Gods glimlach

1993-11-19
  • Jaargang 37
  • nummer 24
't Was vroeg in de morgen toen de telefoon ging. Ongeveer vijf uur. Een verpleegkundige van het ziekenhuis aan de lijn. Of ik direct wilde komen. Er was om mij gevraagd.
Hij lag al een paar weken in het ziekenhuis. Familie had hij bijna niet meer. Alleen nog wat verre neven en nichten.
Z'n vrouw had hij enkele jaren geleden naar het graf gebracht. En samen hadden ze heel lang geleden hun twaalfjarig kind moeten begraven. Hun enigst kind, geadopteerd als baby.

Nu was hij ziek geworden. Met zondag 10 van de Heidelberger kon hij zeggen, dat het leven een jammerdal was.
Hij had dat ook eens op de bijbelkring gezegd. Een jonge vrouw had toen heftig geprotesteerd.
Zij had gelijk: Ze was vrolijk en blij, had een fijn leven met haar man en haar kinderen waren gezond.
Zij begroette het leven, dat overstraald was met Gods glimlach.
Maar hij had ook gelijk: Hij was vaak door de diepte gegaan en diepe schaduwen waren over hem heen gevallen: slagschaduwen van de dood...

Nu lag hij in het ziekenhuis. Hij wist, dat hij niet weer thuis zou komen. Z'n gezondheid ging steeds meer achteruit.
Hij lag sinds vier dagen met allerlei slangetjes in bed. Daar had hij last van.
In z'n geweten had hij daar moeite mee. 't Was, alsof hij God voor de voeten liep.
Hij verlangde heen te gaan en met Christus te zijn
Toen rinkelde in de vroege morgen bij mij de telefoon. Een kwartier later zat ik naast z'n bed.
Er was verder niemand in de kamer. De zuster had zacht de deur achter zich dicht getrokken.
Het is weinigen vergund om aanwezig te zijn bij de laatste ogenblikken van een mens. Daar is het te intiem voor.
Slechts enkele zeer na-bestaanden kunnen daar bij zijn. En die zijn ervanwege allerlei injecties - ook nog vaak niet bij.
Maar hier mocht ik bij zijn.
Hij was niet verdoofd, hij was heel helder.
Hij zei: "Nu ga ik sterven en wilt u nog Psalm 23 lezen en samen met mij bidden?"
Toen las ik van dat dal van diepe duisternis, het jammerdal. Maar ook van de herder, die met ons meetrekt.
We hebben samen gebeden.
Een glimlach - was het Gods glimlach? - gleed over zijn gezicht.
Toen richtte hij zich nog één keer op.
Z'n hand ging naar de apparaten naast zich.
Hij trok alle slangetjes er uit, ging weer liggen, strekte zijn voeten en gaf de geest.
Hij was niet dood gegaan.
Hij was gestorven.
Z'n sterven was een daad.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief