zien, dat Ik ook op grote afsand kan werken! Je zult ervaren, dat engelen Mij ten dienste staan, die Ik kan sturen, waarheen Ik wil", Joh. 1,51.52.

Rapportage
Wij zien de algemeen dienende taak van de engelen t.o.v. ons, gelovigen, in enkele Schriftplaatsen nog wat verbijzonderd.
Zo zegt Jezus in Mt. 18, 10: "Ziet toe, dat gij niet één dezer kleinen veracht. Want Ik zeg u, dat hun engelen in de hemelen voortdurend het aangezicht zien van mijn Vader, die in de hemelen is". Daaruit meen ik te moeten begrijpen, dat de engelen in de gaten houden, wat Gods kinderen hier op aarde wordt aangedaan; en dat ze dat elke dag aan den Heere God rapporteren, zodat Hij daartegen zijn maatregelen kan nemen.

Gebedsdienaars
Een tweede verbijzondering is van nog meer direct belang, denk ik, voor het verstaan van ónze tekst. In Op. 8, 3 horen we van een engel die de gebeden van alle heiligen legt op het gouden altaar voor de troon van God. Wel, het gaat hier in 1 Cor. 11 over de biddende vrouw. Als ik Paulus dan ook goed begrijp, bedoelt hij hier met de woorden "terwille van de engelen"
hetzelfde als wat Petrus als volgt uitdrukt: "opdat uw gebeden niet belemmerd worden", 1 Petr. 3, 7. Gebeden kunnen onderweg van hier naar de hemel blijkbaar stagneren (zoals de konvooien van hulporganisaties in Bosnië). De engelen kunnen, als ze daartoe in onze houding aanleiding vinden, onze gebeden wel eens niet doorlaten.
En nu het frappante: Petrus adresseert de pas van hem aangehaalde woorden aan de mannen; en dat in een aansporing, in hun samenleven met hun vrouwen begrip voor haar op te brengen en haar met respect te bejegenen.
Het rekening houden met de dienstvaardigheid der engelen terzake van onze gebeden wordt dus evenzeer den man als de vrouw in hun onderlinge relatie ingeprent. Als de vrouw 'door de sterren van haar kraag te trekken' haar man regeert, en op eigen houtje buiten haar man om handelt - dát bedoelt Paulus in 1 Tim. 2, 12 met het door hem gewraakte authentein anäroe"
- dan hebben de engelen maling aan haar gebed. Maar evenzeer: als de man zijn vrouw negeert, haar niet met alle teder begrip tegemoet treedt en haar met alle égards behandelt, dan gaan de engelen in staking, als hij bidt.

Twee-eenheid "inden Heer"
En daarmee zijn we dan gekomen aan v. 11: 'de vrouw niet zonder den man'; maar evenmin 'de man zonder de vrouw'. En hier bereikt voor mijn gevoel de 'spiraal' haar hoogtepunt. Paulus markeert dat, dunkt mij, al aanstonds in de nadruk waarmee hij deze uitspraak introduceert. 'Plèn' ('En toch' NBG), zo begint de zin. Dat woordje brengt met klem onder de aandacht, 'wat men vooral niet mag vergeten. We zouden het kunnen omschrijven met: "Intussen moet men wél bedenken, dat ...".
Men moet dus, zegt de apostel, goed in de gaten houden, dat met het adagium 'de vrouw niet zonder den man' niet àlles is gezegd. Dat dit maar de halve waarheid is. Daarbij hoort als onmisbare tegenhanger: 'de man niet zonder de vrouw'.
Er is nl. sinds de schepping (én de val) geschiedenis gemaakt. Na de schepping van Eva uit Adam krijgen we de voortplanting van den mens (Gen. 3, 16). Sindsdien is er geen man ter wereld gekomen anders dan uit een vrouw. (v. 12). Inzoverre compenseert, 'zo zou men kunnen zeggen, de afhankelijkheid van man t.o.v. vrouw in de gang der geboorten reeds enigermate die van vrouw t.o.v. man bij de schepping. Maar er is méér! Hier in v. 11 valt opeens de voor Paulus zo kenmerkende bepaling "in den Heer". Behalve de schepping, waarnaar de apostel in de verzen 7-9 verwees, is er ook de herschepping, de verlossing.
Die reeks van uit een vrouw geboren mannen (vgl. v. 12) culmineert in Jezus Christus, "geboren uit een vrouw"
(Gal. 4, 4)3. En in Hem zijn wij, ongeacht of we vrouw zijn of man, kinderen van God; uit God geboren, zonder dat bloed of wellust van de vrouw of geslachtsdrift van den man eraan te pas komen (Joh. 1, 13).
"De vrouw ondergeschikt aan haar man", maar ook "de vrouw gevolmachtigde van haar man". Zo is de scheppingsorde. Daar gaat niets van af. Maar daar komt wel iets bij, nl.
beider verlossing in Christus! En het is verrassend, dat juist dit punt ook door Petrus naar voren wordt gehaald: "daar zij ook medeërfgenamen zijn van de genade des levens". Zoals na de bekering van Onesimus diens baas, Philemon, hem terugkrijgt niet zozeer "in het vlees" als wel "in den Heer"
(Phlm. 16 slot), dat wil zeggen: "als méér dan een slaaf, nl. als een geliefden broeder" (v. 16 begin), zo ziet ook in het christelijk huwelijk de man zijn hem onderworpen én hem vertegenwoordigende vrouw niet zozeer onder als wel naast zich geplaatst "in den Heer". Ook in het huwelijk is niet de schepping, maar de verlossing dominant.

Noten
1 Zie daarover mijn artikelen Enkele opmerkingen over het begrip "heeflijkheid" in het NT, Opbouw, jrg. 32, blzz. 244. 245; 254. 255; 260-262; in 't bijzonder blz. 260, kol. 3 en blz. 261, kol. 1.

2 Zie opbouw, jrg. 24, blz. 99.
3 Als Paulus in 1 Tim. 2,15 van de vrouw zegt, dat ze behouden zal worden door het krijgen van kinderen, dan vernedert hij daarmee de vrouw niet tot een producente van kindertjes, maar dan heeft hij, gezien het voorafgaande vers, stellig het woord uit Gen. 3, 15 in gedachten dat "het kroost van de vrouw den slang de kop zal vermorzelen"
en zo redding voor de mensheid zal bewerken. Hoezeer de genoemde tekst Paulus vooraan in de geest lag, blijkt uit Rom. 16, 20.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief