Assertiviteit en zelfverloochening (3)

1993-11-19
  • Jaargang 37
  • nummer 24
Liefde
Nu de tweede stelling. Daarmee heeft Luther het oog op de energie die vrijkomt wanneer een mens zich niets meer gelegen hoeft te laten liggen aan de wereld om hem heen. Zolang je nog niet klaar bent met je programma om aan de eisen van mensen te voldoen, kom je aan anderen niet toe. Luther zegt: draai jezelf geen rad voor ogen; je kunt het vuur uit je sloffen lopen om behulpzaam te zijn en kerkenwerk te doen, en daarbij uiteindelijk maar één doel voor ogen hebben, namelijk jezelf waarmaken. Dan komen alle hulpvaardigheid en dienstbaarheid alleen maar voort uit de angst om tekort te schieten. En dus dien je dan in feite ... jezelf. Echt aan anderen toekomen doe je pas, wanneer je geen last meer hebt van je ego. Dat is dan ook de liefde van de Here Jezus: Hij was zo vrij van zichzelf, dat Hij kon dienen (FiI.2:6,7). Die vrijheid ziet Luther nu ook weggelegd voor mensen die van genade leven. Als je werkelijk los bent van wat mensen over je zeggen en denken, en je ontslagen weet van je plicht om aan jezelf te werken, dan heb je je handen vrij en krijg je tijd om liefde te bewijzen aan de noodlijdende wereld om je heen. Zo volgt op de eerste stelling de tweede:

Een christen is een dienstbare knecht van alles en allen en ieders onderdaan.

Wie er Luther dus van beticht dat hij geen oog heeft voor de noodzaak en zin van goede werken, heeft niets van zijn theologie begrepen. Maar wie denkt, dat de eerste stelling als het ware oplost in de tweede, heeft er zo mogelijk nog minder van begrepen. Het is allebei waar, zo paradoxaal als het klinkt: een christen is tegelijk heer en knecht, zoals hij ook tegelijk zondaar en rechtvaardige is.

Kiezen voor jezelf
Vanuit deze fascinerende beschrijving van de christelijke vrijheid is het mogelijk om te begrijpen dat je op een christelijke manier kunt 'kiezen voor jezelf'. De lezer zal wellicht in de tweede stelling iets herkend hebben van wat Van der Voet er in zijn boekje inhamert: zelfverloochening is slechts mogelijk op basis van zelfaanvaarding.
Pas als je niet meer afhankelijk bent van mensen en hun oordeel of kritiek durft te trotseren, kun je vanuit zuivere motieven ertoe besluiten om die ander terwille te zijn. In de woorden van Luther: een werkelijk vrij mens is ieders knecht. Maar die andere zijde van 'vrijheid', die komt bij Van der Voet minder uit de verf. Bij hem is Luthers eerste stelling als het ware een aanloop naar de tweede. Maar daardoor brengt hij de bevrijdende kracht van de eerste stelling, dat een christen niemands onderdaan is, onvoldoende tot gelding. Dat is jammer, want juist deze benadering van de christelijke vrijheid maakt ruimte voor 'kiezen voor jezelf'. Immers, met zijn eerste stelling bepleit Luther een dankbare en vrolijke levensstijl, waarin een mens zijn tekortschieten accepteert. Het grote innerlijke conflict, waarbij je 'Ja' tegen de ander een 'Nee' inhoudt tegen jezelf, heeft vaak alles te maken met de menselijke beperktheid. Allerlei gezegden duiden die beperktheid aan: "De boog kan niet altijd gespannen zijn." "De rek is er bij mij uit." "Je kunt niet verder springen dan je polsstok lang is." "Ik moet uitkijken dat ik niet over de rooie ga." Kortom: een mens stoot op grenzen, ook wanneer het gaat om zijn dienstbaarheid aan anderen. Menigeen zou veel meer willen dan hij kan. Christenen hebben soms de neiging om over hun grenzen heen te gaan: God vraagt het toch? En zo zijn zij alle avonden voor de kerk op pad, of durven zij geen middag het bezoek aan een buurvrouw in het ziekenhuis over te slaan. Vroeg of laat breekt hen dat op: een mens kan niet straffeloos over zichzelf heen walsen. Tegelijk is het waar: als je 'Ja' zegt tegen jezelf, zeg je 'Nee', tegen de ander. Je zadelt wel een ander met het probleem op, als je ontheffing vraagt van het ouderlingschap omdat je anders geen avond meer thuis bent. De zieke buurvrouw heeft wel een nare middag als jij een keer thuis blijft, want jij bent nu eenmaal de enige die haar bezoekt. Het is een akelig dilemma! Daarom is het zo belangrijk wat Luther heeft ontdekt: de ware vrijheid van een christen is die, waarin hij aanvaardt dat hij minder doet dan hij kan. Het vraagt geloofsmoed om 'Nee' te zeggen tegen de ander: de moed om te accepteren dat jij geen volmaakt werk aflevert. De christelijke vrijheid houdt dus ook in, dat je in zekere zin durft bij de ander in de schuld te staan. Christus schenkt ons de wonderbare vrijheid om 'Nee' te zeggen tegen de ander en 'Ja' tegen onszelf. Daar komt nog iets bij. Met zijn eerste stelling duidt Luther het heil aan dat een mens in Christus ontvangt: leven van genade kenmerkt zich door mateloze opluchting, door vrolijkheid en ontspannenheid. Christenen moeten deksels uitkijken dat ze aan dat heil niet voorbij leven. Ik ben er wel eens bang voor, dat juist het instituut kerk mensen in de weg staat om dankbaar die vrijheid te genieten. Er móet zoveel in de kerk! Daarbij denk ik niet zozeer aan allerlei regeltjes die de kerk haar leden zou opleggen, als wel aan het vele, vele werk dat verzet moet worden. Er is soms geen eind aan. Akkoord: je kunt veel bevrediging ontlenen aan kerkenwerk. Het hoeft ook niet altijd leuk te zijn. Maar het kan te gek worden. De kerk wordt dan de grote werkverschaffer, in plaats daarvan dat zij de Here Jezus vertegenwoordigt die zegt: "Komt tot mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven!" Ziedaar de christelijke vrijheid: RUST! Zomaar eens een avondje vrij hebben - als dat er niet meer is, loop je als christen kans niet meer aan den lijve te ondervinden hoe ontspannen het is om van genade te leven. Kiezen voor jezelf is zo gezien van het grootste belang. Je kunt jezelf in de weg staan blij te genieten van Gods heil, door altijd maar in de weer te zijn. Daarom moet je soms resoluut een avond of een dag in je agenda reserveren om... vrij te zijn, en toe te komen aan je hobby, of je gezin, of aan wat dan ook waarvoor je 's avonds spontaan God kunt danken. Deze kant van de vrijheid zie je uitgebeeld in het zitten van de Israëliet onder zijn vijgenboom.
Kiezen voor jezelf is niets anders dan af en toe eens onder je vijgenboom te gaan zitten en je te verlustigen in Gods heil.

Tenslotte
In de praktijk blijft het moeilijk, om te beslissen wanneer het verantwoord is om 'Ja' te zeggen tegen jezelf en 'Nee' tegen de ander. Het gevaar, dat men met een beroep op de christelijke vrijheid zijn egoïsme uitleeft, is niet denkbeeldig. God verhoede door zijn Geest, dat onze vriendelijkheid aan niemand meer bekend is. Aan de andere kant móeten we af van de karikatuur, dat de navolging van Christus ons doemt tot een plichtsbetrachting waar wij zelf aan onderdoor gaan. Af en toe is het zeer christelijk om te (Ieren) zeggen: "Ik ben er ook nog!"
Maar helemaal in evenwicht krijgen . we de zaak nooit. Er blijft een zekere spanning bestaan tussen assertiviteit en zelfverloochening, zoals er ook spanning blijft bestaan tussen die twee beelden van vrijheid die Luther schetst. Het blijft dus ook zoeken naar de rechte weg. We zullen die alleen biddend kunnen vinden, en ook dan nog vaak uitglijden, hetzij naar de ene, hetzij naar de andere kant. Maar hoort ook dat niet bij de vrijheid van een christenmens?!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief