Assertiviteit en zelfverloochening (2)
1993-11-05
De bijbel- Jaargang 37
- nummer 23
In het tweede deel van Waarom moet ik altijd helpen? komt de principiële vraag aan de orde, in hoeverre het 'evangelie' van de assertiviteit te rijmen is met het bijbels evangelie. Men zou kunnen denken dat dat probleem in feite is vervallen, nu assertiviteit is uitgelegd als een zodanige eerlijkheid, dat de binnen- en buitenkant van een mens met elkaar in overeenstemming zijn. Want tegen zulke eerlijkheid zal het evangelie van Christus toch geen bezwaar hebben? Dat klinkt zeer aannemelijk; het wordt ook bevestigd door bijvoorbeeld de bepaling van Levitikus 19:17: Gij zult uw broeder in uw hart niet haten; openlijk zult gij uw volksgenoot terechtwijzen.
Ziedaar de aansporing om assertief op te treden: als er diep in je hart kritiek leeft op de ander, breng die dan naar buiten! De liefde tot de naaste - waarover het volgende vers spreekt - houdt kennelijk niet in dat men zijn grieven altijd maar moet inslikken. Toch is hiermee nog niet alles gezegd. Het eigenlijke knelpunt bij het ineenschuiven van het pleidooi voor assertiviteit en het bijbels evangelie, ligt namelijk ergens anders. Niet de eerlijkheid is problematisch, maar het kiezen voor jezelf, tegen de ander. Zeker, Van der Voet wijst erop dat men op assertieve wijze kan komen tot verloochening van zichzelf (116/117).Het is duidelijk dat er in zo'n geval geen sprake is van spanning tussen assertiviteit en christelijk leven. Anders wordt het echter, wanneer men tot het besluit komt om iemand niet terwille te zijn maar aan de behartiging van het eigen belang voorrang te geven. Denk aan de weloverwogen weigering van iemand om zijn vaste wekelijkse avondje sporten op te geven om een ziekenbezoek te kunnen brengen. Dan doet de botsing tussen de 'twee evangeliën' zich in volle hevigheid voelen: in de kerk leer je 'Ja' te zeggen tegen de ander, maar op de kursus assertiviteit 'Ja' tegen jezelf! Ziedaar het wezenlijke knelpunt.
Als psycholoog laat Van der Voet zien hoe ongezond het is, om "het grote innerlijke conflict - 'Kies ik voor mijzelf of kies ik voor de ander?" altijd in het voordeel van de ander te beslissen (70v). Maar als christen kan hij vervolgens niet om de vraag heen, of een keuze tegen de ander zich wel verdraagt met de navolging van Christus.
Niet goedkoop
Het pleit voor hem, dat hij goedkope antwoorden op deze vraag schuwt. Zo acht hij het niet verantwoord, om in het -bijbelse gebod tot naastenliefde een verholen aansporing te horen om voor jezelf op te komen. Velen hebben uit de woorden "Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf" afgeleid, dat de Here God er niet alleen van uit gaat dat een mens zichzelf liefheeft, maar ook de mate waarin men zichzelf liefheeft tot norm verheft voor de liefde tot de naaste. Indirekt zou de Here dus gebieden, dat men zichzelf liefheeft en zo aan het eigen belang soms voorrang geeft ten koste van de ander. De schrijver van Waarom moet ik altijd helpen? gelooft echter niet, dat het gebod tot zelfliefde besloten ligt In de hoofdsom van de wet. "Wie bij het gebod van de naastenliefde stelt dat een mens blijkbaar zichzelf mag of moet liefhebben, is pastoraal juist bezig, maar exegetisch onjuist." (89) Hij wijst erop, dat de Here Jezus de natuurlijke neiging om zichzelf lief te hebben wel veronderstelt, maar niet tot norm aanwijst voor de liefde tot de naaste. Integendeel: Hij draagt zijn volgelingen op, om tegen die machtige natuurlijke neiging in te.gaan. Wie God op de eerste plaats stelt (het eerste en grote gebod), zal ook niet langer egocentrisch de naaste op de tweede plaats zetten (88, 89). Het is werkelijk knap, zoals de theoloog Van der Voet hier de druk van de psycholoog Van' der Voet weerstaat, om de bijbel al te snel aan zijn zijde te krijgen. Hij is daartoe ongetwijfeld alleen in staat, doordat hij beseft dat men de bijbel niet recht doet wanneer men hem leest vanuit een moderne psychologische vraagstelling (81, 82).
Zelfaanvaarding
Dat betekent niet, dat Van der Voet het onmogelijk acht om een verbinding te leggen tussen het evangelie en het moderne spreken over assertiviteit. Hij kiest zelf zijn uitgangspunt in de overweging, dat het evangelie een mens drievoudig uitnodigt tot zelfaanvaarding. De gelovige mag zichzelf aanvaarden als gewild door de Schepper, als vrijgekocht door de Zoon en als ingeschakeld door de Heilige Geest (83-86).Vanuit die zelfaanvaarding mag men een besef van eigenwaarde ontwikkelen, een zeker zelfvertrouwen, Dat is dus niet een steunen op eigen kwaliteiten, maar een zich bevestigd weten door de drieënige God. Zogezien geeft het christelijk geloof alle reden om van jezelf te leren houden!
In die zelfliefde en zelfaanvaarding vindt Van der Voet de basis van assertiviteit (82). En Jezus' oproep tot zelfverloochening dan (Matt.16:24,25)?
In Johannes 12:25spreekt Hij zijn volgelingen zelfs aan op het 'haten' van hun leven in deze wereld! Dat lijkt volstrekt haaks te staan op zelfliefde en zelfaanvaarding. Maar volgens Van der Voet is dat schijn: de Here Jezus zegt zijn leerlingen immers toe, dat zij langs de weg van zelfverloochening hun leven zullen behouden. De zelfverloochening staat dus in het teken van zelfbehoud. Christus vraagt mensen niet hun eigen ik volkomen te ontkennen of zelfs te vernietigen - Hij roept hen op tot de bereidheid alles, zelfs hun eigen leven, prijs te geven terwille van het léven in zijn Koninkrijk (93). Er is voor een christen geen tegenstelling tussen zelfverloochening en zelfliefde.
Juist vanuit de zekerheid, dat God zijn leven tot in eeuwigheid overeind wil houden, kan de gelovige loskomen van de krampachtige drang om zijn hachje te redden. De zelfverloochening is dus gegrond op zelfaanvaarding (109).
Hetzelfde geldt van de dienstbaarheid aan mensen, Met woorden als 'zachtmoedigheid' en 'nederigheid' dringt het evangelie er bij een christenmens op aan, zijn medemens veel ruimte te geven en er op uit te zijn diens belangen te behartigen. Dat betekent, dat men soms veel van zichzelf moet prijsgeven. Hoe ver dat kan gaan, blijkt uit I Johannes 3:16: Hieraan hebben wij de liefde leren kennen, dat Hij zijn leven voor ons heeft ingezet; ook wij behoren dan voor de broeders ons leven in te zetten.
Weer dient de vraag zich aan, of dit niet in strijd is met het motief van de zelfliefde en de zelfaanvaarding. En weer zegt Van der Voet: "Nee!" De zelfaanvaarding is juist voorwaarde voor een leven van dienen. Een mens kan pas komen tot die verregaande bereidheid om terrein aan de ander te verliezen, als hij leeft uit het geloof dat de liefdevolle God zijn leven veilig gesteld heeft (107).
Onbevredigend
Wat hier in enkele zinnen schetsmatig is weergegeven, wordt in het vierde hoofdstuk van het boekje Waarom moet ik altijd helpen? breed ontvouwd (80-109). In een uitvoerige bespreking van allerlei bijbelplaatsen wordt de centrale stelling, dat zelfaanvaarding en zelfverloochening in de bijbel harmonisch samengaan, praktisch uitgewerkt.
Wie de moeite neemt om deze bladzijden aandachtig te lezen, zal er tal van waardevolle en verhelderende opmerkingen in aantreffen. En tochhelemaal bevredigen doet dit gedeelte van het boekje niet. Bij alle mooie dingen die gezegd worden blijft in elk geval bij mij de vraag haken, waar nu 'het grote innerlijk conflict' gebleven is waarover de schrijver het eerder had. "Kies ik voor mijzelf of kies ik voor de ander?" - dát is het eigenlijke dilemma waarvoor mensen in honderden-
een situaties staan. En hoe waar het ook moge zijn, dat je pas voor de ander kunt kiezen wanneer je voor jezelf gekozen hebt - talloze keren moet een mens toch kiezen en is het 'Ja' tegen jezelf een 'Nee' tegen de ander. Naar mijn besef laat Van der Voet dat in het tweede deel van zijn boekje liggen. Zelfverloochening op basis van zelfaanvaarding - dat geeft de schrijver zijn lezers mee. Maar van een botsing tussen die twee wil hij niet meer weten. Zo konkludeert hij: "Als assertiviteit leidt tot kiezen voor zichzelf is zij een tegenstelling van zelfverloochening. Dan is zij vanuit de christelijke ethiek gezien verwerpelijk...
Als assertiviteit is: 'ik kies zelf' (een psychische daad) kan dat best samengaan met 'ik verloochen mijzelf' (een bijbelse opdracht)." Deze woorden onthullen de kracht en de zwakheid van zijn betoog. De kracht is, dat hij aantoont dat je op een assertieve manier kunt dienen, en dat de Here het zo ook wil: wie de ander - subassertiefdient uit angst, heeft in wezen zichzelf lief. Maar in het vuur van zijn betoog stelt hij ook - en daarin ligt de zwakheid ervan - dat 'kiezen voor jezelf' verwerpelijk is. Daarmee gaat hij onbedoeld in tegen de boodschap van het eerste deel van zijn boekje: dat een mens 'nee' mag leren zeggen tegen anderen zonder zich schuldig te voelen (15,71)
Vrijheid
'Kiezen voor jezelf' - het is een geladen uitdrukking. Voor je het weet wordt het het motto van de zelfzucht.
Men mag aannemen dat Van der Voet zulk kiezen voor jezelf op het oog heeft' als hij zegt: dat is verwerpelijk. Maar je kunt ook op een andere manier 'kiezen voor jezelf': niet uit egoïsme, maar omdat je te moe bent om er weer voor een ander op uit te trekken, of omdat je weet dat je depressief wordt wanneer je geen tijd voor jezelf uittrekt, of omdat je vindt dat nu een ander aan de beurt is om over te werken. De grote vraag is, of het evangelie daar ruimte voor laat. Wie goed zoekt in het boekje Waarom moet ik altijd helpen? zal daarin zeker overwegingen vinden die helpen om een bevestigend antwoord op deze vraag te geven.
Toch denk ik dat het meer uitgesproken gezegd kan en moet worden: "Ja, zeker laat het evangelie ruimte voor een kiezen voor jezelf." Dat komt, doordat het evangelie van Jezus Christus het evangelie van de vrijheid is. Het is Luther geweest, die dat op bijna provocerende wijze in het licht heeft gesteld. In 1520 schreef hij zijn beroemd geworden "Van de vrijheid van een christenmens". Daarin poneert hij de volgende twee stellingen:
Een christen is een vrij heer over alles en allen en niemands' onderdaan.
Een christen is een dienstbare knecht van alles en allen en ieders onderdaan.
Dit is echt Luther: twee stellingen die elkaar volmaakt lijken uit te sluiten en die toch bij elkaar horen. Je kunt proberen ze met elkaar te verzoenen, maar dan haal je de spanning eruit. Luther heeft gezien dat het geloof ten diepste iets paradoxaals heeft en dat je die paradoxen niet moet willen wegredeneneren, maar ze gewoon moet laten staan. Zo benadert hij nu ook de christelijke vrijheid. Vrijheid betekent, dat een mens niemands onderdaan is! Maar vrijheid betekent ook, dat een mens ieders onderdaan is!
Zondig dapper...
Wat bedoelt Luther daar nu mee? Bij de eerste stelling denkt hij aan de ontspanning die het leven van genade met zich meebrengt. In zijn eigen leven heeft hij ontdekt, hoe bevrijdend het is om te mogen ophouden met dat eeuwige pogen, jezelf waar te maken bij God. Want wie kunnen bij God de toets der kritiek doorstaan? Niet de geslaagden en de vromen, maar de misdadigers en de mislukkelingen. Luther had er lang niet aan gewild, om als mislukkeling door het leven te gaan'. Maar hoe meer hij probeerde vroom te leven, des ontmoedigder werd hij. Het maakte hem radeloos, zó op z'n tenen te lopen en toch steeds weer aan te lopen tegen z'n onverwoestbare ijdelheid. Want hij wist: God walgt van hoogmoedige ijdeltuiten zoals ik, al leven ze nog zo vroom. Toen brak het inzicht bij hem door, dat de enige uitweg voor hem was om zijn fiasco te aksepteren en zijn hand op te houden bij God, smekend om genade, schuilend bij Jezus Christus. Luther kapte met zijn tot mislukken gedoemde geworstel, om aan zijn eigen en aan Gods hoge eisen te voldoen. Hij ging in op de uitnodiging van de hemelse Rechter, om als mislukkeling in Christus te worden vrijgesproken. Vanaf dat moment voelde hij zich vrij man, en stelde hij zijn leven in dienst van de verkondiging van die vrijheid! Vrijheid, zo zag hij met Paulus in, is dat je je niets gelegen hoeft te laten liggen aan welk oordeel dan ook (vgÎ. I Kor.4:3). Je mag ze vierkant uitlachen, al die opdrijvende stemmen die opklinken in je eigen hart en uit de mond van de mensen om je heen: "Je kunt beter voor de dag komen! Je bent niet ijverig genoeg! Je slaat een figuur als modder! Zóiets mag je niet zeggen! Als je niet méér aan anderen denkt dan ..."
Lak mag je eraan hebben, aan al die gefronste wenkbrauwen, aan al die' afkeurende blikken, aan die veeleisendheid, die strenge normen, die hoge idealen, de regels van het fatsoen. Want in Christus heb je maar met één oordeel te maken: dat van God. En als God jou als mislukkeling, tekortschietend in liefde en falend in de strijd tegen de zonde, vrijspreekt om Christus wil, dan heeft de hele wereld het nakijken! Dat bedoelt Luther met zijn eerste stelling:
Een christen is een vrij heer over alles en allen en niemands onderdaan.
En zo houdt de christelijke vrijheid in, dat er een last van je schouders valt.
Je bent niet meer afhankelijk van mensen, wat ze van je zeggen, hoe ze over je denken. Dat doet niet meer terzake als God vóór je is! Je mag zelfs je eigen geweten het zwijgen opleggen, als het je influistert dat je niet genoeg voor anderen doet, en voor de kerk, en voor God... Je hebt nergens meer een boodschap aan dan aan het woord van de vrijspraak van de goddeloze. Dat vraagt moed, veel moed. Van jezelf aksepteren dát je te weinig doet, dat je tekortschiet, dat je God en mensen en jezelf tegenvalt, is moeilijk. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan: onwillekeurig grijp je altijd weer terug op dat oude principe om te proberen een beter figuur te slaan. Maar die weg van zelfverlossing is een doodlopende weg. Daarom zegt Luther: "Zondig dapper." Heb de geloofsmoed om in gebreke te blijven, dwars tegen alle .
redelijkheid in pleitend op het volbrachte werk van Christus. Wie leeft in deze vrijheid mag de bittere ernst van zich afschudden. Er komt opluchting en ontspannenheid in het leven. Luther zegt: de duivel is een zuurpruim; hij maakt je angstig en gedeprimeerd. Maar in het huis van de hemelse Vader gaat het vrolijk toe. Bij de Here Jezus mag je de boel de boel laten en het gelukzalige gevoel op je laten inwerken: ik bén vrij, en daarom héb ik vrij...!