Is de getrouwde man verdeeld?

1993-01-29
  • Jaargang 37
  • nummer 3
"Maar hij die getrouwd is, wijdt zijn zorgen aan aardse zaken, hoe hij zijn vrouw zal behagen, en hij is verdeeld". 1 Cor. 7, 33, 34a

Discrimineert Paulus?
Een merkwaardige toevoeging, dat slotzinnetje "en hij is verdeeld". Het wekt bevreemding.
Allereerst omdat het voorafgaande niets in die richting doet vermoeden.
Paulus had enkel gezegd: "hij heeft zijn aandacht bij zijn vrouw", nièt: "hij heeft naast aandacht voor den Heer ook nog aandacht voor zijn vrouw".
Had hij dát gezegd, dan zou dit slotzinnetje op een korte noemer hebben gebracht wat de apostel zojuist had gesteld; dan zou het "en (zo) is hij verdeeld" als een logische conclusie hebben geklonken. Nu doet het dat niet.
In de tweede plaats is dit zinnetje vreemd, omdat het straks bij de gehuwde vrouw geen pendant krijgt.
Dáár heet het (v. 34 slot): "Maar zij die getrouwd is, wijdt haar zorgen aan aardse zaken, hoe zij haar man zal behagen". Geen woord over haar gespletenheid.
We zijn dan ook geneigd te vragen: Zijn alleen gehuwde mannen in Paulus' ogen verdeeld, maar gehuwde vrouwen nièt?

Nog meer vragen
Er zijn overigens nog een paar punten die vragen oproepen. Om te beginnen: de op het eerste gezicht wat overtollige toevoeging 'de maagd' na 'de ongehuwde vrouw' in v. 34. (De NBG-vertalers hebben - minder gelukkig i.p.v. te vertalen 'de maagd' gekozen voor de weergave 'de jongedochter'; en i.p.v. 'de ongehuwde vrouw' voor 'zij die geen man meer heeft'.) Een maagd behoort toch ook tot de categorie 'ongehuwde vrouwen'? Waarom wordt ze dan nog eens apart genoemd?
Men heeft wel gezegd: ja, maar de maagd is iemand die nooit getrouwd is geweest. Met 'de ongehuwde vrouw' zal de vrouw bedoeld zijn die haar man heeft verloren. Toch vraagt men zich af, waarom Paulus dan niet het woord 'weduwe' heeft gebruikt. (Vgl. 1 Tim. 5, 5.) In de tweede plaats is opmerkelijk het enkelvoud: "(de ongehuwde vrouwen de maagd) wijdt haar zorg...". Zou die werkwoordsvorm voorop hebben gestaan, dan zou dit enkelvoud niet zo opvallend zijn geweest. Het zou dan door Paulus zijn neergeschreven met het eerstvolgende onderwerp, 'de ongehuwde vrouw' (enkelvoud) in gedachten, waar hij dan in tweeder instantie nog een tweede onderwerp ('de maagd') aan zou hebben toegevoegd.
Dit verschijnsel doet zich veel vaker voor. Maar nu hij ná het noemen van beide onderwerpen ('de ongehuwde vrouw' en 'de maagd') toch het enkelvoud bezigt, steigeren we daar even tegen.

Tekstcritiek
Kijken we nu naar de grondtekst, dan blijken de handschriften hier verdeeld. (Ik moet hier - ook met het oog op een later nog te schrijven artikel, dat de kwestie van 'de vrouw in het ambt' raakt - wel even ingaan op enkele 'vaktechnische' zaken. Wie hierin niet is geïnteresseerd mag dit gedeelte, wat mij betreft, overslaan.) Het Griekse Nieuwe Testament of gedeelten daarvan zijn ons overgeleverd in handschriften en papyri ten getale van ongeveer 5000. Nu worden er in een tekst, als men die met de hand overschrijft, onherroepelijk fouten gemaakt. De genoemde handschriften en papyri verschillen onderling dan ook op tal van plaatsen. (Gelukkig zijn de meeste verschillen niet ècht belangrijk.) Voor een uitgeverscommissie als die van de United Bible Societies, die enkele jaren geleden een nieuwe uitgave van de Griekse tekst van het NT verzorgde, wordt het in zulke gevallen kiezen.
Nu heeft men in de eerste plaats op grond van veel minutieus onderzoek een aantal tekst-typen menen te kunnen vaststellen. Elk daarvan heeft, om zo te zeggen, een hoger of lager waarderingscijfer toegekend gekregen.
Een complicatie is, dat een bepaald handschrift vaak niet consequent een bepaald teksttypevertoont. Meermalen werden bij het overschrijven van een tekst nog andere handschriften vergeleken, aan de hand waarvan verbeteringen (ev. verslechteringen!) in de over te schrijven tekst werden aangebracht. Dan krijgt men een mengtekst.
Het maken van een verantwoorde keuze uit de op een bepaalde plaats overgeleverde lezingen is dan ook geen eenvoudige zaak. Twee soorten overwegingen laat men daarbij gelden:
1) uitwendige. Men vraagt zich af: door wat voor handschriften is een bepaalde lezing vertegenwoordigd? Zijn die oud of jong? Vplgen ze doorgaans het teksttype dat de tekst meestal gaaf pleegt te bewaren, of het teksttype waarin aan de tekst nogal eens lijkt te zijn gedokterd?
2) inwendige. Men gaat na: is er een reden te bedenken waarom lezing a in lezing b gewijzigd zou zijn, terwijl omgekeerd lezingra niet uit lezing b lijkt te kunnen zijn ontstaan? Welke lezing is de kortste? (Overschrijvers hebben nl. nogal eens de neiging verklarende of aanvullende toevoegingen te maken.) Strijdt een bepaalde lezing met het taaleigen van den auteur dien we hier voor ons hebben?
Door alle gegevens van deze aardwaarvan ik nu maar enkele van de voornaamste noemde - tegen elkaar af te wegen kan men op veel plaatsen met een grotere of geringere mate van waarschijnlijkheid concluderen: lezing x verdient de voorkeur.

Verantwoording
Nu heeft namens genoemde commissie Bruce M. Metzger, één van de leden ervan, verantwoording afgelegd van de door haar gedane keuze, en wel speciaal voor die gevallen waar de zaak moeilijk lag. Dat gebeurde in een werk, getiteld A Textual Commentary on the Greek New Testament. Het verscheen in 1971.
Die verantwoording is - begrijpelijkerwijze - beknopt gehouden. (Men zou af en toe wel eens nadere vragen willen stellen.) Toch geeft ze een duidelijk beeld van de pro's en contra's die de commissie heeft gewogen.
Uiteraard is een werk als dit geen dagelijkse lectuur voor predikanten, laat staan voor de doorsneebijbellezers.
Hetïs vooral voer voor mensen als ondergetekende, die een leven lang hun specialisme maken van Griekse palaeografie, tekstgeschiedenis en tekstcritiek. In de nu vierenveertig jaar dat ik uitgaven van Griekse teksten uit andere sectoren van de graeciteit voorbereid, kijk ik natuurlijk graag eens even in de keuken van de buren.
Nu kan men al aanstonds over de grondvragen met deze commissie van mening verschillen. Hebben zij de verschillende teksttypen juist afgebakend?
En vooral: is hun waardering voor de diverse teksttypen juist? Met name op hun nogal denigrerende bejegening van de z.g. byzantijnse tekst is ernstige critiek uitgebracht.(1) Deze vragen nu even daargelaten, moet ik wèl zeggen: een van de sympathieke trekken aan dit verslag van Metzger is. dat hij niet schroomt de onzekerheid van de commissie t.a.v. bepaalde beslissingen openlijk te erkennen. Ook het gebrek aan eenstemmigheid binnen de commissie komt tal van keren onverbloemd naar voren.

Theorie en praktijk
Ook als men de door de commissie gehanteerde innerlijke en uiterlijke criteria in grote lijnen als juist erkent, zal men toch bij de toepassing van deze criteria niet altijd tot dezelfde conclusie komen als deze commissie.
Voor een deel zal dat het gevolg zijn van het feit dat voor den één een bepaald argument in een bepaalde context zwaarder weegt dan voor den ander. Voor een deel ook van het feit dat men argumenten - en dan met name interne argumenten - aandraagt die de commissie wellicht niet onder de aandacht zijn gekomen.
Nu, doordat deze commissie niet alleen (in de z.g. apparatus criticus) ons alle relevante tekstcritische gegevens aanreikt, maar ons ook haar beoordeling daarvan geargumenteerd voorlegt, krijgen wij alle gelegenheid de tekstcritische vragen die zich bij de bestudering van het NT voordoen, zelf te heroverwegen, en eventueel tot een andere keuze te komen.

Een moeilijke keus
Dit ter algemene oriëntatie. Nu naar de onderhavige tekst.
Om te beginnen markeert de commissie in haar uitgave de door haar afgedrukte tekst met een D, d.w.z. "dat er een heel hoge graad van twijfel bestaat betreffende de lezing die men voor de tekst gekozen heeft"(2). Metzger informeert ons nader als volgt: "Na overweging van de menigvuldigheid van variante lezingen en de onzekerheid van Uitleg besliste de commissie, dat de minst onbevredigende lezing is...". Let wel: niet 'de meest bevredigende', maar 'de minst onbevredigende'.
De commissie is zich bewust geweest met een heel moeilijk tekstcritisch probleem te maken te hebben, en heeft haar uiteindelijke beslissing voor beter gegeven.

De andere lezing
Wat is hier aan de hand? In grote trekken - enkele kleinere verschillen laat ik maar terzijde - het volgende.
Een deel van de handschriften heeft in v. 34 de bepaling 'de ongehuwde' - en de vorm van het lidwoord geeft aan, dat het hier over een vrouwspersoon gaat - niet als bepaling bij 'de vrouw' geplaatst, maar bij 'de maagd'. Hier luidt na 'is verdeeld' de tekst als volgt: "en de vrouwen de maagd de ongehuwde wijdt haar zorg aan...".

Een andere oplossing
Nu wil het mij voorkomen, dat deze andere lezing een veel betere zin oplevert en ons van de boven gesignaleerde problemen, die de door de commissie gekozen lezing oproept, afhelpt, mits men de gangbare interpunctie wijzigt. Ik zou nl. de eerste woorden van v. 34 ('en is verdeeld') niet - zoals dat gewoonlijk gebeurtbij v. 33 willen trekken, maar bij v. 34.
Na de laatste woorden van v. 33 ("hoe hij zijn vrouw zal behagen") zet ik dus een punt. En dan volgt: "En verdeeld is - d.w.z. onderling verdeeld zijn(3)- ook de vrouwen de maagd". En dan komt na een dubbele punt de uitwerking van deze tweedeling: "de ongehuwde wijdt haar zorgen aan de dingen van den Heer, om heilig te zijn naar lichaam en ziel; maar de gehuwde wijdt haar zorgem aan de dingen van de wereld, hoe zij haar man zal behagen".
Het 'is verdeeld' slaat dus niet op den gehuwden man uit v. 33, wiens levenzoals ons tot dusver in de vertalingen werd gesuggereerd - een zekere gespletenheid zou vertonen. Nee, het slaat op de tweedeling die er - precies als in de mannenwereld - ook in de vrouwenwereld te zien valt tussen de gehuwde en de ongehuwde.
Daarmee is
a) van discriminatie van den gehuwden man tegenover de !!jehuwde vrouw bij Paulus geen sprake;
b) het probleem van de toevoeging 'en de maagd' na 'de ongehuwde vrouw' van de baan;
c) een tekst gewonnen waarbij 'de vrouw' en 'de maagd' in omgekeerde volgorde weer worden opgenomen door 'de ongehuwde' (= de maagd) en 'de gehuwde' (= de vrouw). M.a.w. we krijgen nu de stijlfiguur die men 'chiasme' noemt (= kruisstelling); een figuur waarvan deze apostel - zoals we al eerder lieten zien - graag gebruik maakt.

De oorzaak van de fout
Hoe is het nu mogelijk, dat in een aanzienlijk deel van de handschriften de woorden 'de ongehuwde' zijn verhuisd naar een andere plaats, waar ze niet thuishoren?
Daar kunnen we alleen maar naar gissen. Wij moeten goed beseffen, dat de geschiedenis van een tekst door ons gereconstrueerd moet worden op grond van uiteindelijk toch vaak maar schaarse gegevens. Tal van schakels tussen het origineel en de ons bewaarde tekstgetuigen zijn verloren gegaan. Weten doen we vrijwel nooit, hoe een bepaald 'stuivertje' nu precies door de geschiedenis is gerold(4). Het beste dat wij kunnen bereiken, is een enigszins plausibele verklaring.
Wel, ik voor mij heb het' vermoeden, dat een oorspronkelijk gebrek aan interpunctie hier - zoals zo vaak(5) - misverstand heeft gewekt. Is men dan eenmaal na v. 33 ("hij piekert, hoe hij het zijn vrouw naar de zin zal maken') gaan doorlezen: 'en hij is verdeeld', dan blijft men in de volgende zin met een ongerijmd aandoende woordorde zitten: "En de vrouwen de maagd de ongehuwde piekert...". Dan denkt men al gauw: aan 'de maag.d' toe te voegen 'de ongehuwde' geeft geen zin, want de maagd is per definitie ongehuwd; dat 'de ongehuwde' zal dus wel bij 'de vrouw' horen.

De handschriftelijke steun
Over de handschriften die de door ons gekozen lezing steunen, zal ik niet in bijzonderheden treden. Vermeld zij alleen, dat de steun ditmaal voornamelijk van de 'Westerse' kant komtzo o.a. van de handschriften DFG, die naast de Griekse tekst een Latijnse vertaling bevatten, alsmede van een aantal Latijnse kerkvaders, onder wie Ambrosiaster (± 375) - alsook van de Byzantijnse getuigen (de z.g. meerderheidstekst) en de peshitta (een syrische vertaling).
Curieus is, dat een zeer oude papyrus (p46 uit de tweede eeuw), die een zeer hoog aanzien geniet, hier de woorden 'de ongehuwde' op beide plaatsen heeft, dus zowel bij 'de vrouw' als bij 'de maagd'. Dat zou kunnen wijzen op vermenging van twee lezingen, die elk teruggaan op een verschillende traditie.
Maar er is nog een andere mogelijkheid.
Deze papyrus zou - direct of indirect - kunnen teruggaan op dat handschrift waarin oorspronkelijk de bovengenoemde wijziging van de woordorde werd aangebracht. De overschrijver heeft dan wél opgemerkt, dat bij 'de vrouw' de woorden 'de ongehuwde' waren tussengevoegd, maar het is hem ontgaan, dat de woorden 'de ongehuwde' na 'de maagd' dienden te worden weggelaten.
(Men moet nl. weten, dat het 'schrappen' van woorden oudtijds vaak niet geschiedde door middel van een doorhaling, maar door er puntjes onder te zetten. Zulke puntjes nu konden door een overschrijver heel gemakkelijk over het hoofd worden gezien.)

Welke van de twee vermoedens ook juist moge zijn, in elk geval blijkt, dat de foutieve lezing - welke van de twee men dat ook acht te wezen - al heel oud is. En dat ervaart men in de tekstgeschiedenis maar al te dikwijls: dat juist ernstige fouten vaak al héél vroeg zijn ontstaan(6).

Uit- en inwendig getuigenis
Ook hiel weer zien we m.i. bevestigd wat een lange omgang met dit soort problemen ons heeft geleerd: het uitwendig getuigenis kan niet de doorslag geven. Bij herhaling blijkt, dat ook het generaal genomen allerbeste handschrift op een bepáálde plaats toch goed fout kan zitten. En dat een handschrift dat je om de vele fouten die het doorgaans maakt of om de vrijheden die het zich nogal eens veroorlooft, gewoon bent met argwaan te raadplegen, toch op een bepáálde plaats de goede lezing soms als enige getuige heeft bewaard. Meer en meer kom ik dan ook tot de overtuiging, dat inwendige argumenten de doorslag dienen te geven.

Noten
1 Zie J. van Bruggen, De tekst van het Nieuwe Testament (Kamper Bijdragen XVI), Groningen 1976. Harry A. Sturz, The Byzantine Text-Type and New Testament Textual Criticism, Nashville/Camden/New York 1984.
2 Zo Metzger, a.w. XXVIII.
3 Als van een persoon gezegd wordt - zoals hier resp. van 'de vrouw' en van 'de maagd' - dat hij (zij) verdeeld is, dan betekent dat niet altijd, dat er in hem (haar) een breuk ligt, maar ook wel, dat er tussen hem (haar) en een ander een breuk ligt; zie Lc. 12,52, waar een samenstelling (diamerizoo) van het in onze tekst gebezigde werkwoord (merizoo) is gebruikt. In de paralleltekst, Mt. 10,35, geldt hetzelfde voor het synonieme 'dichazoo' (eig. 'in tweeën splijten').
4 Er zijn gevallen waarin we een afschrijver op heterdaad op een fout kunnen betrappen, en die fout ook kunnen verklaren. Zo heeft in een Aristophanes-handschrift (Mg), dat op de Ambrosiana in Milaan ligt, een scriba zich op een dwaalspoor laten brengen door de lay-out van de bladzijde van het handschrift dat hij copieerde, t.w. een handschrift uit Modena (E). Het gevolg was, dat hij een stuk schol iatekst oversloeg. (Wien het interesseert kan het natrekken aan de hand van de foto's van de desbetreffende bladzijden uit E en Mg, die ik voor in mijn uitgave (Scholia in Aristophanem II 3), Groningen 1991, heb laten opnemen.
5 Zie mijn artikelen reeks 'Punten en komma's', Opbouw jrg. 34, blzz. 13, 27, 52, 70.
6 Het ziet er naar uit, dat reeds Aristoteles (384-322 v. Chr.) te maken kreeg met een fout in een tekst van Heraclitus, die zijn werk ± 490 v. Chr. had geschreven; zie mijn Sprünge in die Tieten Heraklits, Groningen 1978, 8. 38/39 met daarbij de noten 24 en 25 (8. 55).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief