Een vaste burcht (Gez. 401)
1993-10-22
"Zeg aan uw heer dat, al waren er in Worms zoveel duivels als pannen op de daken, ik er toch heen zou gaan." Dat was Luthers antwoord, toen zijn vriend, de hofdichter Spalatinus, boden naar hem toestuurde met de waarschuwing niet naar Worms te gaan. Ook andere vrienden waarschuwden hem: "Er zijn in Worms zoveel kardinalen en bisschoppen!- Jaargang 37
- nummer 22
Ze zullen u verbranden, zoals ze met Hus hebben gedaan!" Ook zij krijgen een pittig antwoord: "Al was de ganse weg van Wittenberg naar Worms één groot vuur, waarvan de vlammen tot aan de hemel reikten, dan zou ik in de naam des Heren er doorheen wandelen, vóór hen verschijnen en de Heer Jezus belijden."
"Christus leeft!" houdt hij zijn bezorgde vrienden voor, en aan Spalatinus schrijft hij: "Met de hulp van Christus zal ik het Woord op het slagveld niet verlaten." Luther gaat. Onderweg wordt hij overal luid toegejuicht. Als een overwinnaar rijdt hij Worms binnen. De mensen drommen in de huizen en in de straten samen om een glimp van de reformator op te vangen. Sommigen gaan op het dak staan en nemen pannen weg om een steunpunt voor hun voet te hebben. Zo slinkt het aantal dakpannen in Worms. Maar het aantal duivels?
“Tenzij door de Schrift"
Als Luther de volgende dag voor keizer en kardinalen staat, raakt hij van al die hoogwaardigheidsbekleders diep onder de indruk. Volgens sommigen wordt hij daar door vreesachtigheid overvallen. In ieder geval gebruikt hij geen ferme woorden, maar stelt zich bescheiden op. Luther is reformator, geen revolutionair. Als men van hem verlangt dat hij al zijn geschriften zal herroepen, vraagt hij om 24 uur bedenktijd. De dag daarop voert hij vier uur lang het woord, waarbij hij zijn tegenstanders uitnodigt hem uit het Woord van God van zijn ongelijk te overtuigen. Tenslotte dwingt de kanselier hem tot een antwoord: herroept hij zijn geschriften, ja of nee? Luthers antwoord is uiterst eenvoudig: "Welnu, dan zal ik een antwoord geven dat niet bijten of stoten zal. Tenzij ik overtuigd word door de Schrift of door juiste redenering, kan noch wil ik iets herroepen. Het is veilig noch juist om tegen je geweten in te gaan. God sta mij bij. Amen." Keizer Karel verklaart hem vogelvrij. In een edict richt hij zich tot alle inwoners van zijn rijk: "Gij zult voornoemde Luther gastvrijheid, onderdak en een bed weigeren; niemand zal hem voeden en verzorgen met eten en drinken. Waar gij hem ook tegenkomt, zult gij hem gevangen nemen en aan Ons uitleveren. Wat betreft zijn vrienden en volgelingen, bevelen wij dat gij ze zult aanvallen, overmeesteren, hun bezittingen grijpen en aan hen ontworstelen en ze tot uw eigen bezit maken. Wat betreft de boeken van Maarten Luther, bevelen wij dat niemand het zal wagen ze te kopen, verkopen, in zijn bezit te hebben, te vermenigvuldigen of te drukken; of ze aan te hangen, te prediken of te verdedigen of op enigerlei wijze voor ze op te komen. Wij verordenen dat de werken van Luther verbrand zullen worden en zó en door andere middelen vernietigd zullen worden." Daar op de Rijksdag te Worms in 1521 begint zich de achtergrond te vormen voor Luthers 'Ein feste Burg', waarvan het 4e couplet in de Liedboek-vertaling luidt:
Gods heilig woord alleen houdt stand,
Gods waarheid zal ons staven.
Hij leidt ons en met milde hand
schenkt Hij zijn geestesgaven.
AI rooft de tyran
ons wat hij maar kan,
ons goed en ons bloed, laat hem zijn overmoed!
Gods rijk blijft ons behouden.
Luthers eerste lied
Een jaar eerder, in 1520, had Paus Leo met soortgelijke bewoordingen als die van keizer Karel, de kerkelijke banvloek over hem uitgesproken. Luther en zijn volgelingen zouden in het vervolg "geëxcommuniceerden, vervloekten, veroordeelden, ketters, hardnekkigen zijn, beroofd van al hun bezittingen. De trouwe christenen, allen zonder uitzondering, zal worden aangezegd deze mensen te schuwen." Toch houdt Karel V zich aan zijn belofte van vrijgeleide. Luther komt niet, zoals Jan Hus een eeuw eerder, op de brandstapel. De eerste 21 dagen is hij veilig. Vrienden ontvoeren hem naar de Wartburg. Daar smeedt hij het Wapen tegen de duivel door het Woord van God in het Duits te vertalen, zodat voortaan ied,ereen het kan lezen.
Begin juli 1523 bereikt hem een ontstellend bericht: op de Groote Markt in Brussel zijn twee van zijn aanhangers, jonge Augustijner monniken, levend verbrand! De eerste 'slachtoffers' van zijn reformatie zijn gevallen: Johannes van Essen en Hendrik Voes. Zo moedig als hij op de weg naar Worms zijn eigen martelaarsdood onder ogen zag, zo radeloos is hij nu. Enkele dagen is hij de vertwijfeling nabij. Het is zijn schuld dat deze jongemannen moesten sterven! Als hij het nu eens bij het verkeerde eind heeft, dan zijn ze door zijn toedoen in het eeuwig verderf terechtgekomen! Het zal niet de laatste keer zijn dat Luther door twijfel wordt besprongen. Maar na enkele dagen richt hij zich fier óp. Hij grijpt de luit en dicht zijn eerste lied, dat hij opdraagt aan de christenen in Holland, Brabant, Vlaanderen en Henegouwen. Hij schrijft er boven: "Een nieuw lied voor de twee martelaren voor Christus, te Brussel door de Leuvense 1 sofisten verbrand." Het wordt... een danklied!
Ein neues Lied wir heben an,
Das walt Gott, unser Herre,
Zu singen, was Gott hat getan
Zu seinem Lob und Ehre:
Zu Brussel in dem Niederland
Wohl durch zween junge Knaben
Hat er sein Wundermacht bekannt,
Die er mit seinen Gaben So reichlich had gezieret.
Der erst recht wohl Johannes heiszt, 2
So reich an Gottes Hulden,
Sein Bruder Heinrich nach dem Geist,
Ein rechter Christ ohn Schulden:
Von dies er Welt gescheiden sind,
Sie han die Kron erworben,
Recht wie die frummen Gotteskind'
Für sein Wort sind gestorben,
Sein Märt'rer sind sie worden.
Lutherse eerste gezang was een lied van troost voor de gelovigen in de Nederlanden: Johannes en Hendrik zijn niet voor niets gestorven, hun dood heeft God verheerlijkt (Johannes 21:19). Spreekt het mij zo sterk aan, omdat ik de namen Johannes Hendrik draag? In zijn boek 'Tussen de regels, de samenhang van kerkgeschiedenis en kerklied' schreef C.P. van Andel over Luthers eerste lied (blz. 62): "De toon van dit 'nieuwe gezang' is blij en opgewekt.
In 12 strofen beschrijft de dichter de martelaarsgeschiedenis van zijn ordebroeders, die als eersten werden waardig gekeurd het leven te geven voor de goede zaak. Het valt op dat dit lied een merkwaardige parallellie vertoont met vele martelaarsliederen uit de eerste eeuwen der kerkgeschiedenis. Ook toen was het niet de bedoeling van de dichters een erezuil op te richten voor de martelaren, maar God te danken en te loven voor het voorbeeld van trouwen vastberadenheid, dat Hij aan zijn kerk schonk. De gebeurtenis in Brussel heeft diepe indruk op Luther gemaakt. Het was duidelijk tot welke consequenties zijn optreden kon leiden. (...) Zo werd de dichter geboren, die in het lied de mogelijkheid vond zijn diepste gedachten onder woorden te brengen."
Islam 1529
Maar de duivel had meer noten op zijn zang. Op 17 oktober 1529 hoort Luther dat de legers van de Turkse sultan voor de poorten van Wenen staan. De Balkan is goeddeels veroverd. Gaat Europa hetzelfde lot tegemoet als Noord-Afrika en het Byzantijnse Rijk en worden volgende generaties uit de Koran onderwezen in plaats van uit de (door Luther met zoveel passie vertaalde) Schrift: het Woord van God, die wél een Zoon heeft? De schrik slaat de reformator om het hart.
Een week later hoort hij dat de Turken het beleg hebben moeten opgeven.
Het gevaar van een islamitisch Europa is afgewend! Velen menen dat dát het moment is waarop Luther de luit grijpt en zijn meest bekende lied wordt geboren:
Ein teste Burg ist unser Gott, ein gute Wehr und Waffen.
Er hilft uns trei aus aller Not,
die uns jetzt hat betroffen.
Der alt böse Feind mit Ernst ers jetzt meint:
gross Macht und viel List
sein grausam Rüstung ist,
aut Erd ist nicht seinsgleichen.
Mit unsrer Macht is nichts getan, wir sind gar bald verloren;
es streit für uns der rechte Mann, den Gott hat selbst erkoren.
Fragst du, wer der ist?
Er heisst Jesus Christ, der Herr Zebaoth,
und ist kein andrer Gott, das Feld muss er behalten.
Und wenn die Welt voll Teutel wär und wollt uns gar verschlingen,
so türchten wir uns nicht so sehr, es soli uns doch gelingen.
Der Fürst dieser Welt,
wie saur er sich stellt, tut er uns doch nicht;
das macht, er ist gericht'.
Ein Wörtlein kann ihn tällen.
Das Wort sie sollen lassen stahn und kein' Dank dazu haben;
er ist bei uns wohl aut dem Plan
mit seinem Geist und Gaben.
Nehmen sie den Leib, Gut, Ehr, Kind und Weib;
lass tahren dahin, sie habens kein' Gewin,
das Reich muss uns doch bleiben.
Wie is de vijand?
De oude legende wil dat 'Ein feste Burg' is ontstaan op de Rijksdag te Worms. Maar in de verschillende gezangboeken die Luther in 1524 laat verschijnen, komt het lied niet voor. Vóór 1528 zijn er geen bewijzen van zijn bestaan. Later werd aangenomen dat Luther het in 1529 schreef, toen de Turken waren weggetrokken van Wenen. Ook die theorie wordt intussen aangevochten. In het 'Compendium bij het Liedboek voor de kerken' schrijft Ad den Besten bij gezang 401: "Wil helm Lücke meent op goede gronden te mogen aannemen dat het tusen 1526 en 1528 geschreven is. Dat was een tijd vol persoonlijke aanvechting in Luthers leven, een tijd waarin bovendien verscheidene van zijn vrienden door de pest werden weggerukt. Lücke heeft aangetoond dat de woorden en beelden van het lied een grote mate van overeenkomst hebben met de bewoordingen die we in deze periode in enkele van Luthers brieven aantreffen."
Tot zover Ad den Besten, die het lied samen met Jan Wit voor het Liedboek vertaalde. Ik hoop hierboven te hebben aangetoond dat bepaalde bewoordingen die Luther in 'Ein feste Burg' bezigt, ook tijdens de Rijksdag te Worms al tot zijn 'jargon' behoorden.
Er is een constante in Luthers leven, en als men de inhoud van het lied alleen wil verklaren vanuit een directe aanleiding, loopt men gevaar de betekenis ervan te versmallen. Waarom is men er zo nieuwsgierig naar wat de directe aanleiding tot 'Ein feste Burg' is geweest? Het gaat om meer dan historische interesse, men verbindt er vaak nogal vergaande konklusies aan. De vraag naar de aanleiding wordt dan onmiddellijk verbonden met de vraag wie Luther bedoelde met de vijand in het 1e couplet. AI in 1531 funktioneerde het gezang als hét protestantse strijdlied tegen de roomsen.
Het verhaal dat het te Worms is geboren past daar goed bij. De vijand is dan natuurlijk de Paus en zijn wapentuig de inquisitie. (Nog tot in onze eeuw hanteerden Nederlandse protestanten de woorden "Hier stá ik! Ik kan niet anders!"
als wapen om de roomsen eronder te houden.) Toen de gedachte postvatte dat Luther zijn lied schreef n.a.v. de Turkse belegering van Wenen, werd de conclusie getrokken: de vijand in de 1e strofe is niet de Paus, maar de Turkse sultan; Luther richt zich in dit lied niet tegen de roomsen, maar tegen de mohammedanen. Maar nu, nu de Turken "vreemdelingen en bijwoners binnen onze poorten" zijn - of genaturaliseerde Nederlanders en Duitsers, moeten pest en problemen hen als aanleiding tot 'Ein feste Burg' vervangen. Pest en problemen kunnen zich per slot niet emanciperen, Roomsen en Turken kunnen dat wel (al bewijzen de beelden van Mölln en Solingen hoe broos die emancipatie kan zijn!).
Onze aanvoerder
'Vlees en bloed' spelen in deze interpretaties een m.i. te belangrijke rol. De Witten bergse nachtegaal zingt in dit lied niet "tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten" (Efeze 6:12). "Der alt böse Feind" in de 1e strofe is niet de Paus, de sultan, de perikelen of de pest, maar de oude slang, die al in het paradijs probeerde Gods woorden verdacht te maken! De Turkse sultan met zijn legers ('gross Macht'), de Paus met zijn inquisitie ('viel List'), de pest die haar duizenden versloeq ('gross Macht') en de aanvechtingen die een christen bespringen juist op het moment dat hij zwak is ('viel List'), vormden in die tijd de stukken van Satans uitrusting, de "overmacht die hij in het veld bracht". "Zijn gruwelijke uitrusting" noemt Luther dat. Satanstuig. In de volgende coupletten houdt Luther het beeld van een veldslag vol". Ik zal deze strofen stuk voor stuk bespreken.
Strofe 2: Tegenover die overmacht van de duivel zijn wij vrijwel onmiddellijk verloren. Maar dan treedt de juiste man voor ons in het strijdperk, door God zelf uitverkoren. Wie hij is? Jezus (= de HERE redt). Christus (= Gezalfde). De Heer Zebaoth (= de Heer van de legerscharen). Die laatste naam wordt in het Oude Testament voor God zelf gebruikt: JHWH Zebaoth. Luther schrikt er niet voor terug deze naam aan Christus te geven: in Jezus staat God zelf ons met al zijn engelen terzijdel. Hij is de enige die "het veld kan behouden": Hij heeft de overheden en machten ontwapend en zo over hen gezegevierd .... aan het kruis (Kol. 2:15). Wie zijn kruis opneemt en Christus navolgt, sluit zich aan bij een overwinnend leger: daarvan zingt Luther in
Strofe 3: Als je strijdt aan de kant van de Heer van de legerscharen, is die helse overmacht opeens niet meer zo afschrikwekkend: "AI was de wereld vol duivels, die ons wilden verslinden met huid en haar, toch zijn we niet zo bang meer, want het zal ons tóch GELUKKEN! Zo verschrikkelijk als de overste van deze wereld zich tegenover ons opstelt, zo verschrikkelijk kan hij ons niet treffen: dat komt omdat hij al veroordeeld is. Eén woordje kan hem doen vallen. "
Strofe 4: In de laatste strofe maakt Luther duidelijk welk wapen Christus ons in de hand drukt om sterk te kunnen staan tegenover de Tegenstander. Het is het woord dat Jezus zelf hanteerde, toen ook Hij door de duivel werd verzocht: "Er staat geschreven". Luther noemt als wapens: het Woord, en de Geest met zijn gaven. De Satan kent het Woord namelijk ook en hij weet het te hanteren, zelfs tegenover Jezus in de woestijn. Alleen de Geest kan ons leren het Woord trefzeker te richten in dienst van de Gekruisigde 4. Ook al betekent dat...het kruis: "Al nemen zij lichaam, goederen, eer, kind en vrouw van ons at: teet het maar varen - het levert hun geen winst op en 6ns blijft het Rijk behouden." Zo beëindigt Luther zijn lied. AI kunnen we het kruis niet ontlopen (wil hij zeggen), de overwinning kan men ons niet meer afpakken: als we delen in Jezus' lijden, is dat om ook te delen in zijn verheerlijking (Rom. 8:7). Hij weet wat het is om vanwege zijn trouw aan God ongelijk behandeld te worden.
Islam 1993
Als we op 6 november (mijn verjaardag) op onze jaarlijkse ontmoetingsdag van Open Doors (voorheen Kruistochten) in Ermelo samen dit lied zuilen zingen, zullen we dat doen in solidariteit met de Lijdende Kerk van nu.
Die bevindt zich, na het ineenstorten van het communisme, goeddeels in de wereld van de islam, die net als in de dagen van Luther oprukt: naar het noorden in de voormalige Sovjetrepublieken, naar het zuiden in Afrika. In die wereld neemt geweld tegen christenen hand over hand toe. In Egypte, Pakistan, Nigeria en Soedan sterven martelaren voor Christus. Maar ook in een van de laatste communistische landen, de Chinese Volksrepubliek, is de christenvervolging de laatste paar jaar veel heviger geworden. Zoals een wesp in september, die nog éénmaal steekt voor hij sterft.
De actualiteit van 'Een vaste burcht is onze God' kan ik het beste illustreren met het verhaal van Sunday Adebambo.
Sunday was een jonge Nigeriaan die slachtoffer werd van de onlusten tussen moslims en christenen in het voorjaar van 1992.
Bij die onlusten was Sunday's kerk in brand gestoken en toen hij dat hoorde, ging hij op onderzoek uit. Onderweg stuitte hij op een groep fanatieke moslims, die hem ruw tegen de grond smeten. Toen Sunday in plaats van het verplichte 'Allahu akbar' (Allah is groot) de naam van Jezus aanriep, gaven ze hem nog één kans zijn 'fout' te herstellen. Toen hij opnieuw de naam van Jezus uitsprak, sneden ze hem zijn tong af, evenals zijn geslachtsdelen. AI die tijd bleven zijn handen stijf om zijn Bijbel geklemd. Tot ze ook zijn handen afhakten. Sunday stierf, zich vastklemmend aan Gods Woord en met de naam van Jezus op zijn lippen. Das Reich muss ihm doch bleiben.
Christenen in Rusland bidden al decennialang voor ons; christenen in de vrijheid. Omdat ze bang zijn dat ons geloof meer te lijden heeft van de welvaart dan hun geloof van de vervolgingen te lijden heeft gehad. Willen wij met hen overwinnen?
Noten
1. Luther schreef: 'Löwense Sofisten': een woordspeling met Leuven en Paus Leo.
2. Johannes betekent: de HERE is genadig.
3. In het Compendium bij het Liedboek probeert Ad den Besten bij gezang 401 aan te tonen dat Luther 'Ein leste Burg' niet als een strijdlied heeft bedoeld. Die opvatting heeft gevolgen gehad voor de wijze waarop hij.
samen met Jan Wit, dit gezang vertaalde.
Oktober '94 hoop ik in een artikel in dit blad aan te tonen dat 'Ein feste Burg' van het begin af aan een strijdlied geweest is, zij het dan een dikwijls misbruikt strijdlied.
4. In zijn berijming (Enige Gezangen, nr. 24) vond J.J.L. ten Kate het niet nodig de regels 'Er is bei uns wohl auf dem Plan met seinem Geist und Gaben' te vertalen. Wellicht paste het niet bij zijn heldentenor.