Kinderen van één Vader
1993-11-05
Herinnering- Jaargang 37
- nummer 23
Bij het lezen van het boekje van ds. Moggré, met de bovenvermelde mooie titel, moest ik terugdenken aan mijn middelbare schooljaren, toen ik ook een boek las, waarin een kerkelijk conflict werd beschreven. Het was het bekende boek van ds. G. Janssen, de Feitelijke Toedracht, waarin m.n. de kerkrechtelijke kant van de Vrijmaking werd beschreven. Ik was toen een jongen van een jaar of 16, en of ik het helemaal heb begrepen weet ik niet, het heeft in ieder geval wel grote indruk op mij gemaakt. De zaak waar het om ging (de zaaksgerechtigheid, zoals dat zo mooi heette) werd me helder en heeft me duidelijk gemaakt waarom wij thuis vrijgemaakt waren. Sterker nog, ik werd er zo waar trots op vrijgemaakt te zijn. Dit vrijgemaakte gevoel kreeg echter een flinke deuk, toen ik als middelbare scholier voor de eerste keer geconfronteerd werd met de kerkelijke conflicten. Tegen de gangbare gewoonte in ging ik vanuit Drachten niet naar het gereformeerd onderwijs in Groninqen, maar naar de christelijke HBS in Drachten. Niet omdat mijn ouders tegen gereformeerd onderwijs waren, integendeel zelfs, maar in het vertrouwen, dat het christelijk onderwijs nog goed was. We waren net uit het Gelderse naar Friesland verhuisd, toen mijn broer en ik rijp waren voor het voortgezet onderwijs. En waar wij woonden speelde de doorgaande reformatie niet zo'n belangrijke rol. Godsdienstonderwijs kreeg ik op de HBS van een vrijgemaakte dominee.
Ds. J.F. Sollie die door zijn kerkenraad werd geschorst omdat hij samen wenste te spreken met de synodale kerkenraad ter plaatse. Wat in Groningen-Zuid speelde met ds. Van der Ziel, daar werden wij nu in het klein mee geconfronteerd, en dat heeft me diep geschokt. Dat een dominee, voor wie je respekt had, zomaar geen dominee meer mocht zijn.
Strijd. maar waarvoor?
Dat kwam allemaal weer boven bij het lezen van het boekje dat ds. Moggré heeft geschreven. Ook hier proef je de emotie, die door de kerkelijke strijd werd losgemaakt. M.n. hoofdstuk 10, over de gang van zaken in Kampen, laat zien hoe een konflikt buiten proporties kan groeien en onbeheersbaar gaat worden. Dan worden er zulke grote woorden gebruikt, zo zwaar religieus geladen, dat elke poging om het conflict in de kiem te smoren, ten dode is opgeschreven. Terwijl in deze kerkelijke zaken het evangelie niet in geding was. Dat dit zo is blijkt uit het feit, dat bijna dertig jaar na dato, nu die geweldige scherpte wat aan het verdwijnen is, er weer toenaderingspogingen worden ondernomen, en er toch meer blijkt te zijn wat verbindt dan wat scheidt.
De verslagen lezend in het nu over de laatstgehouden Generale Synode van de Vrijgemaakte Kerken en de bijeenkomsten van de ICRC blijkt er nu ruimte en aandacht gevraagd te kunnen worden voor zaken die in de tijd van de scheuring taboe waren. De verhouding tussen kerkverband en de plaatselijke gemeente, de plaats van de vrouwen in de gemeente, ruimte voor een andere confessie dan alleen de onze. En ook van vrijgemaakte kant wordt hier en daar de aard van het conflict op voorzichtige wijze relativeerd. AI kom je ook nog regelmatig artikelen tegen, zoals kort voor de vakantie in de Reformatie, waarbij de scherpte nog niet uit de lucht is. De ware kerk Prof. M. te Velde schreef een aantal artikelen over de ware kerk, onder de titel 'Drie of vier ware kerken?', waaruit ik de bekende geur opsnoof van het voorbije verleden.
Wat mij daarin zo irriteerde was niet dat de ware kerktheorie nog zo springlevend bleek te zijn, maar wel het verhullende spreken erover. Vroeger wist je tenminste precies waar je aan toe was, het schema 'ware kerkvalse kerk' stond vast, nu wordt het ons wat genuanceerder uit de doeken gedaan, maar het oordeel is er niet minder om.
Nu niet meer valse kerk, maar scheurkerk of dwalende kerk, "tussen ware en valse kerk kan toch ook nog wel iets zijn, ook al wordt dat in de belijdenis niet genoemd", zegt prof. Te Velde. Dat vertaal ik als 'toch een beetje vals'. Ik vind dat een typisch vrijgemaakt trekje, het moeten hebben van een oordeel over andere kerken om zodoende het eigen bestaan te rechtvaardigen. Het moet wel zo duidelijk aan het licht treden dat een kerk niet meer een kerk van Christus is wil je een kerk een valse kerk durven noemen. Dan moet wel heel nadrukkelijk de naam van de Heiland zelf in geding zijn.
Genuanceerd
Terug naar het boek van ds. Moggré. Ik heb veel waardering voor de wijze waarop hij een stukje kerkgeschiedenis beschrijft, een genuanceerd oordeel uitspreekt over de zaken, die mede ten grondslag hebben gelegen aan de buitenverbandstelling van onze kerken. Ds. Moggré schrijft niet op scherpe toon, ook niet veroordelend, ik vind hem zelfs mild naar de vrijgemaakte broeders toe, terwijl hij ook zelf onder de scheurmakers gerekend werd. Ik heb daar grote bewondering voor. Met betrekking tot het optreden van Prof. J. Kamphuis in de kerk van Kampen, waarbij deze ds. J. Mulder uitmaakte voor een 'wolf in schaapskleren', klinkt zelfs pastorale bewogenheid door. Aandringend op verzoening nu het nog kan, vanuit de geestelijke verbondenheid in Christus. Op sympathieke wijze schrijft hij ook over Telder en Vonk, die het in vrijgemaakte kring nog altijd zwaar te verduren hebben. Ook hier blijkt de concentratie op het centrum van de Schrift heilzaam te werken. Verschillen in uitleg van de Schrift moeten tegen deze achtergrond worden gewogen. Zonder de verschillen tussen onze kerken en de vrijgemaakte te verdoezelen, staat voor ds. 'feloggré de geestelijke eenheid voorop.
Er is meer dat ons bindt dan wat ons scheidt. En dat heeft te maken met de eerbied voor de Schrift. De belijdenis dat de Bijbel het Woord van God is. Dat alleen de Schrift ons brengt bij de Eniggeborene des Vaders. Bij alle waardering heb ik ook kritiek op dit boek. En dat betreft m.n. het eerste hoofdstuk. Wat de belijdenis en kerkorde aangaat is Moggré heel onbevangen. Ik vond dat verademend, ook al was het niet helemaal nieuw voor mij, ds. Moggré kennend. En dan formuleer ik het maar met eigen woorden: mensen, wij hoeven de kerk niet te bewaren, dat doet de Here Jezus zelf wel. Niet de belijdenis als een muur om de kerk heen, maar de Here zelf is een muur om zijn gemeente. En dat zelfde nuchtere oordeel komen we ook tegen in het hoofdstuk over het kerkverband en de kerkorde. "De onderlinge verbondenheid en gemeenschap der kerken is allereerst en voornamelijk een geestelijke aangelegenheid."
Die ontspannen houding mis ik wanneer ds. Moggré spreekt over de bijbel. Nu weet ik wel dat komt omdat ds. Moggré de belijdenis niet gelijk wil 'stellen met het Woord van God. Terecht. "Bij het lezen van de Bijbel heb je met de HERE te doen. Zo ligt het niet bij het lezen van onze kerkelijke papieren. Dáárin ontmoeten we het 'amen' van de kerk" (blz. 32). Ik ben dat van harte met de schrijver eens.
Historisch betrouwbaar
Ds. Moggré begint zijn boekje met de Schrift. Eenheid tussen de kerken kan er alleen zijn, wanneer we Gods Woord geheel aannemen als Gods Woord. Daarbij legt ds. Moggré bijzonder veel nadruk op de historische betrouwbaarheid van de bijbel. Ik vind hem daarin te krampachtig. Ik deel zijn opkomen voor de historische betrouwbaarheid.
Daar wordt weleens te gemakkelijk over heen gelopen, maar de weg waarlangs hij dit wil veilig stellen acht ik niet juist. Met name brengt hij de historiciteit van Gen. 1-3 (en ook van Gen. 1-11)ter sprake. Deze hoofdstukken dienen als de toetssteen voor de historische betrouwbaarheid van heel de Schrift. "Wij moeten vasthouden aan de historische realiteit van Gen. 1-3en Gen. 3 lezen zoals het zichzelf aandient, nl. als te behoren tot de toledoth (de geschiedenis, N. Vert.) van de hemel en de aarde, Gen. 2:4. In dit gedeelte hebben wij naar de duidelijke toledoth-geleding van het hele eerste bijbelboek, niet te doen met een ander literatuurgenre dan dat van het overige gedeelte van Genesis. Wie daar niet aan wil vergrijpt zich aan dit bijbelboek." En in het slothoofdstuk pleit hij er voor om van beide kanten (Ned. ger. en Vrijg. ger.) te erkennen en te verklaren: "dat men van oordeel is dat Genesis 1-11 naar de klaarblijkelijke bedoeling van dit Schriftdeel in eigenlijke en letterlijke zin is op te vatten en de daarin meegedeelde gebeurtenissen en feiten zintuiglijk waarneembare werkelijkheden zijn."
Dit 'artikel' wil ds. Moggré plaatsen naast de belijdenis dat de Schrift het onfeilbare Woord van God is, de instemming met de belijdenisgeschriften en de aanvaarding van 'zekere ordinantiën' voor het onderling samenleven der kerken.
Een kritische noot
Ik geloof van harte dat de bijbel het Woord van God is, waarin de Here zich openbaart als onze Schepper en Verlosser.
Maar de formuleringen die ds. Moggré gebruikt zijn mij te benauwend. Dat aan de eerste hoofdstukken van Genesis een historische werkelijkheid ten grondslag ligt ben ik met hem eens. Maar is het ook naar de bedoeling van dit Schriftgedeelte om een feitelijk verslag van gebeurtenissen te geven? Terecht zegt ds. Moggré dat het boek Genesis volgens een bepaalde structuur is opgebouwd. Maar dat betekent m.i. niet meer dan dat Genesis 1-11op knappe wijze is ingepast in het geheel van dit boek. Naar mijn indruk gaat het in de eerste elf hoofdstukken om meer dan een feitelijke weergave van wat er gebeurd is, er wordt op een samenvattende, profetische wijze gesproken over de tijd voordat God Abraham riep. Eer,.ander uitgangspunt bij de uitleg van dit machtige Schriftgedeelte moet ds. Moggré niet direct typeren als een zich vergrijpen aan dit bijbelboek. Want wie zich vergrijpt aan een bijbelboek vergrijpt zich aan de Geest van God, de eerste Auteur van de Schrift. Ook onder ons zijn er die in hun uitleg van de Schrift niet te werk gaan volgens de uitgangspunten van ds. Moggré, maar die in hun verstaan van de Schrift zich terdege willen laten leiden door de Geest van God. Ik vind het daarom onjuist een uitlegkundige methode tot onderdeel van het gemeenschappelijk belijden te maken. Wij moeten elkaar vinden in de belijdenis dat de bijbel het Woord van God is, zoals dat meer dan voldoende geformuleerd is in de belijdenisgeschriften, niet in een binding aan een exegetische methode. Bij deze kritische kanttekening wil ik het laten. Ik kan het boekje dat een brug wil slaan tussen twee kerken die veel in elkaar kunnen herkennen, ze hebben immers met dezelfde vragen te maken, van harte ter lezing aanbevelen.
A.J. Moggré. Kinderen van één 'Vader. Van den Berg, Kampen. f 21.50