Post uit Rwanda

1993-01-29
  • Jaargang 37
  • nummer 3
De Bom 11
Langzaam maar zeker begon het tot de kinderen door te dringen wat er gebeurd was. Er was een bom ontploft in hun hotel, alle ramen waren eruitgesprongen en dat witte poeder, dat was natuurlijk van het plafond. "Zijn er mensen dood?" vroeg Antoinette aan de buurvrouw toen ze bij haar in de kamer zaten. "Ik weet het niet, zei ze, ik kwam immers net aanlopen." Ze zwegen een tijdje. Antoinette dacht aan Thomas de kok, die ze bijna. net zo lief vond als haar eigen vader, ze dacht aan Xaverine, de serveerster, ze dacht aan Benoit, achter de bar en hoemeer namen ze zich tebinnen bracht hoe angstiger ze werd. Stel je voor dat ze dood zijn!! "Buurvrouw, laat me gaan kijken", smeekte ze. De buurvrouw begreep haar best. "Luister, ik zal gaan kijken en ik vertel jullie wat ik heb gezien. Oké? Blijf hier, denk aan jullie moeder, beloof me dat jullie hier blijven." De kinderen knikten, er zat niet veel anders op. Het duurde eindeloos voordat de buurvrouw terug was. Eindeloos en de kinderen fluisterden alle namen van mensen die in het hotel waren en misschien in het hotel waren. Toen kwam buurvrouw terug.
"Het is een wonder, zei ze, het is echt een wonder, er is geen mens dood! Er zijn er een heleboel naar het ziekenhuis met wonden van het glas, maar er is er maar één die bewusteloos was, de rest kon zelf lopen en de dokter zei dat Robert, die bewusteloos was, ook niet levensgevaarlijk gewond is. Het is werkelijk een wonder. Er is niet één muur ingestort, en het plafond is licht materiaal. Het is echt een wonder." De kinderen keken haar aan. Ze konden het niet geloven. Buurvrouw zei dit natuurlijk om ze niet ongerust te maken.
Ze wisten niet wat ze zeggen moesten. "Mogen we... mogen we... we willen toch graag zelf kijken", zei Jean toen heel zachtjes. "Waarom, jullie lopen daar in de weg." antwoordde de buurvrouw. "We willen zien of het echt.." begon Antoinette.
"Wat, geloven jullie me niet?" de buurvrouw trok haar wenkbrauwen op maar het leek wel of ze zich meteen bedacht. "Nou ja, zei ze toen, ik kan het ook wel begrijpen. Oké, jullie gaan even kijken. De gewonden zijn allemaal weg. GaIniet naar binnen, want er kan nog steeds iets instorten. Ga kijken en kom dan terug." Floep, de kinderen waren al verdwenen. "Die maken wat mee." zei de buurvrouw tegen zichzelf met een diepe zucht.

Lieve help, wat een mensen!! Toen ze op straat stonden wisten Antoinette en Jean niet zo gauw waar ze heen moesten.
Het stond zwart van de mensen.
Er kon geen auto meer over straat. Er waren een heleboel soldaten met hun grote geweren. "Kom, zei Jean, we proberen tussen de mensen door te kruipen om dichterbij te komen." Hij gaf Antoinette een hand en dook in de massa. Het ging prima. Soms hield iemand ze tegen, maar dan werden ze meteen herkend en liet men ze gaan.
Binnen de kortste tijd stonden ze vlak voor het hotel waar moeder, midden tussen de glasscherven stond te praten met de commandant van de soldaten.
Xaverine, de serveerster stond naast haar en was aan het vertellen: "Toen gooiden ze een zak met iets er in onder tafel door in de bloembak."
"Zo, bromde de commandant en u laat iemand zo eeruborn in de bloembak gooien." "Ik wist toch niet dat het een bom was." verdedigde Xaverine zich.
"U had even kunnen kijken en ons waarschuwen."Ik liep met een blad vol glazen, protesteerde Xaverine, ik wilde gaan kijken maar toen was het al te laat, en waar had ik u vandaan moeten halen?" "Hoho, riep de commandant, niet brutaal worden juffrouw."
"Kom, kom, suste moeder, maar je kende die man .dus niet hè?" "Nee, jammerde Xaver.ine, maar het was een soldaat in uniform en zijn bier heeft hij ook niet betaald." Opeens zag Antoinette Thomas verschijnen. Ze kon het niet helpen dat ze ineens weer moest proesten van het lachen. Daar stond Thomas in zijn lange koksjas. Zijn haren waren wi,t, alsof hij in een ogenblik helemaal grijs was geworden. Zijn gezicht was ook wit met grote donkere vegen, behalve.zijn neus die was donker, die had hij zeker schoongewreven omdat het kriebelde. Hij droeg de zware kassa met beide handen en had zijn belangrijkste kookboek op het hoofd. "Madame, riep hij tegen moeder, waar moet die kassa heen, en moeten de potten en pannen er ook uit?" Moeder draaide zich om. "O Thomas, even kijken, eh.." "Geef die' kassa maar mee." zei Félicien, een goede vriend van moeder. "Graag, dank je, antwoordde moeder, en laat die potten en pannen maar staan. We kunnen er niet alles uithalen; we zullen wel iemand op wacht zetten." "Iemand? zei Thomas, u mag wel vijf mensen neerzetten, je kunt aan alle kanten binnenlopen." Moeder zuchtte.
"Maak u geen zorgen, kwam de commandant tussen beide, we laten zoveel soldaten achter als nodig is." Antoinette liep op Thomas toe en pakte hem bij de hand zodra hij van de zware kassa af was. "Thomas, ben je gewond?"
"Welnee kleintje." Thomas keek lief op haar neer. "En jij ook niet zie ik, Goddank." "Maar je hebt bloed op je handen!" "O dat, bromde Thomas, dat is niks." "En daar, bij je oor!"
"Hé? Thomas krabbelde eens "Oh, dat is ook niks."
"En je schoenen, je schoenen zijn helemaal kapot, er steken glasscherven in." "Wat? riep Thomas en hij keek naar zijn voeten. "Wel alle mensen, mijn nieuwe schoenen! De schurken, de lafaards, de bandieten!" En bij elk woord trok hij een scherf uit zijn schoenen.

Jean stond achter moeder. Ze was met iedereen tegelijk aan het praten.
Opeens drong een man zich door de mensen, de man van Xaverine. Toen hij haar zag riep hij luid "Goddank" en sloeg de armen om haar heen. De mensen begonnen te lachen. Zoiets zie je nooit hier dat een man en vrouw de armen om elkaar heen slaan. Ze lieten elkaar dan ook gauw los. Moeder lachte niet, ze keek alleen maar en hield op met praten. Het was of ze opeens heel, heel moe was. "Madame, gaan we vegen?" "Geen sprake van!" bulderde de commandant.
"Eerst een onderzoek." "Ga maar naar huis allemaal." zei moeder, heel zwakjes. "Is er al nieuws van Robert?"
"Ik ga bij hem thuis kijken." riep iemand uit de mensenmassa. "Ik laat het je weten zodra er nieuws is." "Hé, ben je hier" klonk opeens de stem van de buurvrouw. Ze pakte Jean bij de arm "Jullie zouden meteen terug komen."
Nu draaide moeder zich naar haar om "Zijn de kinderen hier?" "Ik kon ze echt niet tegenhouden." verontschuldigde de buurvrouw zich. "Maar jij, zei ze toen tegen moeder, je ziet eruit als een zieke. Ben je bijna klaar?" Moeder haalde haar schouders op. "Ga maar met ons mee." zei de buurvrouw. "Ja, gaat u maar rusten" zei de commandant ook, "we weten u te vinden." "Antoinette" riep Jean. Ze was er al. "Toch is het een wonder dat er geen doden zijn gevallen." zei buurvrouw. "En de feestzaal staat nog helemaal" vulde Jean aan.
Moeder lachte flauwtjes.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief