Als een pleister van de rauwe huid
1993-11-05
ALS EEN PLEISTERVAN DE RAUWE HUID verscheen al ongeveer een half jaar geleden. Het is een roman van Mance ter Andere en voor zo ver ik weet, is het boek in vier bladen besproken. Maar blijkens een interview in het Nederlands Dagblad stelt de schrijver er prijs op dat er nog meer aandacht aan geschonken wordt; we kunnen dat in Opbouw dus ook nog wel doen. Drie van de vier besprekingen waren overwegend positief; één bevatte nogal ernstige kritiek. En de reacties die ik van lezers heb gehoord, waren eveneens verschillend, van geestdriftig tot diep teleurgesteld.- Jaargang 37
- nummer 23
De titel vinden we in het boek terug; de vader van de hoofdpersoon is een sterk dominerende man, vrijgemaakt-gereformeerd.
"Zijn wet en ware leer hebben zich vertakt in de levens van de kinderen. Zijn bikkelharde waarheden - stenen tafelen. Ik heb me van zijn kerk ontdaan. Zijn adat heb ik me als een pleister van de rauwe huid getrokken. Het doet nog altijd pijn."
Toch dekt de titel het boek niet helemaal; er is meer aan de hand dan het zich los rukken uit een harde overheersing.
De hoofdpersoon is innerlijk onzeker, al lijkt hij soms een en al energie. Hij is bang dat hij zal falen en dat laatste doet hij dan ook inderdaad. De aandachtige lezer voelt het allemaal wel aankomen, er is veel voorspelbaar in de geschiedenis. Dat maakt dat er betrekkelijk weinig spanning in het verhaal zit, wat nog wordt versterkt doordat van achteren naar voren wordt verteld, van het einde naar het begin. We weten al gauw wat de afloop is en daarmee maakt de schrijver het zichzelf extra moeilijk: hij moet tóch de aandacht vast houden. Mijns inziens is dat niet voldoende gelukt.
Over een groot deel van het boek ligt een sfeer van onvrede. Je zult ook maar opgescheept zitten met een vader als hier beschreven wordt. En met zo'n geloof en zo'n ware kerk! Dat leidt tot een taalgebruik dat voor menige lezer nauwelijks toegankelijk is. Je moet eigenlijk aardig thuis zijn in het wereldje en de geschiedenis van de vrijgemaakten om bepaalde dingen goed te begrijpen. Verder zijn er tamelijk veel zinspelingen op bijbelteksten of uitdrukkingen die in gereformeerde kring gangbaar zijn (geweest). Sommige konden zo bij Maarten 't Hart vandaan komen; ze roepen iets op dat wrang aandoet, een soort sarcasme dat grenst aan cynisme. Ik geef enkele voorbeelden. Vader zit in zijn vaste stoel. "De stoel van het hoofd der vrouw". Een vergadering vindt plaats in "een kala sole gratia-consistorie. De muren boven de bruine lambrisering nog ouderwets gekalkt - zo was het altijd geweest, bewaar het pand.
De moeder van Thomas heeft een beroerte gehad, met haar handen en voeten kan ze niets meer: "wat voor nut heeft dan nog een vrouw. Onbekwaam tot enig goed. " De aanstaande vrouw van Thomas viel bij zijn vader in de smaak: Door had alles van een ware christengelovige: het stugge haar, het onbewerkte gezicht, de kwaliteit en de lengte van de rok. Een bezwaar is: door dit soort taalgebruik wordt de mogelijke lezerskring erg beperkt. Ik stel me een lezer voor die niet in ons gereformeerde wereldje thuis is, wat moet die met dit boek beginnen? En dan heb ik het maar niet over de vraag wie nou gebaat is bij al die onvrede die ons uit deze roman tegemoet komt. Zoals over die ware kerk, daar is hij "uitgeknikkerd, met anderen en masse buiten het kerkverband gelazerd".
Dat waren enkele opmerkingen in verband met het taalgebruik. Ik wil er nog aan toevoegen dat ik de Groningse zinnen in het boek niet helemaal vertrouw; een goede controle had geen kwaad gekund. En ook hadden enkele lelijke drukfouten weggewerkt moeten worden.
Nog even iets over de compositie. De schrijver heeft 'zelf al aangevoeld dat die problemen oplevert. Er zijn twee ik-figuren: Thomas, de ex-onderwijzer en Mance, de schrijver. Er is ook een ietwat onduidelijke aangesproken persoon 'je' in het Thomas-gedeelte. Is dat de lezer of is dat Mance? In het (cursief gedrukte) deel dat van Mance afkomstig is, staat op blz. 156: "Ik heb een vaag vermoeden waar de fout zit: Ik ben vanuit mijn eigen chaos begonnen.
De tweespalt zit waarschijnlijk in mezelf. Broddelwerk! Ben ik in staat om mijn schepselen aan mijn eigen haren uit mijn eigen chaos te trekken?" Nee, dat laatste kán niet! Die hele beeldspraak is scheef. En verder: elke schrijver begint vanuit zijn eigen chaos. Maar dan volgt de moeizame inspanning van het ordenen. Zie wat Aart van der Leeuw daarvan zegt in zijn gedicht 'de Smid':
Vaak, als ik zit en arbeid, en de drang,
Die uit mijn hart wild kolkend op komt stuwen,
Rustig betoom, het rijm aan 't rijm doe huwen,
En zo het tuchtloze omdicht tot gezang...
Tegen het einde vloeien de twee ik-figuren min of meer in elkaar over. Mance schrijft: "Ik zou Thomas zelf kunnen zijn. Misschien ben ik Thomas wel. " Maar dat is toch wel wat een té gemakkelijke oplossing. Nee, het is waar wat aan het slot staat: "In mijn schema klopt iets niet."
Toch kan Mance ter Andere schrijven! Neem de fragmenten over Opa. Gaaf! Misschien liggen korte verhalen de auteur beter dan een roman?
Uitgever:Kok,Kampen. Omvang:165 bladzijden. Prijs:f 34,50.